Canto 4b
De Schepping van de Vierde orde, de Bescherming door de Heer
Hoofdstuk 20 Heer Vishnu's Verschijnen in het Offerperk van Mahârâja Prithu
Hoofdstuk 21 Het Onderricht van Mahârâja Prithu
Hoofdstuk 22 Prithu Mahârâja's Ontmoeting met de Vier Kumâras
Hoofdstuk 23 Mahârâja Prithu Keert Terug naar Huis
Hoofdstuk 24 Het Lied Gezongen door Heer S'iva
Hoofdstuk 25 Over het Karakter van Koning Purañjana
Hoofdstuk 26 Koning Purañjana gaat Uit Jagen en Treft zijn Teneergeslagen Vrouw aan
Hoofdstuk 27 De Aanval door Candavega op de Stad van Koning Purañjana; het Karakter van Kâlakanyâ.
Hoofdstuk 28 Purañjana Wordt een Vrouw in Zijn Volgende Leven
Hoofdstuk 29 De Conversatie van Nârada en Koning Prâcînabarhi
Hoofdstuk 30 De activiteiten van de Pracetâ's
Hoofdstuk 31 Nârada Onderricht de Pracetâ's
Heer Vishnu's Verschijnen in het Offerperk van Mahârâja Prithu
(1) Maitreya zei: 'De Opperheer, de Heer van Vaikunthha, tezamen met de machtige Indra tevreden over de offers gebracht aan Hem, de Heer van het Offer, sprak als de genieter aller offers, tot koning Prithu. (2) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze Heer Indra, die inderdaad het u moeilijk maakte met het honderdste paard-offer dat u bracht, richt zich tot uw ziel met zijn excuses; u zou hem moeten vergeven. (3) Zij die van de grootste intelligentie zijn ten gunste van anderen in deze wereld, o god der mensen, behoren tot de beste mensen; ze gaan nooit over tot kwalijke handelingen in relatie tot andere levende wezens, daar ze nimmer de ziel vergeten in dit vehikel van de tijd. (4) Als mensen zoals u, voor langere tijd in dienst van hoger geplaatsten, verbijsterd raken door de uitwendige energie van God, is zeker het enige resultaat dat men boekt het er ziek van zijn. (5) Daarom wordt hij die verkeert in het volle van de kennis, die weet dat men dit lichaam te danken heeft aan onwetendheid, verlangens en karma, zeker er nimmer de slaaf van. (6) Met andere woorden, welke persoon met ervaring zou, onthecht, voorkeur koesteren voor de weelde, het huis en de kinderen die ontspruiten aan een dergelijk lichamelijk begrip? (7) In eenheid, zuiver, in het eigen licht en niet materieel is dat allesdoordringende reservoir van goede eigenschappen, onbewogen door de materiële wereld, de onzelfzuchtige getuige, ontstegen aan het lichaam en het denken. (8) Een ieder die aldus op de hoogte is van de ziel die zich in dit lichaam ophoudt, is, hoewel hij zich midden in de materiële natuur bevindt, als persoon nimmer aangedaan door de geaardheden ervan; zo'n persoon bevindt zich in Mij. (9) Hij die zijn plicht steeds nakomend Mij aanbidt, met geloof en toewijding zonder enig nevenmotief, zal, o Koning, ontdekken dat hij in zijn denken geleidelijk aan de hoogste voldoening vindt (10) Vrij van de geaardheden der natuur en met een gelijke blik zal hij, die vanbinnen onbesmet en van de vrede is, de gelijkheid van Mijn geest van emancipatie bereiken. (11) Welke persoon ook die deze gefixeerde ziel kent als zijnde eenvoudigweg de onbekommerde toezichthouder van de fysieke elementen, de kennende en werkende zintuigen en het denken, zal al het goede geluk vinden. (12) Zij aan Mij gebonden in vriendschap en verlichting zullen nooit verstoord raken in de ervaring van geluk of ongeluk naar de verschillende kwaliteiten en de voortdurende verandering van het materiële lichaam dat bestaat uit de fysieke elementen, de actieve zinnen, de motieven ervan en het denken. (13) Gelijkmoedig in geluk en ongeluk, gelijk naar allen die groter zijn, lager zijn of er tussenin zitten en met de zinnen en het denken onder controle: weest, o held, de beschermer van alle burgers; in het gezelschap verkerend van alle mensen is het zoals Ik het beschikt heb. (14) In goedheid de bevolking besturend staat het voor een koning vast dat hij in zijn volgende leven een zesde van de resultaten van alle vrome activiteiten tegemoet kan zien, anders zal hij het zonder hen moeten stellen daar, enkel belastingen innend, hij onder de zonden van de burgers die hij niet beschermt zal lijden. (15) Aldus de beschermer van de aarde zijnd als iemand wiens hoofddoel het is onthecht te zijn in navolging van de principes zoals bevestigd en doorgegeven door de meest vooraanstaanden der tweemaal geborenen, zal u in korte tijd uzelf geliefd zien bij de burgerij en de volmaakten in eigen persoon bij u thuis zien komen. (16) Alstublieft vraag me, daar Ik geheel in beslag genomen ben door uw uitzonderlijke kwaliteiten*, welke zegen u ook maar van Mij verlangt, o belangrijkste onder de mensen; men kan Mij zeker niet eenvoudig winnen door enkel offers te brengen, te verzaken of het enkel beoefenen van yoga - Ik ben aanwezig in degene die evenwichtig van geest is.'
(17) Maitreya zei: 'De veroveraar van de wereld aldus geleid door de hoogste meester van allen, de Persoonlijkheid van Vishnu, boog zijn hoofd voor de instructies van de Heer. (18) Koning Indra, beschaamd over zijn eigen daden beroerde toen vol liefde zijn voeten; hem omhelzend gaf hij [Prithu] vanzelfsprekend zijn woede op. (19) De Allerhoogste Heer, de Superziel, nam van Prithu het eerbetoon met alles wat erbij hoort in ontvangst en met zijn zinnen gezet op de lotusvoeten nam zijn toewijding geleidelijk steeds meer toe. (20) Hoewel klaar hem te verlaten was de Heer met de lotusogen, de begunstiger aller toegewijden, opgehouden door genegenheid, niet in staat te vertrekken. (21) Hij, de ideale koning, met samengevouwen handen voor de Heer, was, met zijn ogen vol tranen niet in staat Hem aan te kijken, noch kon hij spreken, zijn stem was verstikt en Hem in zijn hart omhelzend bleef hij daar voor Hem staan. (22) Daarop de tranen van zijn ogen wissend en niet tevreden met het Hem met eigen ogen voor zich zien, richtte hij zich tot de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die met Zijn lotusvoeten amper de grond beroerde en met Zijn opgeheven hand rustte op de schouder van Garuda, de vijand der slangen.
(23) Prithu zei: 'Hoe kan een geleerd man U vragen om zegeningen, o Almachtige die er de Allerhoogste Heerser over is, die er ook zijn voor al die belichaamde levende wezens die verbijsterd zijn door de geaardheden der natuur, zelfs als ze in de hel verkeren? Noch vraag ik om U als de verlichting, o Allerhoogste. (24) Zelfs daar zie ik niet naar uit, o Meester, als het dan zo is dat ik het altijd zonder de nectar zou moeten stellen die uit de kern van het hart vrijkomt bij monde van de toegewijden aan Uw lotusvoeten; vergun me enkel deze miljoenen oren, dat is voor mij de zegening. (25) Die verzachtende bries van de nectargelijke [saffraan-]deeltjes van Uw Lotusvoeten o Heer, U die wordt verheerlijkt in de geschriften zoals doorgegeven in mondelinge overlevering door de groten, herstelt van hen die afdwaalden van het pad der toegewijde dienst, de herinnering aan de vergeten waarheid en maakt andere zegeningen overbodig. (26) Als iemand op de een of andere manier zelfs maar één enkele keer, in het gezelschap van hen die gevorderd zijn, luistert naar de alleszins gunstige verheerlijking van U, o Vereerde, hoe kan men dan, ten gunste van de kwaliteiten, tenzij men een beest is, ooit afzien van dat wat de Godin van het Geluk met haar verlangen te ontvangen heeft aanvaard als Uw kwaliteit? (27) Daarom zal ik me bezighouden met de dienst aan U, die de allesomvattende Allerhoogste en Oorspronkelijke Persoonlijkheid [Pûrusottama] en het reservoir van alle goede eigenschappen bent; laat er, met ons tweeën in wedijver jegens de Meester, inderdaad zo vol van verlangen zijnd als de godin met de lotus in haar hand, er geen enkele twist bestaan in die ene aandacht van tewerk gaan in respect aan Uw voeten. (28) De moeder van het universum, o Heerser der Kosmische Werkelijkheid, vermag boos te zijn over mijn zekere verlangen wat betreft haar activiteiten; maar waarom zou dat met haar jegens U, die zelfs de meest onbetekenende dienst als iets zeer groots beschouwt en met Uw toeneiging als een liefhebbende ouder, zo zijn, naar de ongetwijfeld volledige voldoening in Uw eigen weelde? (29) Derhalve zijn zij die U aanbidden aldus allen heiligen die de misvattingen verdrijven die hun oorsprong vinden in de heersende geaardheden der natuur; ik zie niet in waarom andere personen dan de heiligen, o Allerhoogste Heer, er reden toe zouden hebben zich Uw lotusvoeten steeds te herinneren! (30) Ik beschouw Uw woorden als een verstandsverbijsterende zegening voor de materiële wereld; als men enkel dat aanvaardt waarover U op deze manier sprak tot Uw toegewijden, hoe kunnen dan de mensen in het algemeen, omdat ze zeker niet gebonden zijn door de touwen van Uw uitspraken in de Veda's, niet in beslag worden genomen door het bij herhaling overgaan tot vruchtdragende activiteiten? (31) De mensen in het algemeen, o Heer, zijn opstandig door Uw illusiewekkende energie vanwege het onwetend verlangen naar alles wat anders is dan het ware van het zelf; alstUblieft, zoals een vader dat persoonlijk voor het welzijn van een kind zou doen, vergun dat waarvan U denkt dat het wenselijk is.'
(32) Maitreya zei: 'Aldus aanbeden door de oorspronkelijke koning zei Hij, de ziener van het gehele universum, tot hem: 'Mijn beste koning, laat er uw toewijding jegens Mij zijn; bij het goede geluk van een intelligentie van zoals dit gehandeld hebben te Mijnentwille, zal u zeker Mijn illusiewekkende energie, die zo moeilijk op te geven is, te boven komen. (33) Doe derhalve wat Ik u heb opgedragen te doen zonder u te vergissen, o beschermer van burgers; wie dan ook die waar dan ook handelt in overeenstemming met Mijn geboden zal alle voorspoed ten deel vallen.'
(34) Maitreya zei: 'Aldus de betekenisvolle woorden van de wijze koning, de zoon van Vena, waarderend besloot Hij, de Onfeilbare, na aanbeden te zijn en hem afdoende gezegend te hebben, van daar te vertrekken. (35-36) De goddelijken, de wijzen, de voorvaderen, de kunstenaars, de volmaakten, de hemelse zangers, zij die met de slangen leven, de bovenmenselijke wezens, de nymphen, en zij die van de aarde zijn, de vogels en al de vele levende wezens [vergelijk 3-10: 28-29], werden door de koning, met de verworvenheid van een intelligentie van een volmaakt offeren aan de Heer, met gevouwen handen in de geest der toegewijde dienst naar behoren gerespecteerd, waarop al de volgelingen van de Heer van Vaikunthha vertrokken. (37) De beschermer der levende schepping, de onfeilbare Allerhoogste Heer, daadwerkelijk erin geslaagd de aandacht te vangen van de heilige koning en al zijn priesters, keerde terug naar Zijn verblijf. (38) Hoewel Hij niet materieel zichtbaar voor hem was ontving de koning, met het bieden van zijn eerbetuigingen aan de God der Goden, aan de Superziel voorbij het gemanifesteerde, Zijn visie en keerde ook hij naar huis terug.
