
Info:
Methodische
vooroefeningen, een inleiding
'Dat
iets tegengesproken wordt,
bewijst niet dat het onwaar is,
evenmin als het niet tegengesproken worden
bewijst dat iets waar is.'
B.
Pascal, Gedachten
Einstein,
de ether en het relativisme
Als
men de waarheid van de feiten die onze
werkelijkheid vormen wil achterhalen, moet men
beginnen met het bepalen van de methode van
werken. In het oude India heet het
nyâya,
hetgeen volgens het woordenboek voor het
Sanskriet zoiets betekent als methode,
standaard, regel, axioma, plan, de juiste
manier, gerechtigheid, logisch argument of
gevolgtrekking. In de logica van onze planmatige
aanpak ontwikkelt zich, om tot de juiste
gevolgtrekking te komen, een eenduidig beeld van
de werkelijkheid, een standaard van werken op de
goede manier. Deze logica, die zelf weer
nyâyika
wordt genoemd, bestaat uit vijf
leden:
1
Uitgangsstelling.
2 Twijfel.
3 Tegenargument.
4 Conclusie.
5 Samenvatting.
We kunnen er
natuurlijk ook de filosoof René
Descartes
(1596-1650) bijhalen met zijn methode die er
veel op lijkt, en de filosofen I.
Kant
(1724-1804) voor de dualiteit en
G.
W. F. Hegel
(1770-1831) voor het idee van these tegenover
antithese om tot een synthese te komen, we
kunnen
S. Freud
(1856-1939) raadplegen voor de analyse en
F.
Nietzsche
(1844-1900) voor de zelfverwerkelijking, maar
dan zijn we met het
bouwen van één huis met meerdere
bouwmeesters bezig.
Er is immers ook de (oudere)
filosoof
W.
v. Ockham
(1285-1349)
die,
met zijn beroemde 'scheermes'-redenering, de
vraag stelt waarom we ons zouden bedienen van
meerdere elementen als een enkel element
volstaat. Om alzo het over elkaar buitelen van
bouwmeesters voor ons filognostisch huis te
voorkomen, beperken we ons in eerste instantie,
voor deze eerste helft van deel I tot Descartes,
omdat die specifiek de methode als onderwerp
had. En zelfs hem zullen we dan uiteindelijk
moeten vergeten omdat ook hij niet, onbekend als
hij er in zijn tijd mee was, de niet-westerse
traditie die aan hem voorafging en de empirische
wetenschap die op hem volgde, bij elkaar wist te
schrijven, hoe ijverig hij ook was.
Rationaliteit is mooi en gewenst, redelijkheid
is essentieel, de methode is van groot belang,
maar het gaat er ook om, zoals hij zelf zegt,
uiteindelijk volledig te zijn. De
uitgangsstelling is dan ook, met het oude India,
de oudste ons bekende cultuur, als de ene
bouwmeester voorop gesteld, dat die oude cultuur
volstaat als filosofische leidraad om de
problemen van de moderne mens aan te pakken en
tot de filognosie te komen van een
geïntegreerde benadering van wetenschap,
spiritualiteit en religie. In tegenstelling tot
Descartes treffen we daar n.l. wel een duidelijk
respect voor wetenschappelijke feiten aan als
het bestaan van een melkwegstelsel temidden van
andere sterrenstelsels, alsmede een duidelijke
beschrijving van de problemen die wij nu typisch
als die van de moderne tijd herkennen. Het is
belangrijk te werken aan een coherent denkmodel
waarin het geheel van onze werkelijkheid goed te
omvatten is, de zaken van geest en stof recht
kunnen worden gedaan, en waarmee alles en
iedereen kan inpassen zodat de persoon in zijn
volle identiteit is gerespecteerd.
Aangezien,
zoals
het
voorwoord
uitduidt, we deze liefde voor de kennis koppelen
moeten aan een zekere orde van de tijd, willen
we onszelf op de agenda zetten, zullen we ook
een fysicus als Albert
Einstein
(1979-1955)
erbij moeten betrekken omdat hij, als het
boegbeeld van onze moderne intelligentie, de
relativiteit heeft afgekondigd over het
tijdsbegrip. Laten we bij hem beginnen in het
beoefenen van de methode. Volgens hem zou, bij
zijn begrip van E = M x C2 voor het
universum, de lichtsnelheid de constante factor
zijn in het dynamisch universum van energie en
materie. De
tijd, volgens Einstein en vele anderen die hem
menen begrepen te hebben, is altijd anders en
afhankelijk van het raamwerk van observatie. Zo
zijn theorie juist is, houdt dat in dat de
absolute waarde van tijdbepalingen uit den boze
is en dat we, politiek, dus in (...) feite de
tijd kunnen regelen en beheersen zoals we dat
zelf willen.
Isaac
Newton
(1643-1727)
zou het bij het verkeerde eind hebben met zijn
absolute idee van de natuurlijke tijd als
maatstaf voor het bepalen van onze wetmatigheid
van materieel bestaan. Dat zou te
deterministisch gesteld zijn dan. Goed, maar we
zitten met een aantal strijdige ideeën als
we Einstein vooropstellen als degene die bepaalt
wat absoluut is. Op de eerste plaats is het zo
dat we wellicht Einstein niet goed begrijpen.
Tijd en ruimte zijn naar zijn theorie niet exact
hetzelfde, niet geheel aan elkaar vast te
koppelen. Naar zijn theorie is er een verschil
tussen de tijd die een atoomklok in een
vliegtuig die om de aarde heeft gevlogen
aanduidt en de tijd van een zelfde atoomklok die
zijn plaats behield. Dit is geprobeerd en men
vond inderdaad een heel miniem verschil tussen
de atoomklokken zoals de theorie voorspelde,
ookal bleek dit experiment uit 1972 volgens
sommigen dermate onbevredigend te zijn
uitgevoerd dat er eigenlijk geen definitieve
conclusies aan mochten worden verbonden (zie
A.G. Kelly: Hafele
& Keating Tests; Did They Prove
Anything?).
Heeft Einstein dus gelijk dat de tijd t.o.v. de
plaats moet worden gerelativeerd? En al zou dit
zo zijn, is het nu werkelijk zo dat dit minieme
verschil, waarmee ook astronauten b.v. dan
terugkeren naar de aarde, nu een verschil in
tijd en plaats rechtvaardigt zoals we dat
aantreffen met de standaardtijd van onze
burgerlijke regelingen in verhouding tot de tijd
aangeduid door de zonnewijzers? In China kan dat
verschil begin 21e eeuw oplopen tot wel drie
uur, hetgeen in het westen van China tot
burgerlijke ongehoorzaamheid leidt van boeren
die die tijdregeling aan hun laars lappen en
lekker eigenwijs met een op de plaatselijke tijd
van de zon ingestelde klok hun zaakjes regelen.
Als Einstein een uitzondering meent te
constateren in de newtoniaanse koppeling van
tijd en ruimte, wil dat dan niet zeggen dat die
koppelregel daarmee bevestigd is? De
volkswijsheid stelt toch dat de uitzondering de
regel bevestigt? Waarom dan Isaac Newton
verwerpen met zijn brave, religieuze en
klassieke respect voor de natuurlijke
tijdsverhoudingen in relatie tot de materie van
gewone mensen en planeten?