Het Onderricht van Mahârâja Prithu
(1) Maitreya zei [over toen hij, Prithu terugkeerde naar zijn stad]: 'Bij de gouden poorten en overal elders was er de opsier van paarlen, bloemenkransen, stoffen en zeer welriekende wierook. (2) De rijbaan voor zijn wagen, de parken en de lanen waren besprenkeld met reukwater geparfumeerd met sandelhout en aguru [een geurig kruid] en waren versierd met bloemen, vruchten nog in hun schil, kostbare gesteenten, geweekte granen en lampen. (3) Alles schoongemaakt, met jong vee, olifanten voor de optocht en jonge planten en mango-bladeren, bloemenslingers en vruchten die neerhingen van staken van bananenbomen, zag het er allemaal heel mooi uit. (4) De burgers en een menig stralende maagd met rinkelende oorbellen, kwamen hem ter verwelkoming tegemoet, uitgerust met lampen en talloze artikelen van aanbidding. (5) Hoewel de koning toen die zijn paleis binnenging werd vereerd met paukengeroffel, schelphoorns en vedische gezangen van de priesters, ontleende hij daar geen trots aan. (6) Tegen de achtergrond van het grote eerbetoon overal en op die manier behaagd door de edelen en de gewone man, wenste ook hij hen al het beste. (7) Hij was vanaf het begin zo geweest: grootmoedig in al zijn handelingen, regelmatig grootse daden verrichtend, was hij uitgegroeid tot de grootste der groten en zo heersend met de realisatie van een vermaardheid die zich had verspreid over de gehele aarde, was hij opgestegen naar het Allerhoogste van de lotusvoeten'."
(8) Sûta zei: "O grootste der toegewijden, leider der wijzen [S'aunaka], nadat Maitreya zo treffend uitleg had verschaft over de hoge roem van die ideale koning zo geschikt door zijn talloze kwaliteiten, richtte Vidura, zijn grote respect voor hem betonend, zich tot hem. (9) Vidura zei: 'Toen hij, Prithu, op de troon was gezet door de groten der geleerdheid, verwierf hij zich de ondersteuning van de verlichte gemeenschap en kon hij zijn heerschappij uitbouwen bij de genade van Vishnu tot de kracht van een wet waarmee hij erin slaagde de gehele aarde tot bloei te brengen. (10) Wie was er niet die er behagen in schiep te vernemen over zijn heerlijkheden, over zijn intelligentie en zijn ridderlijkheid naar het voorbeeld waarvan zo vele koningen en hun lokale autoriteiten te werk gingen in het vergaren van wat ze verlangden voor hun levensonderhoud; alstublieft, spreek tot mij [opnieuw] over die goede daden.'
(11) Maitreya vervolgde: 'Wonend in de landstreek tussen de Ganges en de Yamunâ, ging het erop lijken dat het genieten van het geluk van zijn goede daden gedoemd was er ten koste van te gaan. (12) Voor een ieder in de zeven continenten, met uitzondering van de brahmanen van cultuur en de geslachten van hen die de Onfeilbare waren toegewijd, heerste zijn onherroepelijk gezag als de ene leider die de scepter zwaaide. (13) Zodoende, kwam het eens zover, dat hij de eed afleggend, met een grote offerplechtigheid begon en dat in die functie een grote bijeenkomst plaats vond van de gezagsdragers der goddelijkheid, de brahmaanse wijzen, de wijze koningen en de grootsten onder de toegewijden. (14) In die grote bijeenkomst bracht hij zijn eerbetuigingen aan al die respectabele lieden die het verdienden overeenkomstig hun respectievelijke posities, in hun midden staande zoals de maan dat doet temidden van de sterren. (15) Hij was een rijzige man, goed gebouwd met sterke armen en een lotusgelijke blanke huid, ogen helder als een zonsopkomst, een rechte neus en een prachtig gezicht met een ernstige uitdrukking, hoekige schouders en tanden die blonken op de glimlach, (16) een brede borst, een stevig middel met prachtige huidplooien in zijn buik gelijk het blad van een bananenboom, een diepe navel, dijen met een gouden glans en een hoge wreef. (17) Hij had fijn, krullend, glanzend zwart haar op zijn hoofd, een nek als een schelphoorn en was gekleed in een zeer kostbare dhotî met over zijn bovenlichaam een omslagdoek die hij droeg als een heilige draad. (18) Met al de schoonheid van zijn voorkomen was hij degene die was aangesteld om overeenkomstig de reglementen zijn kleding op te geven; geplaatst op een zwart hertenvel, met een ring van kus'agrass om zijn vinger, ging hij toen te werk zoals vereist was. (19) Met glinsterende ogen vochtig als de dauw, overzag hij al diegenen om hem heen en begon hij voor hen staand de volgende verheven toespraak ter genoegen van hun hoog gespannen verwachtingen. (20) Dat wat hij hen toen in herinnering bracht was van een enorme schoonheid, bloemrijk en allerduidelijkst, van een groot gewicht en werd zonder de geringste twijfel uitgesproken voor het goed van allen.
(21) De koning, zich tot de aanwezigen richtend zei: 'Wees zo goed, om voor het heil van al u grote zielen hier aanwezig, te vernemen over hoe als een man van onderzoek, ik, zoals men zou mogen verwachten jegens u o edelen, de principes der religie naar voren moet brengen. (22) Ik, die als de koning van alle burgers de scepter draag, ben bij deze wereld betrokken als de beschermer en werkgever van een ieder geboren in De kontekst van zijn eigen vastgestelde afzonderlijke maatschappelijke groepering. (23) Door datgene van Hem, de Ziener van ieders lotsbestemming, ten uitvoer te brengen waar de deskundigen in de vedische kennis van spreken, verwacht ik het tegemoet te kunnen komen aan al de doelen nagestreefd door een ieder waar dan ook. (24) Wie dan ook die als een koning belastingen van zijn burgers int, zonder hen te herinneren aan hun respectievelijke [varna-âs'rama] verplichtingen - diegene zal tevens, naar de ondeugd van zijn burgers, het genieten van zijn eigen fortuin op moeten geven. (25) Derhalve mijn beste onderdanen, in het belang van uw eigen welzijn alsook dat van uw meester na zijn dood, lijdt het geen twijfel dat al wat u ook doet zonder morren indachtig Hem die zich bevindt voorbij de zinnen, u doet in dienstbaarheid aan mij. (26) Alstublieft, u allen hier aanwezig, als mensen in navolging van de voorvaderen, de goden, de wijzen en de zondelozen, neemt dit ter harte: in het hiernamaals deelt hij die handelt, in de resultaten die hij bereikte met hen die ertoe hebben opgedragen zowel als met hen die dat ondersteunden. (27) O eerbare lieden, in deze materiële wereld moet er wel, zoals men zegt, de genade van de Heer van het Offer zijn, daar men overduidelijk de macht en schoonheid daarnaar gestalte nemend ook kan waarnemen. (28-29) Manu, Uttânapâda [Dhruva's vader], Dhruva, en zonder twijfel de grote koning Pryavrata en mijn grootvader Anga; deze grote en heilige persoonlijkheden, alsook anderen van het Allerhoogste Onsterfelijke, zoals Prahlâda en Bali Mahârâja, onderkenden het bestaan van de Ene die de Strijdknots hooghoudt. (30) Behalve dan bij uitzonderingen als mijn vader, die abominabel als de dood in eigen persoon verbijsterd was op het pad der religie, schrijft men zo goed als altijd het opstijgen naar hogere werelden en klasse [van economisch handelen, naar het ervaren van plezier en met de bevrijding] toe aan de Ene Allerhoogste Ziel. (31) Met de toeneiging tot dienst aan de lotusvoeten vernietigen boetvaardige personen onverwijld het vuil van de geest vergaard in talloze geboorten; zoals met het [Ganges] water dat ontspruit aan Zijn tenen zien ze, dag na dag, hun winst groeien. (32) Het zich zuiveren van het eindeloze speculeren zelf, zal de persoon die daar genoeg van heeft, met name vinden in het, telkens weer opnieuw verzamelen van kracht door op wetenschappelijke wijze toevlucht te zoeken bij Zijn Lotusvoeten, nimmer in de hang naar het materiële bestaan dat vol van hindernissen is. (33) U allen burgers, om tevreden te zijn, wees zeker van toewijding aan Zijn lotusvoeten overeenkomstig uw eigen plicht, in gedachten, woorden en in het lichaam, naar gelang de bijzondere kwaliteiten van uw eigen soort van arbeid, met een open geest om tegemoet te komen aan al wat gewenst is, voor zover uw vermogen reikt in het volle van uw overtuiging. (34) Hij wordt in deze wereld aanbeden vanwege Zijn uiteenlopende kwaliteiten en bovenzinnelijke aard met verschillende soorten van offers, gebracht met de fysieke ingrediënten van het vertoon van het zingen van de verschillende mantra's, maar voor het doel van dat belang zijn er de namen en vormen waarop men zich concentreert in de wetenschap van het vrij zijn van smetten in relatie tot Zijn gedaante. (35) Wat betreft de primaire natuur [zie ook 3-26-10], van de tijd, de verlangens en de verplichtingen manifesteert dit lichaam zich in relatie tot de Almachtige in het aanvaarden van een [vorm van] bewustzijn als een resultaat van handelen, net zo goed als vuur dat doet in hout, naar gelang de vorm en de kwaliteit. (36) O u allen die samen met mij het houden op de Heer, u die de genade geniet toegekend door de Allerhoogste Geestelijke leermeester, en die bij genade van de halfgoden van het offeren, de Allerhoogste Heerser Zelve en de beroepsmatige verplichtingen, zich op het oppervlak van deze aardbol zonder ophouden en met een vaste overtuiging bezighouden met eerbetoon, bevindt zich op die manier in relatie tot mij. (37) Nimmer, wanneer ook behoren zij die groot zijn in de welvaart macht uit te oefen over die zaligen die van toewijding tot God zijn, noch over hen die tolerantie beoefenen, boete doen en hoger opgeleid zijn; zij, de tweemaal geborenen, zijn persoonlijk groter in de samenleving dan de edelen van bestuur. (38) De oorspronkelijke persoon, de oudste en eeuwige ene God der brahmaanse cultuur, de Heer bij wiens lotusvoeten en verworvenheden door onafgebroken aanbidding de reputatie van het zuiveren van het ganse universum werd verworven, zuiverde eveneens hen die groot zijn en vooropgaan in het Allerhoogste. (39) Hij, de Onbegrensde en Zelf-vervulde in ieder z'n hart, is hen die geleerd hebben zeer dierbaar en voorzeker is het in alle opzichten onderworpen navolgen in Zijn voetsporen van die brahmaanse leerschool naar de tevredenheid van de Beheerser. (40) Dankzij de regelmaat van zijn dienst kan iemand, als van nature, persoonlijk, zonder uitstel de voldoening bereiken van de grootste vrede van z'n ziel door zich tot Hem te verhouden, het superieure geluk volgend dat men indrinkt met de offerandes in het vuur. (41) Hoewel Ananta, de Heer van het Slangenbed, eet door de monden van hen die in kennis van het Absolute met geloof offeren in het vuur, schept hij daar zeker niet zoveel behagen in als men Hem de levenskracht onthoudt van offers gebracht aan de toegewijden, aangezien hij wat hen betreft nimmer zal terugwijken. (42) Wat de brahmaanse cultuur van het eeuwige, onbesmet en zonder begin uitlicht met geloof, verzaking, het goedgunstige en met stilte, in verzonkenheid het denken en de zinnen beheersend, wordt gedaan ter weerspiegeling van deze vedische deugd, zo helder, als alles wat zich in een spiegel vertoont. (43) O mensen van cultuur, ik zal het stof van de lotusvoeten van hen allen op mijn helm behouden tot aan het eind van mijn leven; van hen allen die altijd op die manier zo door gaan zal, verheerlijkend met alle kwaliteiten, zeer spoedig alle zonde zijn overwonnen. (44) Hij die alle brahmaanse kwaliteiten verwierf, hij wiens weelde bestaat uit goed gedrag, hij die dankbaar is, hij die zijn toevlucht zoekt bij de geleerden, zal feilloos al de weelde van God bereiken; moge de Handhaver der drie werelden tezamen met Zijn toegewijde tevreden zijn met de klasse der brahmanen, de koeien en met mij.'
(45) Maitreya zei: 'De koning aldus sprekend werd gefeliciteerd door al de heilige personen aanwezig: de ouderen, de goddelijken en tweemaal geborenen, daar ze tevredengesteld en verheugd in hun geest waren. Tezamen met de woorden 'Sâdhu, sâdhu!' zeiden ze: (46) 'Door zijn zoon behaalt men de overwinning in al de werelden en aldus worden de leringen bewaarheid in het feit dat, naar de afstraffing der brahmanen die een einde maakte aan het leven van de hoogst zondige vader van Prithu, Vena, hij nu groots is bevrijd uit die duisternis. (47) Hiranyakas'ipu, die bij herhaling de Allerhoogste Heer beledigde en belandde in het diepste duister, werd eveneens bevrijd door wat zijn zoon Prahlâda deed. (48) Moge het eeuwig leven hem deelachtig zijn, de beste der strijders, de vader der aarde, wiens toewijding jegens de Onfeilbare, de ene handhaver van al de werelden, zo voorbeeldig is. (49) O, zonder twijfel zijn we vandaag, o Hoogste der Zuiverheid, vanwege u, zeker van de Heer der bevrijding Mukunda, hij die in de geschriften wordt verheerlijkt, uitgedrukt in de woorden van Vishnu, als de aanbiddelijke Heer der brahmanen. (50) Het is niet zo'n groot wonder o Heer, om voor een inkomen te heersen over de burgers; het is de aard van uw genegenheid en genade met de levenden wat zo groots is. (51) Vandaag, is het vanwege u meer waarschijnlijk voor ons, die bij de wil van God ronddolen en hun levensdoel uit het oog hebben verloren vanwege onze daden in het verleden, om gene zijde van de duisternis van het materieel bestaan te bereiken. (52) Onze dankzegging geldt het bestaan van hem, de persoon hoog verheven, hij die zo verheerlijkt is, die, met het aanvaarden van zijn plichten als heerser, deze brahmaanse cultuur eigenmachtig in stand houdt.'
Prithu Mahârâja's Ontmoeting met de Vier Kumâras
(1) Maitreya zei: 'Toen de burgerij aldus tot de hoge en machtige Koning Prithu aan het bidden was, arriveerden aldaar vier wijzen zo helder als de zon. (2) Maar met het uit het etherische nederdalen van de meesters der volmaaktheid in de yoga, konden de koning en zijn gezelschap hen, door hun lichtende uitstraling die van een alomvattende zondenloosheid was, herkennen [als de vier Kumâra's]. (3) Toen hij het zo hevig verlangde leven van een vreedzame gedragswijze zo voor zich zag, sprongen Koning Prithu en zijn volgelingen op alsof ze mensen waren die, onder de invloed van de geaardheden der natuur, worden beheerst door hun zinnen. (4) Nadat zij [de wijzen] dat in ontvangst hadden genomen en hun zitplaatsen hadden ingenomen, verboog hij, nederig in het aangezicht van het hoogste beschaafde van hun volle glorie, zich voor hen en bracht hij hun het eerbetoon, met alles wat erbij hoort, zoals dat is voorgeschreven. (5) Het water van het wassen van hun voeten sprenkelde hij op zijn haardos en aldus gedroeg hij zich zoals men van een respectvol man verwacht dat hij zich gedraagt. (6) De gebroeders ouder dan S'iva [zie 3-12: 4-7 ], gezeten op de gouden troon, waren gelijk het vuur op het altaar en verheugd met hen, richtte hij zich ingetogen en vol respect tot hen. (7) Prithu zei: 'Wat heb ik gedaan dat de genade mogelijk maakt van de aandacht van u, het geluk in eigen persoon; een ontmoeten dat zelfs voor de grootste yogi's moeilijk te bereiken is. (8) Hij met wie de geleerden [de brahmanen en de vaishnava's] ingenomen zijn, kan alles bereiken wat moeilijk te bereiken is in deze wereld of in de wereld hierna, zowel als tevens de alleszins zegenrijke Heer S'iva en Heer Vishnu die erbij inbegrepen zijn. (9) Alhoewel u al de werelden bereist, kunnen de mensen u niet ontwaren, zoals ze ook niet de Alwetende getuige kunnen aanschouwen die zich binnenin een ieder bevindt, net zo min als diegenen die aan de schepping ten grondslag liggen [S'iva en Brahmâ, vergelijk 1-1: 1] dat kunnen. (10) Zelfs al is men niet zo rijk, dan nog zijn zij, die zich tot het gezinsleven voelen aangetrokken, zegerijk, wiens woning, haar meester, dienaren en land met water en een plek om te zitten zeker zijn van het buitengemene van heilige personen. (11) Niet meer dan een boom vol giftige slangen zijn zonder twijfel die woningen met een overdaad aan weelde, die zijn zonder het water dat wegspoelde van de voeten der grote heiligen. (12) Ik heet u welkom, o besten der tweemaal geborenen; met een groot geloof bent u standvastig in uw geloften als mensen uit op de bevrijding, die zich nog als jongens gedragen ook. (13) O meesters, is het, voor personen beland in dit materiële bestaan met de ziekte van het leven naar de wil van hun zinnen, mogelijk om op eigen gelegenheid ook maar enig geluk te vinden? (14) Wat u betreft, die altijd in spirituele gelukzaligheid verkeert, is het niet nodig uw grote fortuin ter sprake te brengen daar, wat dat betreft, er geen sprake is van het ongunstige of van hersenspinsels. (15) Derhalve zou ik, er volledig van overtuigd dat u onze vriend bent in ons lijden onder de pijnen der materie, graag willen weten door middel waarvan men rechtstreeks de Uiteindelijke Werkelijkheid in deze materiële wereld kan bereiken. (16) Het altijd wensend de levende wezens op een hoger plan te brengen en duidelijk over het levensdoel der transcendentalisten, is de Allerhoogste Heer, de Ongeborene, enkel om Zijn genade te tonen, terwille van Zijn eigen zaak, belichaamd door de volmaakten in de wereld aan het rondreizen.'
(17) Maitreya zei: 'Die zo hoogst betekenisvolle, toepasselijke, bondige en zoete slotsom van Prithu aanhorend gaf de Kumâra, de celibatair, glimlachend, als volgt antwoord. (18) Sanat-kumâra zei: 'Hoe heilig de vraag die u stelt, mijn beste Koning! Bij u, met uw verlangen van het beste voor allen en zo goed onderlegd, bestaat er niettemin deze vraagstelling; het bewijst dat uw intelligentie wortelt in die der heiligen. (19) Een gezelschap van toegewijden waarin gediscussieerd wordt, vragen worden gesteld en antwoorden worden gegeven, is zonder twijfel van doorslaggevend belang voor beide partijen en werkelijk geluk voor allen zal eruit voortkomen. (20) Klaarblijkelijk, o Koning, bent u aan de Hoge Heerlijkheid van de Heer zijn lotusvoeten gehecht; zo moeilijk als dat is, wast het, in een niet aflatende praktijk, het vuil van de wellustige hartstocht weg uit de kern van het hart. (21) Voor het uiteindelijk welzijn van de menselijke samenleving, kan men enkel volmaakt tot een positieve conclusie komen in de volle overweging van de, zoals in de geschriften beschreven, oorzaak der onthechting van het lichamelijk begrip van het leven en een sterke gehechtheid aan de Opperziel die zich boven de geaardheden bevindt. (22) Men doet dat met geloof en toewijding als een plichtsgetrouwe toegewijde, middels besprekingen en navraag, spiritueel en verenigd in het begrip, met respect voor de Heer der Yoga en door de regelmatige samenkomst van het luisteren naar de verhalen der godsvruchtigen. (23) Terughoudend wat betreft het gezelschap van de rijken en zij die uit zijn op zinsbevrediging en van een soortgelijke houding wat betreft het vergaren van goederen dat hun goedkeuring wegdraagt, bevrijdt men zich van de bijsmaak van het geluk dat het moet stellen zonder het drinken van de nectar van de kwaliteiten van het Zelf van de Allerhoogste Persoonlijkheid. (24) Met geweldloosheid [als een vegetariër], volgend in de voetsporen van de leraren van het voorbeeld, door zich de Heer der Bevrijding te herinneren, door te getuigen van Zijn handelingen, door de nectar van het volgen van de principes zonder een materieel motief [Yama] en door het naar voorschrift in de praktijk brengen van [Niyama] zal men zo zijn, zonder overtredingen, een eenvoudig leven levend in het verdragen van de dualiteit. (25) Met voortdurend een oor naar de besprekingen met betrekking tot de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Heer, zal men met toewijding zonder twijfel groeien in zijn bewustzijn zonder smetten aanwezig te zijn in de wereld die staat tegenover het spiritueel begrijpen, daar het dan, in de Geest der Transcendentie, makkelijk moet zijn van de aantrekking te wezen. (26) Als de persoon in navolging van de voorbeeldigen is gefixeerd in zijn gehechtheid aan het Spirituele, zal door de kracht van de onthechting en de kennis de krachteloosheid van het hart [gekenmerkt door de vijf klesa's of hindernissen: onwetendheid, egoïsme, gehechtheid, afkeer, angst voor de dood], binnen het omhulsel van de individuele ziel dat bestaat uit de vijf elementen, worden verbrand, zoals vuur dat doet met zijn eigen brandstof. (27) Met dat wat voor eigen ogen verbrandde en bevrijd van al de kwaliteiten der materie, bestaat er niet langer zekerheid over wat de innerlijke actie van de Superziel is of de uitwendige actie van het zelf; voor zo'n persoon is dat verschil tot een einde gekomen zoals dat is met het ontwaken uit een droom. (28) De ziel is zowel uit op zinsbevrediging als op het bovenzinnelijke - van hen beiden verkeert de persoon in waarheid in de positie van het geconfronteerd zijn met aanduidingen die niet als vreemd worden gezien. (29) Van de goddelijke oorzaak die zich overal in de wateren en overal elders weerspiegelt, bestaat er voor de [oorspronkelijke] persoon geen reden zichzelf als iemand die van anderen verschilt te zien. (30) Omdat het denken van streek is in het altijd navolgen van de zinnen die belegerd worden door de zinsobjecten, gaat het bewustzijn van de intelligentie makkelijk verloren, zoals waterplanten een meertje overdekken. (31) Geleerden vanuit hun ervaring stellen in het overwegen van de ziel, dat in het destructief verstikken van de heugenis en de constante aandacht, het bewustzijn beroofd is van ware kennis, zodat dat wat van de ziel is vernietigd wordt. (32) Naar dit belang van de levende wezens in deze wereld, bestaat er geen groter obstakel voor het eigen belang van de ziel dan de hindernis van het van een groter belang achten van andere zaken. (33) Het voortdurend denken terwille van rijkdom en zinsbevrediging is vernietigend voor de vier deugden der menselijke samenleving; door dat alles verstoken van de kennis en van toegewijde dienst, vervalt men in de traagheid der materie. (34) Personen die snel die oceaan willen oversteken, behoren nimmer in te gaan op dat wat behoort tot de omgang der onwetendheid, daar dat veeleer het struikelblok is voor de rechtszin, de economische ontwikkeling, het genoegen en de bevrijding [dharma, artha, kâma, moksa; de purushârtha's]. (35) Het op deze manier beziend is het dienaangaande voorzeker de bevrijding, die het meest naar voren treedt als de belangrijkste, daar in het belang van de andere drie wegen men zich regelmatig gevangen ziet in de eindigheid der dingen en in de angst. (36) Al die ideeën van een hogere en een lagere status van leven volgen de wisselwerking van de materiële geaardheden; nimmer bestaat er daarvan, van dat wat vernietigd wordt door de zegeningen van de Heer, enige zekerheid. (37) Daarom, o beste der koningen, probeer te begrijpen dat, jegens Hem, de Allerhoogste Heer, die door te heersen als de Beheerser van het Veld vanbinnen het hart overal zichzelf manifesterend straalt in ieder haarzakje, ik iemand ben die, van al diegenen die bewegend dan wel niet-bewegend overdekt zijn door een lichaam met zintuigen en een levensadem, bestaat bij de overweging der zelfrealisatie. (38) Geeft uzelf aan Hem over, die Zich manifesteert als de waarheid vanbinnen het onware, de grondoorzaak; door die moedwillige overweging raakt men bevrijd van de illusies der intelligentie die zich afvraagt of hij te maken heeft met een stuk touw of met een slang en raakt men gevestigd in de eeuwige bevrijding van de smetteloze, zuivere waarheid van het spirituele dat ontstegen is aan de onzuiverheden van vruchtdragende handelingen. (39) Wees net als de toegewijden van toewijding; jegens Hem,Vâsudeva, waardig om er uw toevlucht te zoeken en van wie de lotustenen het genoegen verschaffen, wordt door toegewijde dienst de harde knoop van het karmische verlangen te niet gedaan, terwijl dat nooit zo is met mensen die verstoken zijn van dat respect, hoe hard ze ook proberen de golven van zingenot te stuiten. (40) Groot is de last der niet-toegewijden in deze materiële oceaan met de haaien der zes zintuigen; omdat zij alleen maar met grote moeite die oceaan kunnen oversteken, zou u, ter doorkruising van die onoverwinnelijke uitgestrektheid, daarom de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid van God tot uw boot moeten maken.'