"...de
mislukking van de natuurkundigen in
de wereld om een dergelijke
bevredigende theorie to vinden, na
zo vele jaren van intensief
onderzoek," zo zegt Dirac, "vormt
voor mij een aanleiding om te denken
dat de etherloze basis van de
natuurkundige theorie de grenzen van
zijn vermogen heeft bereikt en om in
de Aether een nieuwe hoop op de
toekomst te zien".
Paul
Dirac, Nobelprijs winnaar in de
natuurkunde in
1933
Scientific
American, The Evolution of
Physicists Picture of Nature,
Mei
1963
|
Het
is nog erger gesteld met de theorie van Einstein
die zo fundamenteel is voor de moderne
relativistische geest afkerig van met name
persoonlijke absoluten. Onlangs (zomer 2005)
werd de theorie door de italiaanse onderzoeker
Maurizio Consoli in twijfel getrokken naar
aanleiding van onderzoeksresultaten in een
experiment van de natuurkundige Stephan Schiller
in Düsseldorf over de snelheid van het
licht die, volgens de theoreticus Consoli, die
met grotere oplettendheid en onthechting dan hij
toen zijn analyses deed, niet in alle richtingen
hetzelfde zou zijn, en dat die dus richting
heeft en er daardoor een bepaalde ordening van
het licht, een bepaald referentiekader, in het
universum bestaat. Een
dergelijke paradigmatische botsing naar
aanleiding van experimentele bevindingen had
zich al eerder afgespeeld toen een zekere
natuurkundige genaamd D.C. Miller in 1933 meende
dat Michaelson
en Morly,
de natuurkundigen die in 1887 met het idee van
een constante lichtsnelheid op de proppen kwamen
dat door Einstein als de basis werd aangenomen
voor zijn theorie, fouten hadden gemaakt in hun
uitgaan van gemiddelde waarden met de
rotatiesnelheid van de aarde.
Vóór
hem had in overweging van de resultaten tot
dusverre bekend
de denker Ernst
Mach
(1838-1916) geconcludeerd dat er geen definitief
bewijs was geleverd voor het bestaan van de z.g.
ether als het vaste referentiekader voor een
variabele lichtsnelheid in een vacuüm.
Naar de
metingen van de lichtsnelheid die volgens Miller
varieerde naar gelang de positie van de aarde,
zou de aarde zich niettemin voortbewegen met een
snelheid van 8 kilometer per seconde door een
medium dat zoiets als de ether zou kunnen zijn,
het basiselement waarin al de geleerden
vóór Einstein geloofden als zijnde
het medium waarin het licht haar trillingen zou
hebben.
Na Miller werden er, door Yuri
M. Galaev
b.v.,
nog vele controles op dit z.g. M. &
M.-experiment uitgevoerd, maar met een wisselend
resultaat. De geleerden in 2005 die
onder
leiding van Schiller dezelfde soort van
afwijkingen ontdekten
als
Miller voorheen, konden alzo de resultaten van
hun eigen onderzoek niet aanvaarden, ze konden
niet geloven dat Einstein's theorie niet zou
kloppen die stelt dat dat onderzoeksgegeven niet
juist kan zijn, en dus schreven ze hun gevonden
afwijkingen toe aan systematische
onderzoeksfouten. Dat is menselijk gezien ook
wel voorstelbaar, omdat de gevolgen ervan voor
het heersende denken over tijd en ruimte niet zo
een twee drie te overzien zijn.
Wat
betreft de lichtsnelheid zelf die in zijn
absolute waarde de tijd als een absolute
grootheid van de eerste plaats leek te hebben
verdreven, is er nog een merkwaardig iets op te
merken. Er is licht dat wel driehonderd keer
sneller gaat. Dat vinden geleerden sedert het
einde van de twintigste eeuw heel normaal. Hoe
kan dat? Volgens Einstein in 1905 is er namelijk
niets sneller dan de absolute lichtsnelheid.
Maar, sedert medio de negentiger jaren van de
20e eeuw, kan licht 1,7 keer zo snel door een
speciale glasvezel, en zelfs 300 keer zo snel
als het door een gaswolk wordt gedreven. De
oplossing voor dit raadsel stamt uit 1910: de
limiet van de lichtsnelheid geldt alleen voor
gecodeerd licht, niet voor het licht
zelf. De natuurkundige Daniël Gauthier
bevestigde dit lapmiddel voor het behoud van de
relativiteitstheorie van Einstein in 2003
nogmaals met zijn bevindingen dat de
snelheidslimiet inderdaad, naar het schijnt,
geldt voor informatiehoudend licht, en niet voor
ongecodeerd licht. De lichtsnelheid is aldus
bezien een conditionele of schijnconstante en
geen absolute constante. Afhankelijk van het
medium en het soort van licht kan licht wellicht
oneindig snel gaan en kan dus Einstein's formule
eigenlijk helemaal niet kloppen die uitgaat van
een snelheidslimiet of een absolute constante
snelheid in het vacuüm van de buitenruimte.
Naar de normale omstandigheden op aarde kan de
lichtsnelheid misschien constant lijken, maar
het lijkt erop dat we, in de speciale
omstandigheden van andere geleiding en/of
velden, met Einstein te maken hebben met iets
wat meer een theorie van constanten is dan met
een theorie die de tijd gerechtvaardigd relatief
kan verklaren (Einstein zelf gaf de voorkeur aan
'een theorie van invarianten'). Zo langzamerhand
wekt het dus geen verbazing meer dat, op enkele
wetenschappelijke fanate gelovigen na, vrijwel
niemand de theorie van Einstein begrijpt. Want
hij klopt gewoon niet helemaal bezien vanuit de
moderne mogelijkheden.
De
bewijzen stapelen zich nog verder op. Een zekere
fysicus Tom Van Flandern stelt in een artikel
getiteld The
Speed of Gravity - What the Experiments Say:
Physics
Letters;
(Physics Letters, A 250:1-11 1998):
'Recognition of a faster-than-lightspeed
propagation of gravity, as indicated by all
existing experimental evidence, may be the key
to taking conventional physics to the next
plateau'. Het effect van de zwaartekracht
gaat vele, vele malen sneller dan het licht. En
dat kan ook niet kloppen met Einstein.
Weer een andere kwestie,
waar de natuurkundigen over bakkeleien wat
betreft de lichtsnelheid, is de, in 2002, door
de internationaal hoog geprezen natuurkundige,
schrijver en programmamaker Paul
C.W. Davies
in Australië gevonden afwijking in de
kernconstante (van de z.g. fijnstructuur) die
verwant is met de lichtsnelheid en aan zou tonen
dat de snelheid van het licht geleidelijk aan af
zou zijn genomen in onze kosmische
ontstaansgeschiedenis. Ook João Magueijo
(in Faster Than the Speed of Light in
2003 tegen de z.g. Guth inflation-theorie in
redenerend die dat effect zou verklaren) stelt
dat als het licht in den beginne sneller was,
dat een betere verklaring zou bieden voor de
feiten dan de tot nu toe gehandhaafde theorie
met de gevonden meetgegevens. Maar het
tijdschrift Nature gaf hem op zijn
wetenschappelijke avances ten antwoord dat hij
weliswaar een oplossing voor een aantal
kosmologische vraagstukken had gevonden, maar
dat hij geen alomvattende oplossing had en
daarom moest worden afgewezen! Was ook niet
Einstein nog steeds met al zijn aanhangers van
vandaag op zoek naar de 'Theorie van Alles'?
Moet hij dan wel worden aangenomen?