(41) Maitreya zei: 'Hij, de koning, aldus door de zoon van Brahmâ, de Kumâra zo goed onderlegd in de geestelijke kennis, volledig voorgelicht over wat de realisatie van de ziel allemaal inhoudt, sprak tot hem.' (42) De koning zei: 'Naar wat de Heer, die uit Zijn grondeloze genade zo mededogend is voor hen die in nood verkeren, zei dat Hij zou doen, bent u allen, ter bevestiging daarvan, o brahmanen, o machtigen, naar hier gekomen. (43) Zoals ook u deed wat men zou verwachten van de meest genadevolle vertegenwoordigers van de Heer, is alles wat ik van mijn kant te bieden heb, de resten van het voedsel geofferd aan de heiligen! Wat, in hemels naam, zal ik u schenken? (44) Mijn leven, vrouw [of weelde] en kinderen o brahmanen, mijn thuis met alles wat erbij hoort, mijn koninkrijk, macht, land en schatten, biedt ik u aldus aan. (45) De post als opperbevelhebber en heerser over het koninkrijk, de scepter van gezag en de volledige heerschappij over de planeet, verdienen zonder twijfel enkel diegenen die bekend zijn met de strekking der Veda's. (46) Bij de genade van hun eigen verrukking, kleding en schenken in liefdadigheid, eten ongetwijfeld de andere afdelingen van de samenleving onder leiding van de kshatriya's [de bestuurders] hun voedsel. (47) Er is niemand die, anders dan door zijn eigen daad van offeren van water in zijn samengevouwen handen, in alle eeuwigheid in staat is hen terug te betalen voor de oneindige genade van een dergelijke soort van vooruitgang van zich verhouden tot de Allerhoogste Heer in het volledig begrip van de spirituele realisatie die afgerond in het vedisch bewijs is vastgelegd.'
(48) Maitreya zei: 'Maitreya zei: 'Nadat zij, de meesters der zelfverwerkelijking, het karakter hadden geprezen van de oorspronkelijke koning die hen vereerd had, stegen zij, getuige allen aanwezig, ten hemel. (49) De zoon van Vena, de leider van de grote persoonlijkheden, beschouwde zichzelf, naar de leringen verzonken in de vervulling van de ziel, als iemand die had bereikt waar hij naar verlangde.(50) In zijn handelingen zo goed als mogelijk in overeenstemming verkerend met de tijd, plaats, omstandigheden en de capaciteit, deed hij zo ver als zijn middelen reikten voor de Absolute Waarheid, wat hij maar kon doen. (51) In de Absolute Waarheid de vruchten verzakend, dacht hij, onbesmet in zijn handelen en volledig toegewijd aan de Ene Opzichter van alles, altijd aan de Superziel transcendentaal aan de materiële natuur. (52) Hoewel hij thuis leefde, liet hij zich nooit meeslepen door al de weelde van het grote rijk als een verleiding tot zinsgenoegen, precies zoals de zon ook niet van enige zelfoverweging is. (53) Door aldus alles te doen in de yoga der toewijding verwekte hij vijf zonen bij zijn echtgenote Atri, op de manier zoals hij dat wenste. (54) Met hen genaamd Vijitâs'va, Dhûmrakes'a, Haryaksha, Dravina en Vrika slaagde Prithu als één enkele persoon erin alle kwaliteiten te omvatten van al de plaatselijke godheden. (55) Ter bescherming van de geschapen wereld behaagde hij steeds, in zijn eigen overgave aan de Onfeilbare, de burgerij met de kwalitieiten van zijn zachtaardige woorden en handelingen. (56) De koning raakte aldus zo gevierd als de Koning van de Maan terwijl anderzijds hij gelijk de God van de Zon was in zijn distribueren, innen en heersen over de rijkdommen van de wereld. (57) Hij was onoverwinnelijk als vuur in zijn macht, niet te overtreffen gelijk de Koning van de Hemel, zo tolerant als de aarde zelve en gelijk de hemel in het vervullen van alle wensen in de menselijke samenleving. (58) Gelijk de regen die zoveel neerregent als men maar zou willen was hij gewoon te behagen, gelijk de zee zo ondoorgrondelijk was hij en gelijk de Koning der Heuvels [de berg Meru] was hij in het innemen van zijn positie. (59) Gelijk de Koning der Gerechtigheid [Yamarâja] was hij in zijn onderricht, in zijn weelde was hij als de Himalaya's [voor hun mineralen en edelstenen], gelijk Kuvera was hij in het behouden van de welvaart en gelijk Varuna [der wateren] was hij in geheimhouding. (60) Gelijk de alomtegenwoordige wind was hij in zijn fysieke kracht van moed en macht en gelijk het goddelijke van de allermachtigste Rudra was hij onverbiddelijk. (61) Qua schoonheid was hij als Cupido, in zijn consideratie was hij als de Koning der Dieren, de leeuw, qua genegenheid was hij gelijk Svâyambhuva Manu en in het bespelen van de mensen evenaarde hij de Ongeboren Heer, Brahmâ. (62) Geestelijke zaken verstond hij gelijk Brihaspati, in zijn persoonlijke zelfbeheersing was hij gelijk de Hoogste Persoonlijkheid, in toewijding tot de koeien, de geestelijk leraar en de brahmanen was hij als de Vaishnava's, de volgelingen van Vishnu, in zijn verlegenheid de vriendelijkste en in filantropische aangelegenheden was hij als voor zichzelf. (63) Het volk riep luidkeels uit over alle drie de werelden - en het was zeker dat allen die van de waarheid waren alsook de vrouwen van overal er over kwamen te horen - dat zijn reputatie zo verheven was als die van Râmacandra [de Vishnu-avatâra].
Mahârâja Prithu Keert Terug naar Huis
(1-3) Maitreya zei: 'Koning Prithu, die met alles van de ziel op de hoogte, als de beschermer van de mensen, van een eindeloze toename was geweest in alles wat hij tot stand had gebracht, zag op een dag dat hij in fysiek opzicht oud aan het worden was. Geheel naar het belang handelend van wat de Allerhoogste Heerser had opgedragen, had hij in deze wereld, in naleving van de principes der toegewijden, voorzien in het levensonderhoud van al de bewegende en niet-bewegende levende wezens. Hij liet de aarde aan zijn zoons over en met spijt jegens de bedroefde burgers, ging hij alleen samen met zijn vrouw het woud in voor zijn verzaking. (4) Daar zag hij volmaakt in, zo goed als hij voorheen van inzicht was geweest in het veroveren van de aarde, dat hij, overeenkomstig de regels en voorschriften van een teruggetrokken bestaan, ernst moest maken met een leven van gestrenge verzaking. (5) In het begin at hij zo nu en dan de bollen, wortels, vruchten en het groen dat voorhanden was, toen dronk hij voor een paar halve maanden lang water, waarna hij enkel nog lucht inademde. (6) Zoals de grote wijzen aanvaarde de held de vijf verzakingen van de zomerhitte [van de zon hierboven en van de vuren in de vier windrichtingen], de stortvloed van regens in het regenseizoen, het tot zijn nek onder het water zitten in de winter en het slapen op de kale grond. (7) Het verdragend om controle te krijgen over zijn woorden en zijn zinnen, niet zijn zaad te verliezen en zijn levensadem te kunnen volgen, verlangde hij eenvoudig naar Heer Krishna, van alle praktijken er aldus de beste verzaking op na houdend. (8) Zodoende stap voor stap, zonder aflaten van de volmaaktheid, ontdeed hij zich van alle vuil en de verlangens van zijn werklast, zijn karma, en brak hij, met het beoefenen van zijn ademhaling volledig zijn denken en zinnen stilleggend, met alles wat hem bond. (9) Naar wat de fortuinlijke Sanat-kumâra had gezegd over het uiteindelijke doel van de yoga van het zich verhouden tot de ziel, was hij, als de beste van alle levende wezens, er zeker van van aanbidding te zijn voor de Allerhoogste Persoon. (10) Met geloof ondernemend op het pad der devotie van de toegewijde, raakte hij, altijd dienstbaar aan de Allerhoogste Heer, de oorsprong van de Geest van het Absolute, stevig verankerd zonder enige afwijking. (11) Middels deze devotionele activiteiten gewijd aan de Allerhoogste Heer kreeg hij, volmaakt oplettend in de voortdurende heugenis van de geest der zuivere goedheid, de spirituele kennis onder de knie zowel als het niet gehecht zijn aan wat men dan ook zijn bezit zou kunnen noemen, en raakte hij aldus bevrijd van twijfel en de materiële opvatting die zijn ziel verhulde. (12) Vrij van alle overige levensopvattingen, zonder verlangens en vast overtuigd van het uiteindelijke doel van de ziel, had hij dat alles opgegeven, ermee kappend met behulp van die kennis waarin men, voor een lange tijd een beoefenaar van het yogasysteem zijnd, niet vrij van illusies is zolang men niet van de aantrekking is voor de verhalen over de oudere broer van Gada, Krishna [Gada was een andere zoon van Vasudeva jonger dan Krishna]. (13) Als de beste der helden zijn denken richtend naar de Superziel, gaf hij, door en door spiritueel gezuiverd, na de nodige tijd zijn voertuig van de tijd op. (14) Zijn anus blokkerend met zijn enkel stuwde hij zijn levensadem geleidelijk van de navel naar het hart en de keel naar boven om zich tussen zijn wenkbrauwen te fixeren. (15) Zodoende, bevrijd van alle materiële verlangens, stap voor stap zijn vitaliteit nergens anders vestigend dan in het hoofd, verenigde hij zijn levensadem met het totaal ervan, zijn lichaam met het volle van de aarde en het vuur vanbinnen met dat van het geheel. (16) De verschillende lichaamsopeningen samensmeltend met de lucht en zijn sappen met het water, werd aldus, naar gelang iedere afdeling, de aarde met het water, het water met het vuur, het vuur met de lucht en de lucht met de hemel verenigd [vergelijk 2.5: 25-29]. (17) Hij verenigde de geest met de zinnen, de zintuigen met hun voorwerpen en vandaar de voorwerpen samenpakkend met de vijf elementen, bracht hij het materiële ego naar buiten in de mahat-tattva, het totaal van de materiële energie. (18) Naar Hem toe, het reservoir van alle goede eigenschappen, plaatste hij zijn individualiteit en de aanduidingen die erbij horen in het reservoir van alle vermogen en keerde hij aldus als de prabhu of meester, de beheerser der zinnen, het levend wezen en de genieter, terug naar huis bij machte van zijn eigen inzicht in die spirituele kennis der zelfverwerkelijking en verzaking.
(19) De koningin genaamd Arci, zijn echtgenote, volgde hem te voet het bos in, ookal had ze, met haar tere gestel, het niet verdiend dat haar voeten zo met de aarde in aanraking kwamen. (20) Alhoewel haar lichaam mager en dun zou worden zag ze, zeer vastbesloten in haar gelofte haar echtgenoot te dienen, er geen bezwaar in te leven onder omstandigheden gelijk die van de grote heiligen en deed ze met plezier met hem mee, blij in contact te staan. (21) Toen ze zag dat het lichaam van haar man, zo vol van genade voor de wereld en voor haar, geen levensteken meer gaf, cremeerde de kuise vrouw, na een beetje gehuild te hebben, hem boven op de top van een heuvel. (22) Na de begrafenisplechtigheden afgewikkeld te hebben nam ze een bad in de rivier, water uitgietend in aanbidding van haar zo vrijzinnige echtgenoot die nu in de hemel was bij de dertig miljoen halfgoden. Toen drie keer het vuur omlopend, ging ze denkend aan de voeten van haar echtgenoot, erin binnen.
(23) Het haar tot in de dood volgen van haar echtgeoot gadeslaand, brachten de goddelijken en hun vrouwen bij duizenden hun gebeden aan de kuise vrouw van de grote krijgsheer koning Prithu. (24) Bloemen uitstrooiend op de top van de Mandara-heuvel spraken ze daartoe, begeleid door de vibraties van de trommels der toewijding, onder elkaar als volgt. (25) De vrouwen zeiden: 'Helaas, wat is er gebeurd met deze zo glorieuze echtgenote, die met heel haar ziel van aanbidding was voor haar echtgenoot, de koning aller koningen der wereld, gelijk de Godin dat is jegens de Heer van het Offer [Vishnu]. (26) Zie toch hoe ze daadwerkelijk de zedige echtgenoot, de zoon van Vena, navolgt in zijn hemelgang en hoe aldus zij, Arci genaamd, ons voorbijstreeft met de grootsheid van haar handelen. (27) Van allen die slechts een kort moment leven in de menselijke wereld, is er voor hen die op het pad der bevrijding hun best doen voor het Koninkrijk Gods, niets te moeilijk om te bereiken. (28) Hij, die, bij het bereiken van de menselijke levensvorm, het pad der bevrijding, verwikkeld raakt in de grote moeilijkheden van al het handelen aangaande de zinsbevrediging in deze wereld, komt in afgunst op de waarheid zonder twijfel bedrogen uit.'
(29) Maitreya zei: 'Terwijl de vrouwen van de ingezetenen der hemel aldus vol lofprijzing waren, bereikte de vrouw de plaats waar haar echtgenoot naar was vertrokken; het was de allerhoogste positie der zelfgerealiseerden die de zoon van Vena onder de bescherming van de Onfeilbare had verworven. (30) Aldus heb ik voor u over hem, Prithu, de beste der heren, die zo hoog en almachtig was, uitleg verschaft wat betreft zijn karakter als zijnde het allerbeste van alle kwaliteiten. (31) Een ieder die met geloof en grote aandacht leest en uitleg verschaft of verneemt over die zo grote en godvruchtige persoon Koning Prithu, zal reiken tot waar hij reikte. (32) De brahmaan zal de macht van het spiritueel succes bereiken, de edelman zal de koning van de wereld zijn, de handelaar zal, naar het pad, de specialist op zijn gebied worden en de arbeider zal zich ontwikkelen tot een grote toegewijde. (33) Als een man drie keer hiernaar luistert met groot respect zal hij, of hij nu een man of een vrouw is, als hij zonder kinderen is door de besten van hen omringd worden en als hij zonder een cent is de rijkste zijn. (34) Niet erkend zal hij roem verwerven, ongeletterd zal hij geleerd worden; dit verhaal zo zegenrijk zal al het ongeluk van de mens verdrijven. (35) Door hen die uitzien naar welvaart, een goede naam, een langer leven, het succes van de hemel, het tenietdoen van de invloed van het Tijdperk van de Redetwist en zij die uit zijn op de hogere zaak van de volledige volmaaktheid van de vier der religie, de economie, het genoegen van de zinnen en de bevrijding, moet deze vertelling met het grootste respect worden aangehoord. (36) Aan die koning, op de strijdwagen eropuit trekkend zijn overwinning te behalen, die hiervan verneemt, zullen de andere koningen belastingen afdragen zoals men dat deed aan koning Prithu. (37) Bevrijd van alle materiële betrokkenheid, met het uitvoeren van onvermengde toegewijde dienst jegens de Allerhoogste Heer, moet men luisteren, er anderen naar doen luisteren en doorgaan met lezen over het vrome karakter van de zoon van Vena. (38) O zoon van Vicitravîrya [Vidura], ik gaf uitleg over tot welke mate van grootheid men kan ontwaken en behoort vooruit te streven als men, in relatie tot het buitengewone van deze tekst, op die manier betrokken is. (39) Hij die bij herhaling verneemt van deze vertelling over Prithu met de grootste eerbied en er ook verslag van doet bevrijd in de omgang aangaande de Allerhoogste Heer - die persoon zal ten volle de gehechtheid realiseren aan Zijn voeten die de boot zijn voor de oceaan der onwetendheid.
Het Lied Gezongen door Heer S'iva
(1) Maitreya zei: 'De zoon van Prithu die onder de naam Vijitâs'va bekend raakte vanwege zijn grote daden, bood, omdat hij veel gaf om zijn jongere broers, hen de de verschillende windstreken van de wereld. (2) Hij, de meester, bood Haryaksha het oostelijk deel, het zuiden gaf hij Dhûmrakes'a, het westelijk deel kende hij zijn broer genaamd Vrika toe en het noordelijk gedeelte gaf hij aan Dravina. (3) Om wat hij gedaan had met het verdwijnen [van het offerpaard - hij viel Indra toen niet aan], was hij bedacht met de naam Antardhâna [wat verdwijning betekent, zie 4.19: 18] en was hij vereerd met de titel Antardhâna [wat verdwijning betekent]. In S'ikhandinî, zijn vrouw verwekte hij drie kinderen die de goedkeuring van een ieder wegdroegen. (4) Ze werden Pâvaka, Pavamâna en S'uci genoemd en waren, terwijl ze de goden van het vuur waren, zo geworden omdat ze in het verleden vervloekt waren door de wijze Vasishthha; nu als zodanig herboren bereikten ze opnieuw het doel van de yoga. (5) Hij die Antardhâna werd genoemd verwekte in zijn vrouw genaamd Nabhasvatî een zoon met de naam Havirdhâna ['de gewonnen offergave'] daar de vader Indra niet gedood ondanks het feit dat hij wist dat hij het paard gestolen had. (6) Het instellen van belastingen, straffen en boetes en dergelijke, waarmee de koningen in hun levensonderhoud voorzien, hield hij steeds voor iets heel gestrengs, zodat hij ze afschafte ten gunste van offerplechtigheden die in het verleden waren opgegeven. (7) Ookal had hij zich gewijd aan de taak een einde te maken aan het leed [van anderen], bereikte hij, als een verwerkelijkte ziel, middels de aanbidding van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid, de zo geliefde Superziel, de werkelijkheid van Zijn verblijfplaats met gemak door steeds aan zijn vervoering vast te houden. (8) Havirdhânî, de naam van de vrouw van Havirdhâna, o Vidura, bracht zes zonen ter wereld genaamd Barhishat, Gaya, S'ukla, Krishna, Satya en Jitavrata. (9) Hij die van Havirdhâna de naam Barhishat kreeg was dermate fortuinlijk in zijn vruchtdragend handelen en verzaking in de yoga dat men hem als de Prajâpati [de stamvader] beschouwde, o beste der Kuru's. (10) Met deze praktijk van het voortdurend, en verspreid over de gehele wereld, behagen van de goden van het offer, hield hij het kus'agras [van de zitplaatsen bij het offeren] op het oosten gericht. (11) Op het advies van de god der goden [Brahmâ] huwde hij de dochter van de oceaan genaamd S'atadruti tot wie hij [de vuur-god...] zo sterk was aangetrokken als Agni was tot S'ukî, op het moment dat hij haar, bekoorlijk in al haar leden, jeugdig en rijkelijk opgesmukt, in een cirkel rond zag lopen gedurende de huwelijksplechtigheid. (12) De geleerden, zij die van verlangen waren, zij die de hemel bevolken, de wijzen en de volmaakten, die van de aarde en van de slangen, waren allen gefascineerd door enkel het rinkelen van de enkelbelletjes van de nieuwe bruid wat men overal kon horen. (13) Van [Prâcîna]Barhi verschenen tien zonen in de baarmoeder van S'atadruti, die, allen gezworen volgelingen van het dharma, tezamen de Pracetâ's werden genoemd [van prâcîna: het op het oosten gericht zijn]. (14) Door hun vader opgedragen voor nageslacht te zorgen vestigden ze zich, met het doel ascese te beoefenen, nabij een groot meer om voor tienduizend jaar met hun boetedoeningen de Meester der Boete te aanbidden. (15) Op die weg kwamen ze Heer S'iva tegen, die heel erg tevreden over de grote beheersing van hun meditatie, mantrapraktijk en de aanbidding, tot hen sprak.'
(16) Vidura vroeg: 'O brahmaan zeg ons, hoe het zich zo voordeed dat de Pracetâ's Heer S'iva ontmoetten op hun weg, alsook wat de zo tevreden Godheid hen zei. (17) O beste onder de geleerden, in deze wereld gevangen in een materieel lichaam doet het zich zeker zelden voor dat wijzen volledig onthecht, verlangend naar hem bezig met mediteren, omgang met Heer S'iva vinden. (18) Hoewel hij in zichzelf tevreden is, is hij, de grote Heer S'iva, als hij zich in deze wereld heeft gemanifesteerd en terwille van haar bestaan bezig is met de haar beheersende krachten, verschrikkelijk om te ervaren in zijn handelen [middels Kâlî of Durgâ of Virabâdhra, zie 4:5].'
(19) Maitreya zei: 'De zonen van vader Prâcînabarhi hadden de woorden van hun vader allen vroom op hun hoofd aanvaard [in volle overgave], toen ze in westelijke richting vertrokken waren, het in hun hart ernstig menend met de verzakingen. (20) Ze kwamen aan bij een zeer grote watervlakte zo uitgestrekt als de nabij gelegen oceaan, die een grote ziel en geest herbergde zo helder en vreugdevol als het water ervan. (21) Het water herbergde rode en blauwe lotussen, Kahlâra's en Indîvara's, en de lucht was er vol van de geluiden van zwanen, kraanvogels, eenden [cakravâkas] en andere vogels [kârandava]. (22) Doldwaze hommels zoemden vreugdevol luid met hun harige kleine lichaampjes; het was een feest van klimplanten, bomen en lotussen die hun saffraan in alle windrichtingen in de lucht verspreidden. (23) Al de zonen van de koning stonden versteld over de harmonieuze geluiden van de muziek van al de hemelse trommels en pauken tezamen die men daar onophoudelijk kon horen.