Het lijkt erop dat we nu toe
zijn aan de psycholoog die het verschijnsel
rationalisatie en ontkenning in samenhang met
denksystemen bestudeert.We denken hier aan de
analogie van de analytische psycholoog Carl Jung
(1875-1961) die, gelijk aan Consoli met
Einstein's constanten, Sigmund Freud
(1856-1939), de oorspronkelijke psychoanalyticus
en vader van die wetenschap - die overigens een
vriend van Einstein was -, zelf geheel
neurotisch noemde. En laten we eerlijk zijn; is
het relativisme werkelijk effectief in het
verzekeren van de vooruitgang van de mensheid op
weg naar vrede en gerechtigheid? De atoombom en
de kerncentrale die wel effectief massa in
energie omzetten, lijken er niet in te slagen.
Misschien moeten we ons toch herbezinnen op ons
Vadertje Tijd, er voorlopig van uitgaande dat
Einstein wellicht niet op alle punten helemaal
gelijk had. Wetenschap is nu eenmaal proberen en
vergissen, dat is de kracht van haar
vooruitgang.
Twijfel
is er genoeg dus met het bestaande
relativistische denkmodel. Daar hoef je ook geen
natuurkundige voor te zijn. Op het internet was
eind 2005 in wetenschapsforum.nl
te lezen b.v. hoe natuurkundig
geïnteresseerden in een lekendiscussie
verdiept waren over het lichtdeeltje. Uit hun
verwarring blijkt duidelijk hoe onmogelijk het
is om alle merkwaardige uitkomsten van
Einstein's theorie te begrijpen. Licht zou ook
in fotonen meetbaar zijn. Een lichtdeeltje met
rustmassa nul zou in beweging een
energiepakketje zijn dat wel een massa heeft.
Maar hoe kan zo'n energiepakketje met het hebben
van de lichtsnelheid, waarbij volgens de theorie
het deeltje zwaar van de kinetische energie,
oneindig zwaar zou moeten worden, er geen
gravitatie-effect zijn in de richting van een
zwart gat zoals het centrum van de melkweg? (dit
behoort trouwens ook tot de implicaties van
Düsseldorf). Wil Einstein overeind blijven
dan kan het lichtdeeltje dus geen massa hebben,
ook al heeft het energie. We weten ook van
Einstein dat energie en massa samenhangen met de
lichtsnelheid volgens E=M x C2, wat
dan zou inhouden dat we energie hebben die geen
massa kan zijn en dat dus die formule, weder0m,
niet kan kloppen. Zo zong verder eind twintigste
eeuw ook de popgroep Doe Maar:
'e=mc2...voordat de bom valt', op het
eind van het
gelijknamige
lied.
En dat alles bedenkt zich, en zingt zelfs dan,
de leek.

En
ze stonden het toe dat Apollonius
vragen stelde en hij vroeg ze waar
ze dachten dat het universum uit
bestond. Maar ze gaven ten
antwoord:
"Uit
elementen."
"Zijn
er dan vier" vroeg
hij.
"Niet
vier," zei Iarchas, "maar
vijf."
"En
hoe kan er een vijfde bestaan,"
zei Apollonius,"naast die van
water en lucht, aarde en
vuur?"
"Er
is de ether", gaf de ander ten
antwoord,"welke we moeten
beschouwen al het materiaal waar
de goden van zijn gemaakt, want
net zoals de sterfelijke wezens
lucht inademen, zo inhaleren de
onsterfelijke en goddelijke
naturen de ether."
Apollonius
vroeg nogmaals wat het eerste
element was, en Iarchas
antwoordde:
"Allen
zijn er tegelijkertijd, want een
levend wezen wordt niet stukje
bij beetje geboren."
"Moet
ik," zei Apollonius, "het
universum beschouwen als een
levend wezen?"
"Ja,"
zei de ander, "als je er gedegen
kennis van bezit, want het brengt
alle levende wezens
voort."
Het
Leven van Apollonius van
Tyana,
Philostratus,
220AD.
|
Maar
het kan ook filosofisch. In de vedische
literatuur is bekend dat de filosoof Sayana in
de Rig-veda vers 1: 50 zegt 'Alzo heugt men het
zich: [o Zon] u die 2202 yojanas
in een halve nimes'a aflegt'. Met S.B.
3.11:
3-10
wordt dan duidelijk dat met een yojana
van 31 km dat zeer dicht in de buurt van de
huidig bekende lichtsnelheid van ± 300.000
km/s komt (zie Wikipedia).
Maar, o gezegende waarheid, bij nadere
bestudering van de vedische referentie in
datzelfde Bhâgavatam van
Vyâsa blijkt dat de yojana in vers
5.25:
1
ookwel een lichtjaar kan bedragen op galactische
schaal, op de schaal van de
s'is'umâra, de dolfijn zoals de
Purâna de melkweg noemt. M.a.w. de
lichtsnelheid is volgens een gecoördineerde
vedische visie variabel, afhankelijk van het
referentiekader. Wat betreft dat kader had de
filosoof Aristoteles
(384-322 v.Chr.) genoeg aan de twee vormen van
tijd: de lineaire en de cyclische beweging van
het universum. Dat was voor hem voldoende om te
spreken van een eindig universum, verdeeld in
twee gebieden: dat van de onveranderlijke en
unieke stellaire sfeer van de ether leidend tot
het cyclische van de schepping, die perfect is,
en dat van de aardse materie dat lineair
bepaald, imperfect is, eindig is. Volgens
René Descartes, verder bordurend op een
dergelijke verdeling van de ruimte met het
element van de ether, bestaat er geen lege
ruimte, geen werkelijk vacuüm, maar slechts
een universum vol van wisselwerkingen, en is er
dus in feite nooit een constante lichtsnelheid
maar slechts een door het medium waar dat licht
zich doorheen beweegt bepaalde snelheid
meetbaar. Zo zien we dan de driehonderd keer
snellere licht-impuls gestuurd door een gaswolk.
Later dan Descartes omschreef, in een mengeling
van wetenschap en speculatieve filosofie, de
natuurkundige J.
C. Maxwell
in 1768 in de eerste editie van de Encyclopedia
Britannica het problematische en mysterieuze
medium van de ether aanvankelijk, in zijn
achting voor zijn filosofische voorganger, als
volgt: 'Whatever difficulties we may have in
forming a consistent idea of the constitution of
the æther, there can be no doubt that the
interplanetary and interstellar spaces are not
empty, but are occupied by a material substance
or body, which is certainly the largest, and
probably the most uniform body of which we have
any knowledge.' Die substantie in, of van,
de ruimte is dan de oerstaat van de materie die
de sterren en planeten vormde en die er steeds
als hun basis is als één geheel
van een potentiële tijdruimte, als de
potentie van de ether, het effect van een
samenhangend krachtveld zoals dat in zijn
werking bij Aristoteles reeds was opgemerkt in
de westerse filosofie: de ether als de
formatieve basis voor al het bestaande. Het idee
van een relativistische vierdimensionale
tijdruimte, de normale 'euclidische' ruimte
gekoppeld aan de dimensie van de tijd, werd
verdedigd door Einstein in de
Britannica-editie van 1922. Maar Einstein
kon geen absolute waarde toekennen aan de
gelijktijdigheid van gebeurtenissen, een
dergelijke etherische en absolute, momentane
werking, die bij Carl Jung b.v synchroniciteit
heet, kon hij niet onderkennen. We weten door de
relativiteit van het medium zo bezien in feite
dus niet precies waar we aan toe zijn met de
snelheid van het
licht. De
resultaten van de metingen lopen uiteen, dat is
zeker.
Zelfs Einstein zelf die er
voor doorgaat dat hij, met voor ogen het
veronderstelde absolute van de lichtsnelheid,
het bestaan van de ether heeft herroepen, kwam
later op de proppen met een nieuwe theorie die
uitging van een ander begrip van de ether (zie
ook Ludwik
Kostro: Einstein and the
Ether).
Hij stelde in 1920 over de ether: 'There can
be no space nor any part of space without
gravitational potentials', waarop hij
besloot met: 'Recapitulating, we may say that
according to the general theory of relativity
space is endowed with physical qualities; in
this sense, therefore, there exists an
ether. According to the general
theory of relativity space without ether is
unthinkable; for in such space there not only
would be no propagation of light, but also no
possibility of existence for standards of space
and time (measuring-rods and clocks), nor
therefore any space-time intervals in the
physical sense. But this ether may not be
thought of as endowed with the quality
characteristic of ponderable media, as
consisting of parts which may be tracked through
time. The idea of motion may not be applied to
it.' (lezing, Universiteit van Leiden).
Algemene relativiteit impliceert dus een ether,
maar Einstein was het niet eens met een absoluut
tijdbegrip met de ether, zoals dat van onze
vaderlander, de natuurkundige Hendrik A. Lorentz
(1853 - 1928) voor hem die had gezegd: 'men kan
de drager van deze eigenschappen [de
ether] niet een zekere stoffelijkheid
ontzeggen, en als dat zo is, dan mag men, in
alle bescheidenheid, de ware tijd de tijd noemen
die door klokken wordt gemeten die in dit medium
zijn gefixeerd, en gelijktijdigheid als een
primair concept beschouwen'... De ether is
eigenlijk gewoon de lege ruimte die we normaal
kennen als een begrensd zwaartekrachtveld, zoals
van de zon (de 'gekromde ruimte'), de
melkweg (de etherische ruimte of de
Kracht) of de bijzondere, niet begrensde en
volgens Hubble's z.g. roodverschuiving van het
lichtspectrum eindeloos uitdijende,
intergalactische ruimte (de z.g.
tijdruimte, ofwel de oorspronkelijk
ruimte of ether - zonder de tijddifferentiatie
van de lineaire v.s. de cyclische tijd - van de
ongedifferentieerde materie van vlak na de
oerknal, in het Sanskriet sedert jaar en dag de
pradhâna
geheten). Er zijn zo bezien dus verschillende
vormen van relativistische ether en ruimte. De
hier genoemde drie hoofdvormen van de naar de
plaats verschillende ether kent men vedisch
traditioneel als de drie
vormen van
Vishnu:
Kâranodaks'âyî Vishnu (de
heerser over de tijdruimte).
Garbhodaks'âyî Vishnu (de
verpersoonlijking van de orde van de ruimte van
het sterrenstelsel) en
Kshirodaks'âyî Vishnu (met
betrekking tot de 'kromme' ruimte rondom de zon
en de planeten). Hiermee is onze
uitgangsstelling van het toereikend zijn van het
vedische begrip van orde dan weer bevestigd.
Reeds voor Empedocles
(490-430 v.Chr.) zei: 'bij de ether, de ether
goddelijk' was de waarheid van dit element als
zijnde essentieel voor het begrip van de ziel
dus al onderkend in het Sanskriet. Maar genoeg
hierover in dit opzicht.
De
gemeenschap van natuurkundigen in aanmerking
genomen die in ontkenning verkeren over een
relativistische ether zoals Einstein die
voorstelde, mag worden geconcludeerd dat er heel
wat natuurkundige theorie is zonder de juiste
achting voor Einstein en die zelfs zijn naam
misbruikt ter verdediging van die ontkenning.
Einstein ontwikkelde zich dus zoals dat hoort
met een goede zelfkritische wetenschapper, en
aldus kunnen we hem, filognostisch de fout
kennend als een uitdaging tot zelfverbetering,
uiteindelijk toch wel accepteren. Hij, er niet
in slagend de 'Theorie van Alles' te formuleren,
had te kampen met interne strijdigheden en zo
hebben wij dat na hem. Zo kan het niet kunnen
aantonen van een afwijking in de lichtsnelheid
ook het gevolg zijn van het meebewegen op de
'energiestroom' van de ether. De ether zou
cyclisch tot energievortexen leiden die net als
iets wat in de rivier drijft geen relatieve
beweging tussen de aarde en de ether en dus ook
geen afwijking in de lichtsnelheid geeft. Dit is
een positie verdedigd door mensen
aan
de rand van de
wetenschap
die vaak worden afgeschilderd als
pseudowetenschappers: Nikola
Tesla
(1856-1943),
Viktor
Schauberger
(1885-1958), Wilhelm
Reich
(1897-1959) en John
E.W. Keely
(1827-1898). De laatstgenoemde stelde in 1893:
'There is no dividing of matter and force
into two distinct terms, as they both are one.
Force is liberated matter. Matter is force in
bondage'. Zij probeerden aan te tonen dat
etherische energie, of orgone energie zoals
Reich dat aan Einstein liet zien, hoewel
onzichtbaar, zeer reëel is (zie ook
J.
Medeo).
Met de moderne kwantummechanica voor ogen die
ook in deze termen spreekt over onbepaalde
energie, mogen we ons dan afvragen wat nu ware
wetenschap is. Er is paradigmatische strijd,
maar wat waar is, zal de tijd leren. Error kan
terror zijn (E=M x (T)error2),
wetenschap en politiek zijn net als staat en
kerk slechts principieel, maar niet reëel
gescheiden. We zijn gewaarschuwd voor fouten en
egobelangen in de wetenschap, met name voor
wiskundige beschouwingen die uitgaan van
verkeerde veronderstellingen als het niet
bestaan van de ether of van imaginaire
constanten. Zo
was er in de loop van de negentiger jaren een
bericht van astronomen die dachten planeten
rondom een ster te hebben ontdekt. Later deden
ze dat ook, maar toentertijd was de afwijking in
de z.g. parallax van hun metingen achteraf
geheel toe te schrijven aan het abusievelijk
niet meerekenen van de
tijdvereffening
die is te wijten aan de scheve aardas en de niet
cirkelvormige baan van de aarde rondom de zon.
Ze stonden voor aap met vals alarm.
Het idee ten
grondslag aan deze principiële filosofische
twijfel is dat de wiskunde, de pragmatische
redeneertrant van de natuurkunde, een
reductionistische manier van redeneren is
waarbij men nooit zeker weet waar men het over
heeft omdat in de reductie informatie verloren
gaat. De term A in een vergelijking hoeft dus
niet hetzelfde te zijn als een zelfde A elders
in de vergelijking of in een andere
vergelijking. Ook dat is relativiteit en
wetmatigheid. Als A ongelijk is aan A, zeg een
goede Appel is niet een rotte Appel, maakt dat
een einde aan de illusie van orde die de
wiskunde suggereert, of zoals psychologen als
B.
F. Skinner
(1904-1990)
het zeggen: je moet gewoon de complexiteit van
het universum onder ogen zien en aanvaarden dat
je niet alles kan kennen of tot een formule kan
terugbrengen.