(24-25) Te dien tijde trof hen het geluk dat ze het hoofd van alle halfgoden [S'iva], in gezelschap van een verzameling van grote zielen die zijn lof prezen, uit het water zagen komen. Met het zien van de gouden glans, zijn trekken, zijn blauwe keel, drie ogen en genadige, prachtige gelaat boden ze, helemaal opgewonden in hun verbazing, hun eerbetuigingen. (26) Hij die alle gevaar verdrijft, de Grote Heer en zorgdrager der religie sprak toen tot hen, tevreden als hij was over hun in acht nemen van de principes en hun goede en zachtaardige manieren. (27) Rudra zei: 'O zonen van Barhi, op de hoogte van jullie handelingen en verlangens heb ik, jullie allen het grootste geluk toewensend, om jullie mijn genade te tonen, jullie aldus mijn gezelschap gegund. (28) Welke levende wezens ook, die men kent als individuele zielen en die zich overgeven aan Vâsudeva de Allerhoogste Heer, rechtstreeks aan het bovenzinnelijke van Zijn controle over de drie geaardheden, zijn mij ongetwijfeld zeer dierbaar. (29) Een persoon die voor de duur van een duizendtal levens zich vastlegt op zijn plicht, verkrijgt de positie van Brahmâ [Brahmaloka] en als men het bovendien niet af laat weten met de Allerhoogste Heer, kan men erop rekenen daaropvolgend mij [S'ivaloka] te bereiken. Toegewijden van Heer Vishnu bereiken een post [Vaikunthhaloka] gelijk die van mij en de andere halfgoden, als de tijd van de wereld ten einde loopt. (30) Dat is de reden waarom jullie toegewijden mij zo dierbaar zijn als de Allerhoogste Heer Zelve; en daarom is er ook nooit iemand die zo geliefd is bij de toegewijden als Ik. (31) In het bijzonder moeten jullie bidden en goed luisteren naar dit wat ik je nu ga vertellen, daar het zeer zuiver is, goedgunstig, bovenzinnelijk en zegenend is.'
(32) Maitreya zei: 'Aldus luidden de woorden die de vriendelijk gezinde Heer tot hen sprak, de zonen van de koning, die met gevouwen handen voor Heer S'iva stonden, de grootste toegewijde van Nârâyana. (33) Rudra zei: 'Alle eer aan U die van de Zelfrealisatie is, de beste, de gunstigste der gunstigen. Moge er met U, de geheel volmaakte en aanbiddelijke ziel van allen, de Superziel, van mij, er mijn eerbetuigingen zijn. (34) Al mijn respect voor U Vâsudeva, uit wiens navel de lotus ontsproot, die de oorsprong van de zinnen en de zinsobjecten bent en de allerhoogste en constante verlichting van de eeuwige vrede. (35) Mijn eerbetuigingen voor Sankarshana [de meester van het ego en de integratie], de oorsprong van het subtiele ongemanifesteerde en de onoverkomelijke meester van [ook] de desintegratie; alsmede voor de meester der evolutie, voor Pradyumna [de meester der intelligentie en] de ziel in het voorbije. (36) Alle eer aan U, wederom mijn respect voor U als Aniruddha [Heer van het denken, van wie de zonnegod een expansie is, zie ook 3.1-34], de meester en bestuurder der zinnen; mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste der volmaaktheid en het volledige, die buiten deze materiële schepping staat*; (37) aan de hemelse verblijfplaats, het pad der bevrijding, de toegangspoort van het eeuwige, het zuiverste van het zuivere - mijn eerbetuigingen voor U. Al mijn respect voor Hem die het goud van het zaad is, de vedische offerplechtigheden is [câtur-hotra] en die van de expansie is. (38) Alle lof voor Hem die de voorouderen en de halfgoden onderhoudt, de meester van de drie Veda's en de offers is en de leidende godheid van de maan die een ieder behaagt; al mijn respect voor de Superziel die alle levende wezens doorvaart. (39) Voor de kracht en macht van al het bestaande, het lichaam en het zelf van de diversiteit van de materiële wereld [de virâth rupa] en de instandhouder van de drie werelden, mijn eerbetuigingen. (40) Alle eer aan de hemel die de betekenis onthult, het binnen en buiten van de ziel, de allerhoogste gloed; mijn eerbetuigingen voor het voorbije van de dood en het doel van al het vrome handelen. (41) De toegenegen alsook zich afzijdig houdende God der voorvaderen, het uiteindelijke resultaat van alle vruchtdragend handelen en U als de dood zelve, de oorzaak van alle soorten van ellende resulterend uit de goddeloosheid, biedt ik mijn respect. (42) Omdat U de allerhoogste begunstiger der zegening bent, het meesterbrein [van alle mantra's], het oorzakelijke zelf, biedt ik U mijn eerbetoon; alle glorie aan U als de grootste van alle religieuze beginselen, aan U Krishna, wiens oordeel volledig onafhankelijk is, U bent de oudste der ouden, de Oorspronkelijke Persoonlijkheid en de meester van de yoga-analyse [sânkya-yoga]. (43) Het reservoir van de drie energieën [van degene die handelt, de zinsactiviteiten en de resulterende werklast, zie B.G. 18a: 18], voor de reden van de materiële vereenzelviging van de ziel [egotisme] genaamd Rudra en voor de belichaming van de kennis en de volijver en stem van alle machten, mijn eerbetuigingen. (44) AlstUblieft toon ons, die verlangen naar Uw aanwezigheid, de vorm die als de meest dierbare wordt aanbeden door de toegewijden, en welke de gedaante is die hen in alle opzichten behaagt in ieder respect van hun zintuigen. (45-46) Zo glinsterend als de regen uit het dichte wolkendek gedurende het regenseizoen bent U het toppunt van alle schoonheid: prachtig zijn de lichaamskenmerken van Uw vierhandige vorm, allermooist is Uw aangename gezicht, Uw ogen zijn zo schoon als de bloemblaadjes in de werveling van de lotus en hoe mooi zijn Uw wenkbrauwen, rechte neus, schitterende tanden, hoge voorhoofd en de volledige omlijsting van Uw gezicht en volmaakte oren. (47-48) De pracht van Uw genadevolle glimlach en zijdelingse blikken, Uw krullende haar en de kleding met de saffraankleur van de lotus, wordt ondersteund door de glanzende oorbellen en de blinkende helm, de armbanden, het halssnoer, de enkelbellen, de band, de schelphoorn, werpschijf, knots en de lotusbloem, de bloemenslinger en de beste der paarlen, die U er zelfs nog mooier doen uitzien.(49) De schouders onder Uw haarlokken zijn als die van een leeuw en Uw nek, fortuinlijk van het dragen van het juweel genaamd Kaustubha dat schittert op Uw borst, geeft een nimmer afnemende schoonheid die iedere toets doorstaat. (50) Uw in- en uitademen brengt prachtig in beweging de plooien in uw buik die eruitziet als het blad van een bananenboom, en het diep wervelen van uw navel is als de spiraalwerveling van het sterrenstelsel. (51) Het donkere van Uw huid onder Uw middel is extra aantrekkelijk met zowel de pracht van Uw kleding en symmetrische gouden gordel als lager, met Uw lotusvoeten, kuiten en dijen die van een grote schoonheid zijn. (52) Door de zo aangename lotusvoeten die zijn als de blaadjes van een lotusbloem in de herfst, door de glans van Uw nagels, verdrijft U alles wat tijdelijk is; toon ons enkel het pad van die twee lotusvoeten [eveneens begrepen als de eerste twee Canto's van dit Bhâgavatam] die de moeilijkheden van de materiële wereld reduceren, o leraar, o geestelijk leidsman van allen die lijden onder het duister. (53) Uw gedaante is de degene waar men op moet mediteren; het zuivert het zelf van een ieder die van de toegewijde dienst de feitelijke onbevreesdheid verlangt die er is in het naleven van de eigen plichten. (54) Uw goede Zelf bereikbaar voor de toegewijden is zeer moeilijk te bereiken voor alle overige belichaamde zielen, zelfs voor hen die horen bij de koning der hemel Indra of voor de zelfgerealiseerden voor wie het doel der eenheid het uiteindelijke is dat moet worden bereikt. (55)Wat, erbuiten staand, zou men anders begeren dan Uw lotusvoeten, als men door zuivere toegewijde dienst van de aanbidding voor U is geweest die zelfs voor de meest deugdzamen moeilijk te bereiken is! (56) Daarin vormt de onoverwinnelijke tijd geen bedreiging voor een ziel van volkomen overgave, terwijl Hij in Zijn vermogen en majesteit, met enkel het optrekken van Zijn wenkbrauwen het hele universum vernietigt. (57) Hij, die in het gezelschap van de Allerhoogste Heer, slechts maar voor de kortste tijd omgang heeft, geniet het voordeel dat niet te vergelijken is met de leidraad van het licht of met dat wat geen onderscheid maakt in de liefde; wat zou nou de zegening van de materieel geconditioneerden zijn? (58) Laat er derhalve voor ons, die zich onderdompelen in de Ganges en er weer uitstappen om het gepieker van de zonde weg te wassen, de genade en de gratie zijn van deze omgang die Uw Voeten der Overwinning verheerlijkt die voor de normale levende wezens de zegening betekenen met de volste goedheid. (59) Van hem wiens hart, dat door de invloed vanbuiten verbijsterd raakte in de put der duisternis, werd gezuiverd door die gunst van de bhakti-yoga te aanvaarden, durf ik te beweren dat hij zo gelukkig zal zijn om daarin de bedachtzaamheid van Uw weg te vinden. (60) Dat onpersoonlijke van de Transcendentie vanbinnen en vanbuiten, dat gelijk het licht in de hemel, zich overal uitspreidt, manifesteerde zich als het zichtbare van het universum van Uw kosmische schepping - dàt is de manifestatie van U Uzelf. (61) Ik kan begrijpen dat een bestaan als dat van U, U als degene die met deze manifestatie van de veelvoud aan energieën [intern, extern en marginaal], schept, handhaaft en opnieuw weer in zich opneemt, U als die onveranderlijke zin voor de diversiteit die het eeuwige is, het iemand moeilijk maakt zich tot U te verhouden, U die zo onafhankelijk bent, o mijn lieve Heer. (62) Die transcendentalisten zijn deskundigen op het bgebied van de Veda's en de erbij behorende literatuur die, voor hun vervolmaking, met geloof en overtuiging , middels een scala aan uiteenlopende handelingen, van het verschuldigde eerbetoon zijn voor U die gekend wordt in feitelijke gebeurtenissen, in zintuiglijke waarnemingen en in het hart. (63) U bent de Ene Oorspronkelijke Persoon, van wie aan de sluimerende energie het volledige is ontsprongen waarmee hartstocht, goedheid en onwetendheid zich hebben onderscheiden en het totaal wordt gevonden van de materiële energie, het ego , de ether, de lucht, het vuur, het water en de aarde, en de deugdzamen, de wijzen en al de levende wezens. (64) In deze schepping, vanuit Uw eigen vermogen, gaat U nadien binnen in de vorm van de vier soorten van lichamen [zoals geboren uit embryo's, eieren, zweet en zaad, zie ook 2.10: 40], aldus middels Uw eigen delen en gehelen hem kennend, de persoon, die vanbinnen bestaat genietend door zijn zinnen, als iemand die zich tegoed doet aan de zoetheid van honing. (65) Echter, Uwe Heerlijkheid, ziend hoe na de nodige tijd die zo heel grote kracht al de planetenstelsels vernietigt en hoe alle levende wezens hun einde vinden door anderen, kan men slechts raden naar de Absolute Werkelijkheid die als de wind is die de wolken in de lucht uiteendrijft. (66) De gekken schreeuwen hardop wat er allemaal zou moeten gedaan worden, maar de begeerte zwaar ontwikkeld van een dergelijk verlangen in het snakken naar materieel plezier is bij het volledige van Uw Bovenzinnelijkheid als de Vernietiger, in een oogwenk verzwolgen zoals een verzwolgen zoals een muis is door de honger begeertige tong van een slang. (67) Welke man van wijsheid zou U bespottend Uw lotusvoeten uit de weg gaan ? Zonder twijfel zou hij enkel zijn leven vergooien; was het niet onze geestelijk leraar en vader [Brahmâ] die zonder twijfel U aanbad in het verleden precies zoals de veertien Manu's dat deden [na hem, zie Canto 2: 3: 9, 6:30, 10:4]? (68) Daarom bent U voor ons, zij die geleerd hebben, het Allerhoogste Brahman, de Ziel van de ziel, de Superziel, de bestemming van hen die ongetwijfeld zonder vrees zijn voor de Vernietiger Rudra die wordt gevreesd door het ganse universum.'