Op
welke punten precies Einstein nu uiteindelijk
gelijk heeft of niet, of het genoemde getwijfel
en geëxperimenteer nu allemaal terecht en
juist is of niet, zeker is dat de tijd als
heersende factor - gekoppeld aan de plaats in
dat wat we de tijdruimte noemen - inderdaad
logisch gesproken relatief afhankelijk moet
zijn, zoals ook de lichtsnelheid afhankelijk is
van het medium waar zich dat licht doorheen
beweegt. En dat is dan een tweede weerlegging
van de gepolitiseerde relativistische
rechtvaardiging die voor tijdzones geldt
bijvoorbeeld, waarin juist de tijd wordt
lòsgekoppeld van de plaats. Met andere
woorden: Einstein gebruiken om het absolute van
de tijd te weerleggen, vervolgens die tijd dan
van het raamwerk van observatie, ofwel de
plaats, afhankelijk te stellen en dan met het
zelfde relativistische argument tijdzones
instellen waarin die afhankelijk van de plaats
dan weer doorbroken wordt, is natuurlijk meer
een oefening van angst-neurotisch dwangmatig
bezig zijn op de vlucht voor Vadertje Tijd dan
iets anders. Lorentz moet gelijk gehad hebben
met zijn, door ons op deze site dan ook
gerespecteerde, lokale,
ware-tijdklokken gericht op de
ether
en niet Einstein met zijn uitzondering daarop
die voortkwam uit de ontkenning van de ether. Je
kan beweren dat de tijd absoluut relatief is en
dat er een tijdwet is die stelt dat de tijd, en
alles wat er mee samenhangt, altijd anders moet
zijn omdat het element van beweging er eigen aan
is, maar het simpelweg eindeloos manipuleren van
de tijd als een afhankelijke variabele en zo van
een uitzondering een regel maken, is toch zeker
een vorm van ontkenning wat betreft het met alle
materie onderworpen zijn aan de tijd als een
onafhankelijke grootheid, die, behalve scheppend
en handhavend, ook evident destructief
is.

De
einsteiniaanse misvatting lijkt, met het serieus
nemen van de kritiek, te bestaan uit het
verwarren van snelheid met verandering. Snelheid
is niet een absolute waarde, zoals de heilige
drie basiselementen van de natuurkunde, te weten
ruimte, tijd en materie dat wel
zijn. Met de tijdruimte die de materie toont,
zijn het die drie elementen die als de
natuurkundige heilige drie-eenheid van God
elkaar definiëren en niet tot iets anders
te herleiden zijn. Bij de filosoof
D.
Hume
(1711-1776) in Het
Menselijk
Inzicht,
heten ze uitgebreidheid, massa en
beweging en bij Vyâsadeva,
akas'a, prakriti en kâla. Ze
vormen elkaars voorwaarde in de schepping, de
een is niet denkbaar zonder de ander. De
tijd is het leven, de beweging van de
materie in de ruimte. De ruimte is de
tijdsafstand, het zwaartekracht fenomeen, tussen
materiële voorwerpen. De materie is
het electromagnetisch effect van de werking van
de tijd op de potentie van de uitdijende ruimte,
de tijd die van lineair bij de wet van de
reactie cyclisch werd en zo in tegenstelling de
zwaartekracht, de oerpotentie dus, omvormde tot
materie (zij het niet geheel blijkens het niet
kunnen vinden van de z.g. onzichtbare 'donkere
materie', die volgens S.B. 5.20:
38
drie kwart van de schepping beslaat). De hele
schepping is een permutatie van de begrippen
tijd, ruimte en materie. Energie b.v. is een
electromagnetisch fenomeen van ijle materie, de
materie die van puur heet energetisch plasma in
het begin, concentreerde of condenseerde tot gas
en damp, toen vloeibaar werd en daarna stolde
tot grove materie, waarbij licht het meest ijle,
het snelste van de materie in den beginne is.
Vedisch heet het 'de blik' van de Heer (S.B.
2.1:
31),
en Bijbels heet het in Genesis dat er licht was
in de duisternis. Ruimte is het
gravitatie-fenomeen dat de materie begrenst in
de vorm van of sterren en planeten in de kromme
ruimte - de ether die we met de radio
bestrijken, of de melkweg die we in de
etherische ruimte met het blote oog zien in de
sterrenhemel, of de kosmische tijd-ruimte bal
van uitdijende sterrenstelsels zoals we die met
een telescoop bij elkaar in het oerbereik van de
tijdruimte zien waar er nog niet echt materie
bestaat maar alleen energetische potentie is. En
ook de tijd kennen we dus zo in drieën, net
als de ruimte en de materie: de lineaire
beweging van de oerstof die we terugvinden in de
uitdijing van het heelal, de beweging van de
materie die daarentegen cyclisch in onderlinge
aantrekking juist ronddraait in een
sterrenstelsel en de beweging door de tijdruimte
van de 'tijdloze' maar levende ziel, de
tijd-ruimte worm zoals Einstein ons noemde, die
de 'niet-tijd' voorstelt van het tijdbewustzijn,
die de negatie van de materie is, en vals in
identificatie met het oneigenlijke een ego
vormt. De ruimte, het relatieve
gravitatiefenomeen, is de ether; de materie is
de electromagnetische manifestatie en de tijd is
het leven van dat alles. Dat is de natuurkundige
basis als een feitelijk waarneembaar volkomen
geheel voor al onze redeneringen.
- "Aldus
ging hij er toen toe over de
levende wezens in te delen wat
betreft soort en oorsprong, en
hij deelde ze net zo lang in tot
hij uitkwam op hun elementen,
welke hij de vijf vormen en
lichamen noemde van de aether,
het vuur, het water, de aarde en
de lucht."
Xenocrates
on the life of
Plato
|
Wat
betreft Einstein zijn foute veronderstelling is
het, zo voorgesteld, de snelheid die verandert
en geen absolute waarde kent, zoals alles wat
onderworpen is aan de tijd. Dat is nu de wet van
de tijd: de verandering is het absolute, niet
dat wat verandert. De verandering blijft de
verandering, ook als ze verandert, net zoals
ruimte of de ether, de ruimte of de ether
blijft, ook al is ze elders en is tenslotte de
materie ook absoluut een electromagnetisch
fenomeen, niet zo zeer wat betreft een
tijdelijke vorm, maar wat betreft haar bestaan
als een energetische contractie waarzonder de
eerste twee geen betekenis hebben, ook al is ze
zo ijl als het licht. Iets wat onveranderlijk en
constant schijnt te zijn, zoals een quasar
bijvoorbeeld, vormt een illusie, een
schijnconstante: het vond ooit zijn bestaan en
zal, bij de wet van de tijd, ooit ophouden te
bestaan, en is dus niet absoluut bestaand. Neen
dus, de snelheid van het licht is geen absolute
waarde, dat is nu logisch uitgesloten. Einstein
kan daarom, ook al aanvaarden we zijn bekentenis
tot de relatieve ether, geen leidraad vormen
voor een filosofisch verantwoord betoog ten
behoeve van een bepaalde orde van de tijd. We
moeten uitgaan van het absolute van de tijd, het
absolute van de verandering dat er is als een
eeuwig leven van alle materie in de
ruimte.
Methodisch consequent
doorredenerend luidt het tegenargument op het
betwijfelen van het absolute van de tijd op dit
punt, dat het relatief en afhankelijk verklaren
van de tijd nog niet de absolute werkelijkheid
ervan als een onafhankelijke variabele uitsluit.