(69) 'Op deze manier biddend, zal er voor allen van u het geluk zijn, o gezuiverde zonen van de koningvan verzaking in respect voor de Allerhoogste Heer, als u van uw taken kwijt met alle geloof dat in u is. (70) Jegens Hem, zeker van de Allerhoogste Ziel die zich bevind in uw harten alsook in de harten van alle andere levende wezens, wees enkel van aanbidding altijd vol lof zijnd voor en mediterend op de Heer. (71) Allen van u, lees keer op keer deze instructie van de yoga en sluit hem in uw hart; houdt u aan de gelofte van stilte van het altijd met intelligentie innerlijk verzonken zijn, met het grootste respect te werk gaand. (72) Dit werd voor het eerst uitgeproken door de grote Heer [Brahmâ], de meester der scheppers van het universum en de grote wijzen aangevoerd door Bhrigu, die als zijn zonen belast met de verantwoordelijkheid voor de wereld het verlangden te scheppen [vergelijk 4.1: 12-15 ]. (73) Wij allen, heersers van de mens, raakten, toen de bevolking werd geschapen, naar Zijn opdracht op deze manier bevrijd van alle soorten van onwetendheid en aldus brachten we de verschillende vormen van leven voort. (74) Dit aldus regelmatig voor zichzelf herhalend met grote aandacht, bereikt een persoon hierin verzonken onverwijld het goedgunstige van het Vâsudeva toegewijd zijn [Krishna als de Heer van het bewustzijn]. (75) Van alle zegeningen in deze wereld is kennis de allerhoogste bovenzinnelijke verdienste van geluk van iedere persoon, daar het de boot der kennis is waarmee men de onoverkomelijke oceaan van gevaar oversteekt. (76) Een ieder die devoot gehecht en met geloof regelmatig dit lied van mij bestudeert, dit gebed gericht op de Allerhoogste Heer, de Hoogste Persoonlijkheid die zo moeilijk te respecteren is, zo een persoon zal in staat zijn tot aanbidding. (77) Een persoon kan door de Ziel van de Macht alles bereiken wat hij verlangt als hij gefixeerd is op het lied zoals door mij gezongen; op die manier behaagd is Hij van alle zegeningen de meest geliefde. (78) Hij die in de vroege ochtend, nadat hij opgestaan is dit doet, zijn handen vouwend in geloof, en aldus verzonken persoonlijk zingt en hoort en anderen doet luisteren, zo een menselijk wezen zal bevrijd raken van alle soorten van karmische terugslagen. (79) O zoons van de koning, met de intelligentie van het éénpuntig bidden en zingen van dit lied van de Allerhoogste Persoon, de Superziel, dat door mij werd gezongen, zal u, tot besluit van die praktijk, die gelijk staat aan de grootste verzakingen, de resultaten bereiken die u verlangde.'
*: Heer Krishna, door zijn viervoudige expansie van Vâsudeva, Sankarshana, Pradyumna en Aniruddha, is de heer van de psychische actie -- namelijk denken, voelen, willen en handelen.
Over het Karakter van Koning Purañjana
(1) Maitreya zei: 'De grote Heer, aldus onderricht verschaffend, door de zoons van Barhishat aanbeden, verdween vandaar recht voor ogen van de prinsen. (2) Bij dat water deden al de Pracetâ's, de verzaking beoefenend, dat gebed gezongen door Heer S'iva, voor de duur van tienduizend jaar. (3) O Vidura, koning Prâcînabarhi, met een geest vol van gehechtheid aan baatzuchtige handelingen, ontving [ondertussen] onderricht van een mededogende Nârada goed thuis in de spirituele waarheid: (4) 'O Koning, wat is die allerhoogste zegening voor de ziel die u verwacht van het handelen terwille van de opbrengst? Die zegen van het verdwijnen van alle leed en het bereiken van het geluk, kan u in dit verband nooit verwerven.'
(5) De koning gaf ten antwoord: 'Ik weet het niet, o grote transcendentale ziel, mijn intelligentie wordt in beslag genomen door mijn verlangen naar de vruchten, vertel me alstublieft van de smetteloze spirituele kennis die me van mijn werklast zal bevrijden. (6) In de oppervlakkige verplichtingen van het gezinsleven met zoons, een echtgenote en weelde wordt de transcendentie niet beschouwt als zijnde het levensdoel, en zo komt men tot de ontdekking dat men een dwaas is die ronddoolt op alle wegen van het materieel bestaan.'
(7) Nârada zei: 'Wacht eens even, o Heerser der Burgers, o Koning, mag ik u attenderen op het totaal van al de duizenden van dieren die u genadeloos hebt gedood in de offerplechtigheden? (8) Ze staan allen, indachtig het leed dat u hen hebt aangedaan, kokend van woede op u te wachten om u met ijzeren hoornen te doorboren nadat u bent gestorven. (9) Daartoe wil ik u het zeer oude verhaal vertellen van Purañjana ['hij die uit is op de stad die het lichaam is']; probeer enkel dit karakter te doorgronden terwijl ik erover spreek. (10) Er was er eens een koning van een grote bekendheid Purañjana geheten, o Heerser, die een vriend had genaamd Avijñâta ['de onbekende'] van wie niemand wist wat hij deed. (11) Hij reisde rusteloos rond over de gehele planeet om zijn mannetje te staan, maar toen hij zichzelf op die manier nooit kon vinden, raakte hij in de put. (12) Niemand op deze aarde zag ook maar iets in hem, waar die koning ook verbleef en wat hij ook voor zijn doeleinden wenste te genieten. (13) Toen hij eens ten zuiden van de Himalaya's verkeerde ontwaarde hij op de hellingen ervan een stad met negen poorten [vergelijk B.G. 5:13] die hem alle gemakken bood. (14) Omgeven door hoge muren en volgepakt met huizen had hij torens, poorten, parken, kanalen, vensters en koepels gemaakt van goud en zilver. (15) De vloeren van de paleizen waren overdekt met saffier, kristal, diamanten, parels, smaragden en robijnen en waren in hun schoonheid zo luisterrijk als de hemelse stad genaamd Bhogavatî. (16) Er waren vergaderplaatsen, pleinen en straten met gokhuizen, winkels en uitspanningen, die versierd waren met vlaggen, slingers en hangende tuinen. (17) De buitenwijken van die stad hadden heel mooie bomen met klimplanten en een meer, waar het weerklonk van de geluiden van tjilpende vogels en kolonies zoemende bijen. (18) Van de koele waterval van een bergstroom ontving de schat aan bomen aan de oever van de vijver vol met lotussen een lentemist aan water op de takken. (19) De verschillende groepen dieren die in het bos leefden waren zo tam als de wijste wijzen en al het geroep van de koekoeken maakte dat iedere passant zich er uitgenodigd voelde. (20) Toen hij daar aankwam, zag hij plots een zeer mooie vrouw op zich afkomen omgeven door een tiental bedienden die ieder van hen gevolgd werden door een honderdtal anderen. (21) Ze was aan alle kanten beschermd door een vijfkoppige slang en helemaal niet zo oud het verlangen van iedere man opwekkend, leek het erop dat ze uitkeek naar een echtgenoot.. (22) Met een prachtige neus en mooie tanden had de jonge vrouw een welgevormd voorhoofd en, gelijkmatig in verhouding tot haar gezicht, prachtige oren met schitterende oorbellen. (23) Ze droeg een geel kleed en had een prachtige taille met een donkere huid, een gouden gordel en aan haar voeten enkelbelletjes die rinkelden terwijl ze liep; ze zag er precies uit als een hemelbewoonster. (24) Met het uiteinde van haar sârî probeerde ze verlegen, haar jeugdige, even ronde en volle borsten te bedekken, terwijl ze statig als een olifant voortschreed. (25) Getroffen door de sexuele aantrekking van de pijlen van haar blikken, de opwindende liefde van haar wenkbrauwen en de grote schoonheid van haar bescheiden glimlachen, richtte de held zich op zijn aardigst tot haar.
(26) 'Wie ben jij, jij met je mooie lotusblaadjes van ogen; ben je van hier uit de buurt van deze stad, o kuise dame - alsjeblieft wees zo aardig me te zeggen waar je naar op zoek bent, o verlegen meisje. (27) Wie zijn al die begeleiders van je, die elf wachters en al deze vrouwen, jij met je mooie ogen en wie is deze slang van jou die de weg voor je vrijmaakt? (28) In je bescheidenheid ben je als de vrouw van S'iva [Umâ] of eerder Sarasvatî [van Brahmâ] of nog beter de Godin van het Geluk [Lakshmî die bij Vishnu hoort]. Waar is die lotusbloem die uit de palm van je hand moet zijn gevallen met het uitkijken naar je echtgenoot, alleen in dit bos, op die voeten waarvan men alle dingen krijgt die men verlangt? (29) En als je geen van dezen bent, o fortuinlijke, aangezien je voeten de grond beroeren, dan verdien jij, die zo veel lijkt op de bovenzinnelijke godin van de genieter van alle offers, het om voor de meerdere eer en glorie van deze stad op te trekken met deze grote held, die van de grootste glorie is in de wereld! (30) Met je verlegen blikken, toegenegen glimlachen en verbijsterende wenkbrauwen heb je me van streek gebracht, de meest machtige Cupido in mij naar boven halend; weest me derhalve genadig, mijn liefste schoonheid. (31) Je gezicht, met die fraaie wenkbrauwen en warme ogen, omringd door de lokken van je blauw glanzende loshangende haar, heb je in je verlegenheid nog niet eens opgeheven om mij te laten zien en de liefste woorden uit te spreken, o dame met je lieflijke glimlach.'
(32) Nârada zei: 'O held, de vrouw die door het ongeduldige aandringen van Purañjana was aangetrokken glimlachte en richtte zich tot de stoutmoedige: (33) 'Ik ben er niet zeker van wie me op deze wereld heeft gezet, o beste onder de mannen, noch wat de bloedlijn of naam zou zijn van de anderen. (34) Al wat ik weet is dat we allen als zielen hier vandaag aanwezig zijn; meer, o grote held, weet ik niet over wie deze stad gebouwd heeft waar alle wezens hun verblijf hebben. (35) Al deze mannen en vrouwen bij me zijn mijn vrienden en vriendinnen, o man van respect en de slang waakt over me als ik slaap, om de stad te beschermen. (36) Gelukkig genoeg voor me, en al het goede ook u toegewenst, bent u hier gekomen - allen van ons, ik en mijn vrienden, o doder der vijand, zullen u al het genoegen voor uw zinnen verschaffen wat u maar verlangt. (37) Wees enkel zo goed, o machtige, in deze stad met de negen poorten te verblijven, die ik voor u heb ingericht om u voor de duur van een honderdtal jaren van de dingen te laten genieten. (38) Wie anders dan u zou ik het toestaan om te genieten! Zonder de zekerheid van uw wijsheid erover en uw kennis, zou het van de dwaasheid zijn van dieren die niet vooraf kunnen zien wat komen gaat, om uit te zien naar een leven hierna. (39) Hier kan men met religieuze riten, economische ontwikkeling en geregelde genoegens genieten van een leven met nakomelingen, de nectar der offers, een goede naam en een wereld zonder weeklagen en ziekte waar de transcendentalisten geen idee van hebben. (40) De voorvaderen, de goden, de mensen in het algemeen, alle levende wezens en iedere persoon voor zich, zijn er zeker van hoog te houden dat dit huiselijk bestaan dat is wat de gezegende toevlucht is in de materiële wereld. (41) Wie zou er ook werkelijk, mijn grote held, niet een dergelijke grootmoedige, prachtige en beroemde echtgenoot willen die evenzo gretig klaar staat als ik? (42) Welke vrouwengeest in deze wereld zou niet aangetrokken zijn tot uw lenige lichaam met zijn sterke armen, o machtige, die enkel rondreist om zich tot het uiterste inspannend en met verlokkelijke glimlachen het leed te verdrijven van een arme vrouw als ik?'