Of, zoals dualistisch Immanuel
Kant
(1724-1804) het zou zeggen: de tijd voor zich
heeft, onkenbaar als die in zijn volle glorie -
volgens ook de franse
filosoof
Henri
Bergson
(1859-1941) -
is in feite, jouw bestaan niet nodig om zelf te
bestaan en de tijd op zich zoals je die leeft
als een ervaring van zijn - waar de
existentialist Martin
Heidegger
(1889-1976) het dan weer over had - heeft daar
dan ook wezenlijk geen vat op, alle politiek en
pragmatisch geïnspireerde manipulaties ten
spijt. Die geleefde en beheerste tijd houdt,
Hegeliaans bekend, slechts de vervreemding in
als men het zonder de wetenschap van geldigheid
en betrouwbaarheid moet stellen, zoals dat zich
in de moderne willekeur van de standaardtijd
sedert de Franse Revolutie met haar mislukte
tijdhervorming toont. Concluderend is dan,
axiomatisch, de tijd dus, zoals reeds door het
oudste van de indiase cultuur verdedigd als een
onafhankelijke variabele, een absolute van
verandering en een determinant van de ether,
onze uitgangsstelling, en de twijfel geldt dan
de zelfbepaalde conditionerende orde ermee die
natuurlijk relatief is en van een goede of een
slechte kwaliteit kan zijn die we kunnen
bespreken.
Samenvattend
komt de uitgangsstelling van de filognosie dan
neer op de tijd als een onafhankelijke godheid,
grootheid, kracht of orde, die vanaf de vroegste
geschiedenis, zoals we die uit India kennen,
aanwezig is als een voor schepping, behoud en
vernietiging, allesbepalende factor in onze
levens. De
antithese van het relativisme heeft betrekking
op de pragmatische noodzaak van een kenbare,
existentieel leefbare, beheerste tijd die we
moeten beschouwen als zijnde relatief. Met voor
ogen de twee posities van het natuurlijke
absolute van de tijd en het cultureel relatieve
daarbij gehandhaafd, komen we alzo tot het
inzicht dat we te maken hebben met een
paradigmatische kwestie die te vergelijken is
met het verschil tussen geocentrisch en
heliocentrisch denken. Eerst dachten we dat we
volgens Ptolemaeus
(87-150), met God en Jezus op aarde, het centrum
van het universum waren, en toen dachten we,
sedert de heldenmoed van Galileo
Galilei
(1564-1642) die naar de ideeën van
Copernicus
(1473-1543)
het geocentrische Rome het hoofd bood, dat de
zon het centrum van het universum was en vonden
we aldus ons nieuwe tijdperk van de
wetenschappelijke verlichting. Met de
daaropvolgende vooruitgang van de astronomie
ontdekten we onze plaats in het sterrenstelsel,
de melkweg, en nu, moe van de politieke
verdeeldheid en het redetwisten van de -
niettemin nog steeds in hoofdzaak -
heliocentrisch geörienteerde wetenschappen
met hun compensatoire relativisme, lijkt het
erop dat het met het door ons serieus nemen van
de verschillen van de lichtsnelheid, welke in
een onbevredigend experimenteren werden gevonden
in de afwezigheid van een bevredigend paradigma,
we, tezamen met de zon inderdaad, ons bewegen
door een medium genaamd de ether. Moge de kracht
met ons zijn; want we zijn nu aangeland bij het
galactocentrisch denken, het nieuwe paradigma
voor de eenentwintigste eeuw dat ons neerzet als
zijnde bewogen door een alles beheersende kracht
die zowel de aarde, de maan en de zon als de
rest van de sterren beweegt, een kracht die ons
voortbeweegt in de galactische werveling rondom
het zwarte gat in het midden, de berg Meru van
Vishnu en Brahmâ, het oog van de
universele storm gecreëerd door die heilige
en absolute Kracht, de Kracht van de Absolute
Galactische Cakra of cyclische tijd die in zijn
werking bekend staat als de ether, het eerste
effect (Brahma Sûtra
Adh2.P3:
1-7)
in de schepping. De ontwikkeling van de ether
beschrijft de wijze Vyâsa als volgt: 'Door
de identificatie met de duisternis der materie
werd middels de omvorming naar die geaardheid
[het eerste element van] de ether tot
ontwikkeling gebracht met haar subtiele vorm en
kwaliteit van het geluid dat een aanduiding
vormt voor zowel de ziener als het
geziene.' (S.B.
2.5: 25).
In S.B.
11.15: 19
stelt hij dan dat
de Heer
als de verpersoonlijking van de ether moet
worden gezien en in S.B.
3.5: 32 dat
de ether kan worden gezien als de symbolische
representatie van de Superziel, het lokale
aspect van God die onpersoonlijk als de Tijd
wordt gekend. Gerelateerd aan het ruimtebegrip
stelt hij dan (S.B.
3.26: 34):
'De activiteiten en kenmerken van het element
van de ether voorzien in de buiten- en de
binnenruimte, voor alle levende wezens het
handelingsgebied zijnd van de levensadem, de
zinnen en het denken.' De ether volgens hem
heeft dus betrekking op zowel het 'tijdloze'
zelf van het tijdbewustzijn als op het
tijdgebondene van de buitenwereld. Een ook in
spiritueel opzicht relatieve ether
dus.
'Voor
een waarlijk vreugdevol en
heilzaam menselijk werk om te
gedijen, moet de mens in staat
zijn op te klimmen vanuit de
diepten van zijn aarding thuis
tot in de ether. Ether staat hier
voor de vrije lucht van de hoge
hemelen, het open bereik van de
geest.'
Martin
Heidegger, 'Verhandeling
over het denken'
|
 Met
deze paradigma-verschuiving zijn we methodisch
geplaatst voor het tegenargument dat tot de
conclusie leidt dat de orde van de tijd nu kan
worden besproken wat betreft zijn
paradigmatische kwaliteiten en effecten. Zoals
het geocentrisch denken zich als inferieur
bewees in verhouding tot het heliocentrisch
denken, kan nu het heliocentrisch denken op
dezelfde manier ondergeschikt zijn aan het
galactocentrisch denken, in het ontvouwen van de
kennis in deze en de volgende secties van onze
filognosie voor de orde van de tijd met de
ether. Want het is dat nieuwe paradigma dat, in
tegenstelling tot het heliocentrische, rekening
houdt met het gezamenlijke rond bewegen van de
sterren, de aarde en de zon door het, het zij
nogmaals benadrukt, vanuit de vedische cultuur
dus reeds bekende basiselement van de ether
(kha of akas'a), dat het
krachtveld van zowel het sterrenstelsel, de
primaire tijdruimte als de lokale orde
vertegenwoordigt, het krachtveld dat mogelijk -
maar niet noodzakelijk - resulteert in de
variaties in de lichtsnelheid gevonden in de
verschillende experimenten en waarvan Einstein
rond 1920 zei dat hij er in 1905 misschien wat
te radicaal over geoordeeld had. Als met die
discussie en ondersteund door wetenschappelijk
experiment vervolgens het gehele probleem van de
moderne mens is samengevat en begrepen, zijn we
aldus geslaagd in onze methodische opzet en
aangeland bij een nieuw paradigma voor de
eenentwintigste eeuw, een paradigma dat de
wereldcultuur doet terugschakelen naar haar
klassieke waarden en de (post)moderne,
vervreemde mens doet genezen van zijn
begoochelde staat.
'Derhalve
was ik in 1905 van mening dat men
in de natuurkunde helemaal niet
meer van de ether mocht spreken.
Dit oordeel echter was te
radicaal zoals we bij de volgende
overwegingen over de algemene
relativiteitstheorie zullen zien.
Het blijft veeleer, zoals
voorheen, toegestaan om een
ruimtevullend medium aan te nemen
als men electromagnetische velden
(en dan ook welzeker de materie)
als de toestand ervan kan
aanwijzen'
A.
Einstein in 'Grundgedanken
und Methoden
der Relativitätstheorie in
ihrer Entwicklung dargestellt'
|
Zie
ook: referenties

2-
De Orde van de Tijd: structuur van de
inhoud
Willen
we van de orde van de tijd methodisch de
kwaliteiten en effecten bespreken, dan moeten
we, zoals in het
voorwoord
gesteld
werd, syncretisch uit liefde voor de kennis,
vanuit de filognosie, zowel de wetenschap, de
spiritualiteit als de religie aan bod laten
komen. Syncretisch denken is de essentie van het
begrip gnosis zo leert ons de klassieke
spiritualiteit van het Christendom. De
internet-encyclopedie (nl.wikipedia.org)
leert dat gnosis, bij de autoriteit van
Gilles
Quispel
(1916) - een gezaghebbend nederlands onderzoeker
van het klassieke en christelijke gnosticisme -
als kenmerk van religieuze stromingen, gerekend
wordt tot 'de derde component van de westerse
cultuur', naast rede en geloof. Naast de griekse
filosofie en het Christendom zou ook de
gnosis, die we christelijk gesproken
sedert de tweede eeuw kennen, belangrijk hebben
bijgedragen tot de cultuur van West-Europa. 'De
rede heerst op het gebied van de waarheid en de
wijsheid, de theologie op het gebied van
vroomheid en gehoorzaamheid' zegt
B.
de Spinoza
(1632 - 1677) in zijn Theologisch-politiek
traktaat, waarbij hij de wederzijdse
verplichting van de twee verwerpt, maar wij
stellen filognostisch uit liefde voor de kennis
dat rede en geloof wel wederzijds verplicht
zijn, en wel in de gnosis waarin de ontleding en
het principe, ofwel de analyse en de
spiritualiteit, de brug slaan tussen wetenschap
- die methodisch de waarheid achterhaalt en in
de wijsheid bepaalt welk feit en denkmodel van
belang is - en de persoonskunde (de theologie)
van de godsdienst die de vroomheid nastreeft met
de politiek van het volk dat democratisch de
gehoorzaamheid afdwingt. Met het door ons
koppelen van het begrip gnosis aan de
vedische cultuur
zullen we dan, zonder onszelf in deze of gene
gnostieke traditie te verliezen of er ketters
mee gecompromitteerd te raken, hier een
wereldbeschouwing ontvouwen waarin alle cultuur
zijn verzoening vindt. De gnosticus wordt
gekenschetst als iemand die erop uit is God te
kennen op een intieme, vertrouwelijke basis,
door het opbouwen van zelfkennis of het voeden
van het zelfbewustzijn; de filognost is degene
met de liefde hiervoor vanuit het gezichtspunt
van de vedische waarheid. De filognosie als
gnosis is in tegenstelling tot de
klassieke westerse opvatting ervan niet geheim,
ook al wordt, op de vedische grond van de
z.g.
paramparâ,
een persoonlijke overdracht van de liefde voor
de kennis bevorderlijk geacht en aangeraden en
is het ook zaak een zekere vertrouwelijkheid en
discretie wat betreft de wetenschap van de
persoon te betrachten. Ze is niet polemisch of
anti-kerkelijk, baseert zich wel op allerlei
wetenschappelijke feiten en is wel van geloof op
basis van de vedische leerstelling dat het
menselijk geheugen en vermogen tot kennis
verwerven en kennis verwerken steeds tekort
schiet en er dus schriftuurlijk gezag nodig is.
In tegenstelling tot de klassieke gnosis is er
dus geen neiging tot anarchie en wel een zekere
mate van volgzaamheid wat betreft een
oorspronkelijke persoon van geestelijk gezag,
i.c. de filosoof der filosofen Vyâsadeva
(± 3200 B.C.),
de Indiër die in het Westen wel eens als
anoniem wordt afgedaan omdat zijn naam zou staan
voor een verzameling van wijzen die ieder op hun
beurt de vedische verzen bijeen gebracht zouden
hebben. Ook al belichaamt hij inderdaad de
vereniging van het hele veld van de filosofie en
de religie, er bestaat voor het ontkennen van
zijn naam echter ons inziens onvoldoende reden
of bewijs, zoals er ook voor de z.g. arische
invasie van India die de oorsprong van de
vedische beschaving meer buiten India en bij ons
zou leggen, onvoldoende bewijs is - integendeel.
Maar het is wel een kritische volgzaamheid
t.a.v. de vedische cultuur waar we mee werken.
Die cultuur uit het Verre Oosten niet zomaar
klakkeloos overnemen, maar dus wel eenvoudig en
eenduidig met een zekere leidraad in ons
opnemen, vindt dan plaats zonder onszelf als
Christenen, Moslims of anders-gelovigen en
-denkenden uit het oog te verliezen. Zo kan het
voor de een heel traditionalistisch hindoestaans
uitpakken, voor de volgende meer een aardige en
inspirerende filosofische oefening zijn en voor
weer een ander een verrijking van het spirituele
of politieke leven inhouden. Het ligt in de
bedoeling dat geen van onze
talenten
en vormen van vereniging van wetenschap,
spiritueel leven en multicultureel geloven
verloren gaan met het herkennen van de vedische
wetenschap als een inspiratiebron en wortel van
menselijke beschaving. De doctrinaire inspanning
van de filognostische wereldbeschouwing, zoals
op deze site uiteengezet, betreft deels de
bestrijding van alle mogelijke vormen van
vervalsing, of valse eenmaking van het ego, of
dat nu de vervalsing van het klassenbewustzijn
betreft, het politiek bewustzijn, het religieus
bewustzijn of de meer wetenschappelijke vormen
van arrogantie, enggeestigheid en vervreemding.
Met het met deze postmoderne herstart van de
gnostiek daarin een constructieve spirituele
verzoening van de wetenschap en de religie voor
ogen hebben, is er voor ieder van de drie
genoemde heilige onderwerpen van de wetenschap,
de spiritualiteit en de religie - die
respectievelijk de feiten, de principes en het
respect voor de persoon aan de orde stellen -
een dualiteit die alzo op deze site in een
indeling in zes secties resulteert. Deze zes
secties corresponderen met de in India
gehanteerde darshana's
of zes klassieke zienswijzen die er zijn om de
menselijke neiging tot het vervalsen van het
ikbesef van de ziel - en dus ook van een
bepaalde orde van de tijd met de ether - te
bestrijden. De nyâya van de
logische aanpak in India, werd vertaald in de
methodisch/structurele filosofische overwegingen
van deze sectie; de vais'eshika van het
meer atheïstische Indiase eenheidsdenken
werd vertaald in de cijfers en termen van de
nuchtere natuurwetenschap; de
sânkhya van de analytische
filosofie werd vertaald in een analytische
sectie toegespitst op de kunst; de yoga
van het vinden van verzonkenheid werd vertaald
in de spiritualiteit van het ontwikkelen van een
zeker abstractievermogen; de
mimâmsâ van de cultuur der
rituelen werd vertaald in persoonlijke en
religieuze overwegingen, en de
vedânta-cultuur van de commentaren
werd vertaald in een politiek reformatorische
geest. Deze gezichtspunten hebben dan gemeen: 1)
een continuerend zelf, 2) een werklast, 3)
bevrijding in dienstbaarheid, en 4) een
referentiecultuur. De identiteit en integriteit
van de filognosie is zo met zes aspecten
beschreven ongeveer zoals de empirist
D.
Hume
(1711-1776) op zijn manier de kennis indeelde
(zie verder de definitie).

 Het
moge dus,
zoals
in het voorwoord
gesteld,
duidelijk zijn dat deze lineaire presentatie,
zoals je die voor een boek nodig hebt, een
causale suggestie met zich meevoert die je moet
relativeren: in werkelijkheid volgt het ene niet
zo strikt uit het andere, om reden waarvan de
interface op de
index-pagina
van
de site een meer intuïtieve opzet kent. Een
boek en een site, van een begin naar een einde
redenerend, vormt aldus, zoals hier opgezet op
basis van een klassieke indeling - en zo geldig
zijnde, een perfecte illusie van causaliteit;
niet zo zeer een illusie in de zin van fout,
maar een illusie in de zin van een exclusieve
manier van praten. Er zijn met dezelfde
elementen meerdere even geldige redeneringen
mogelijk. Zo redeneerde Auguste
Comte
(1798-1857), de vader van het positivisme
precies andersom als de hierboven substantief
beschreven filognostische lijn die meer lijkt op
die van Søren
Kierkegaard
(1813-1855), die gaat van het esthetische naar
het ethische, en dan het religieuze. Volgens
Comte komt men van de theologie van de persoon,
wetmatig via de metafysica van de principes en
de abstracte 'natuur', tot het nuchtere
positieve stadium van de feitelijke
werkelijkheid die op zich dan geen oorsprong of
doel kent. Maar de wet van het leven en de tijd
kent meerdere causale richtingen dan die van
Kierkegaard en Comte dus. Zoals we in het
voorwoord al aangaven is het einde, in het
cyclische van de kennis, n.l. weer het begin en
zijn ook de weg terug, van het einde naar het
begin redenerend, de in een intuïtieve
willekeur gevonden ordening, en het uitwaaierend
redeneren vanuit een kern zoals in een
boomstructuur, evenzo geldige vormen van
vooruitgaan in causaal redeneren.
Het
was de griekse filosoof Aristoteles
(384-322 v.Chr.) die in dezen in zijn
Fysica vier verschillende vormen van
causaliteit onderscheidde: naar de
substantie, zoals in 'het brons gaat aan
het bronzen beeld vooraf', naar de bepalende
vorm zoals in 'de vorm van een paard is
essentieel voor alle paarden en er de oorzaak
van dat we ze zo noemen', naar de doener
zoals in 'de kunstenaar vormt de oorzaak van
zijn schepping' en de causaliteit van de
norm zoals in 'ik wandel voor mijn
gezondheid en dat vormt de oorzaak van mijn
wandelen'. In de vedische logica vinden we alle
vier deze vormen van causaliteit terug in de
vorm van de purusha als de ziel,
de essentie van de persoon als beginsel van de
schepping, die in de schepping aan het ego
voorafgaat als de substantie ervan, in de
avatâra, de god
die de vorm van de mens aannam en zo
bevrijdde, in kâla als de
doener die alles beweegt, schiep en
conditioneerde en in dharma, de
norm van de noodzaak van de gerechtigheid van
God die de oorzaak vormt van de vroomheid en de
vrome persoon van kennis. Zo ook is dan
filognostisch ook niet zonder meer gezegd dat
(normatief) enkel de religie ofwel het dharma
leidt tot de wetenschap van de spirituele
persoon, aangezien omgekeerd de purusha
ofwel de (oorspronkelijke) persoon van kennis er
zelf ook weer de oorzaak van is volgens de
illusie van de (substantieve) causaliteit die we
hier dan lineair aanhouden. Zo ook is de
avatâra er telkens weer opnieuw als
een boom van kennis waaraan (formatief), zoals
vanaf de index-pagina
van de site, alle filosofie, spritualiteit en
religie met Hem als de stam en kern ontspruit,
en is er ook het onpersoonlijke van de
spiritualiteit in relatie tot de tijdfactor
kâla die, zoals aangewend in de op
zichzelf staande artikelen van deze site, de
(constructieve) oorzaak van het intuïtieve
leren vormt. Een markant voorbeeld vormt het, in
dit geval meer symbolisch, letterlijk
terugredeneren naar wat voor anderen een begin
is, van de renaissance schilder, uitvinder en
wetenschapper Leonardo
da Vinci
(1542-1519).
Hij, steeds uit principe het esthetische en
intellectuele inventief combinerend, was gewoon,
net als sommige oosterse culturen, zijn boeken,
zinnen en woorden van achteren naar voren te
schrijven en te lezen, waarmee hij op zich
natuurlijk nog niet het dubbele van het
dubbelzinnige van de vier causale redeneringen
te pakken had. Een ander voorbeeld zie je in
films die soms bij de ontknoping beginnen, met
flash backs, en dubbele verhaallijnen werken of
dwars door elkaar heen gesneden zijn qua
episoden als betrof het, zoals in de
film
Memento
van Christopher Nolan uit 2000, iemand met een
korte termijn geheugenstoornis die de orde van
de tijd zelfs helemaal niet meer kent.
Inhoud
van deel I: de feitelijkheid
De
eerste van de drie basisdualiteiten van de
filognosie betreft de rationele methode versus
de empirische wetenschap om de feitelijkheid van
het leven het hoofd te bieden. Men spreekt wel
van de methodische wetenschap: eerst orde op
zaken stellen en dan ermee empirisch verantwoord
aan de slag gaan. In deze afdeling is het
agnosticisme sterker vertegenwoordigd dan het
gnostische element. Met de rede en met
ervaringsgegevens
uit de empirie komen we hierin geleidelijk tot
een grondhouding en basisstructuur die een meer
naar de principes ingericht spiritueel leven en
een beter van de persoon bewuste samenleving
mogelijk maakt. De agnostische grondhouding van
openstaan en neutraal dan wel sceptisch blijven,
zoals modern uitgedragen door de biologen
T.
H. Huxley
(1825-18-95),
Charles
Darwin
(1809-1882) en de filosoof Bertrand
Russell
(1872-1970) kan, evenzo loffelijk als ze als de
andere zienswijzen is in haar dienstbaarheid,
min of meer als een voorwaarde worden beschouwd
om tot wezenlijke, filognostische, kennis ofwel
kennis van het geheel te komen. Het was ook
Plato
(428-347
B.C.) die als een van de eersten der griekse
filosofen zich bij monde
van
Socrates
(470-399
B.C.) in zijn bekentenis tot dit principe van de
wetenschap in zijn geschrift De verdediging
van Socrates liet ontvallen dat hij alleen
zeker wist dat hij niet wist. Het was die
eerlijkheid die Socrates als een vroege Christus
van de filosofie de gifbeker opleverde omdat
hij, tot het bederf van het respect van de
jeugd, ermee aantoonde dat de zittende macht,
ondanks de pretenties, eigenlijk ook niet echt
weet had, en dus minder wijs was dan hij die dat
wel wist.
Inhoud
sectie 1a: de methode.
De
methode bestaat dus allereerst uit de
beginselverklaring zoals op
de pagina hiervoor
beschreven
waarin we kennis maken met de twijfel, de
indeling, de complexiteit en de volledigheid als
principes van systematisch werken.
Direct
daarop kwamen we dan op basis
| |