(43) Nârada vervolgde: 'Op die manier verliefd op elkaar geraakt, gingen ze als man en vrouw die plaats binnen en leefden ze in de stad, o Koning, om voor de duur van een honderdtal jaren van hun leven te genieten. (44)Als het te heet was begaf hij zich omringd door vrouwen in de rivier om er te spelen en de zangers zongen er her en der alleraardigst over.(45) De stad had zeven poorten bovengronds en twee benedengronds die leidden tot verschillende plaatsen en ze werden allen gebruikt door de bestuurder. (46) Vijf van de deuren zagen uit op het oosten, één lag er op het zuiden, één op het noorden en dienovereenkomstig waren er ook twee op het westen; ik zal u nu hun namen beschrijven o Koning. (47) De twee poorten die uitzagen op het oosten werden Khadyotâ ['gloeiworm'] en Âvirmukhî ['de toorts'] genoemd; ze waren op dezelfde plaats aangebracht en de koning was het gewoon er doorheen te gaan op weg naar de stad Vibhrâjita ['helder zien'] met zijn vriend Dyumân ['van de zon']. (48) Eveneens gericht op het oosten waren er de poorten genaamd Nalinî en Nâlinî [mystieke benamingen voor de neusgaten] en door die poorten ging hij doorgaans met zijn vriend Avadhûta ['hij die zich wist te ontdoen'] naar een plaats genaamd Saurabha ['de geur']. (49) De vijfde poort aan de oostkant genaamd Mukhyâ ['de belangrijkste'] bracht de koning van de stad, begeleid door Rasajña ['de proever'] en Vipana ['de commerciële'], naar twee plaatsen genaamd Bahûdana ['vele giften'] en Âpana ['de markt']. (50) Door de stadspoort genaamd Pitrihû ['de voorouderlijke'] op het zuiden, o Koning, bezocht Purañjana de zuidelijke landstreek genaamd Dakshina-pañcâla ['het vijfvoudige van het zuiden'], tezamen met zijn vriend S'rutadhara ['de luisteraar']. (51) De stadspoort genaamd Devahû ['op God gericht'] in het noorden gebruikte Purañjana om met S'rutadhara de noordelijke gebieden te bezoeken genaamd Uttara-pañcâla ['het vijfvoudige van het noorden']. (52) De poort aan de westkant genaamd Âsurî ['die verstoken is van licht'] werd door Purañjana gebruikt om naar het lustoord genaamd Grâmaka ['een groot aantal'] te gaan in het gezelschap van Durmada ['hij die er gek op is']. (53) De westelijke poort genaamd Nirriti ['de bodem, de beëindiging'] werd door Purañjana gebruikt om naar de plaats genaamd Vais'asa ['zonder het slapende'] te gaan onder begeleiding van zijn vriend Lubdhaka ['de begeertige']. (54) Van alle bewoners die ogen in hun hoofd hadden was de koning het gewoon uit te gaan en dingen te doen met twee blinde mannen genaamd Nirvâk ['de sprakeloze'] en Pes'askrit ['de verpletterende']. (55) Als hij, zoals hij dat gewend was, naar zijn privé-verblijven ging, deed hij dat onder begeleiding van Vishûcîna ['die van het denken'] en dan genoot hij met de liefde van zijn vrouw en kinderen ofwel van de illusie, de bevrediging dan wel van het geluk. (56) Aldus bovenmatig gehecht in zijn bezigheden ter wille van de opbrengst kwam hij, lustig en minder intelligent, bedrogen uit in het gehoor geven aan alles wat zij, de koningin, ook maar wenste dat hij zou doen. (57-61) Als zij drank tot zich nam, dronk hij ook en raakte hij beschonken. Als zij at, dan at hij mee, met haar kauwend wat zij aan het kauwen was. Als zijn vrouw zong, zong hij ook en als zij bij tijden instortte, stortte ook hij in. Als zij moest lachen, lachte hij ook; als zij over koetjes en kalfjes sprak, babbelde hij vrolijk mee. Waar zij ook heen ging voor een wandeling, volgde hij dezelfde weg en wanneer zij zich ten ruste legde, ging hij in navolging van haar ook altijd liggen. Hij had ook de gewoonte te gaan zitten als zij dat deed en luisterde steeds ook naar dat waar zij naar luisterde. Als zij iets zag, bekeek ook hij hetzelfde en als zij ergens aan rook, rook hij er ook gewoontegetrouw aan. Als zij iets aanraakte, raakte hij het aan en als zij zich beklaagde volgde hij als een arme kerel haar daarin na. Hij genoot ervan als zij aan het genieten was en als zij bevredigd was, zo was hij dat ook naar haar voorbeeld. (62) Aldus in beslag genomen door de koningin kwam hij bedrogen uit in alles wat hij deed en was hij, onwijs in zijn blinde volgen van haar voorbeeld, zo zwak als een huisdier.
Koning Purañjana Gaat Uit Jagen en Treft zijn Teneergeslagen Vrouw aan.
(1-3) Nârada zei: 'Op een dag ging hij [koning Purañjana] naar het woud genaamd Pañcha Prastha ['de vijf bestemmingen' ] met zijn boog, gouden rusting en onuitputtelijke pijlenkoker, zich snel daarheen voortbewegend op de twee wielen en de ene as van een gouden strijdwagen getrokken door vijf paarden, twee speciale pijlen en drie vanen met zich meevoerend. Tezamen met zijn elf bevelhebbers en zijn ene wagenmenner met één stel teugels in de hand, ontmoette hij, vanaf zijn ene zitplaats en twee haken voor zijn wapenrustingen, vijf obstakels op zijn weg met in zijn hand de vijf wapens houdend, met zeven lagen en vijf benaderingswijzen. (4) Maar geïnspireerd door de kwade gedachte van de jacht, ging hij met het oppakken van zijn boog en pijlen derwaarts om dieren te doden, er zeer trots op zijn vrouw achtergelaten te hebben, hetgeen vrijwel onmogelijk voor hem was. (5) Met het duister van het onverlichte in zijn hart was hij overgegaan tot de schrikwekkende praktijk van het genadeloos met scherpgepunte pijlen doden van de dieren in het nabije bos. (6) Zich naar het woud begevend kan een koning, gedreven door hebzucht, zoals dat is geregeld, in overeenstemming met de aanwijzingen van de Veda's, zoveel dieren doden als maar nodig is voor de offerplechtigheden in de heilige plaatsen en niet meer dan dat. (7) Welke welopgevoede man dan ook die zijn werk doet zoals dat is geregeld [in de niyama van de yoga] zal, in navolging van de kennis van het spirituele, nimmer betrokken zijn bij dergelijke handelingen. (8) Anders zal men, bezig met vruchtdragend handelen, verstrikt raken onder de invloed van vals prestige en, gevallen onder de invloed van de geaardheden der natuur en verstoken van alle kennis, aldus tenonder gaan.
(9) Door de vernietiging van de dierenlijven doorboord met de pijlen die voorzien waren van verschillende soorten veren, was er een grote droefenis, een leed dat onverdraaglijk was voor meedogende zielen. (10) Van het doden van prooidieren als konijnen, buffels, bizons, zwarte herten, stekelvarkens en verschillende anderen raakte hij zeer vermoeid. (11) Nadat hij ermee was opgehouden keerde hij zeer dorstig en uitgeput terug naar huis om een bad te nemen, van een goede maaltijd te genieten en uit te rusten om zijn vrede te herwinnen. (12) Toen hij zich zoals het hoort had geparfumeerd en zijn lichaam had ingesmeerd met sandelhoutpasta, wilde hij, allerheiligst omhangen met bloemen en alleszins prachtig versierd, aandacht besteden aan zijn koningin. (13) Voldaan, vreugdevol alsook zeer trots was hij vol van Cupido en taalde hij niet naar een hoger bewustzijn met de echtgenote die hem in haar huishouding hield. (14) O mijn beste Koning, de dienstmaagden van de huishouding vroeg hij ietwat bezorgd: 'O mijn schoonheden, is alles normaal met jullie en jullie vrouwe? (15) De dingen thuis komen me niet zo aantrekkelijk voor als ze voorheen waren. Geen moeder of echtgenote thuis te hebben die haar echtgenoot tegemoet treedt als haar god is als het hebben van een wagen zonder wielen; welke man van scholing zou daadwerkelijk op zo'n armzalig ding rondrijden? (16) Welnu, waar is ze dan, die vrouw van een goede intelligentie, die je bijstaat bij iedere stap die je zet en die me zou redden van het verdrinken in die oceaan van gevaar?'
(17) De vrouwen gaven ten antwoord: 'O Koning we hebben er geen idee van waarom ze zich heeft overgegeven aan deze manier van doen, ga maar kijken en zie hoe uw geliefde op de vloer ligt zonder beddegoed, o doder der vijanden!'
(18) Nârada zei: 'Nadat hij zag hoe zijn vrouw als een bedelares op de grond lag, raakte Purañjana, die zijn hersens pijnigde naar aanleiding van de scène, hogelijkst verbijsterd. (19) Haar met lieve woorden en een hart vol spijt gunstig stemmend, slaagde hij er met zijn genegenheid niet in ook maar een enkel teken van woede op te roepen van de kant van zijn geliefde. (20) Langzaam aan, als expert in de vleierij, begon de held haar complimenten te maken, haar beide voeten beroerend en sprak hij tot haar, haar op zijn schoot omhelzend. (21) Purañjana zei: 'Het is ongetwijfeld zo dat meesters, jegens hun dienaren die over de schreef gingen met een overtreding, o brengster van geluk, van geen enkele instructie zijn als ze hen niet terecht wijzen. (22) De straf uitgedeeld door de meester aan de dienaren is de grootste gunst die hij kan verlenen; dwaas zijnd ziet men niet in, o ranke vrouwe, dat vertoornd zijn een vriendendienst is! (23) Dat gezicht van je met die mooie tanden en wenkbrauwen, dat me vervuld van aanhankelijkheid en dat je nu zo mistroostig laat hangen, zou je, als een bij, naar me op moeten heffen, stralend, lachend en oogluikend van onder het blauwglanzende haar zo prachtig bij je rechte neus; ik ben helemaal de jouwe, alsjeblieft, o bedachtzame, vergun me je liefste woord. (24) Tenzij hij behoort tot de leerschool der verlichten op deze aarde, ben ik bereid hem af te straffen die jou kwaad heeft gedaan, o vrouw van deze held; hij zal, als het aan mij ligt, niet zonder angst en vrees in de drie werelden of waar dan ook kunnen leven, zo zeker als ik de dienaar van Murâri ben! [Krishna als de vijand van Mura] (25) Nimmer was je gelaat zonder sieraden en heb ik je zo neerslachtig gezien, vervuld van woede en zonder je luister en genegenheid; noch zag ik ooit je fraaie borsten nat van de tranen en je lippen zonder het rood van de kunkum. (26) Derhalve mijn meest intieme vriendin, wees aardig voor deze zondaar die er op eigen houtje op uitging om te jagen; welke vrouw met de macht van haar grote schoonheid over de lustige verlangens van haar echtgenoot verloren in ongeduld en getroffen door de pijlen van Cupido, zou hem niet plichtsgetrouw omhelzen?
De Aanval door Candavega op de Stad van Koning Purañjana; het Karakter van Kâlakanyâ.
(1) Nârada zei: 'Op die manier raakte Koning Purañjana volledig in de ban van de charmes van zijn vrouw, o Koning, en genoot hij van alle bevrediging die zij haar echtgenoot schonk. (2) Hij, de koning heette de koningin welkom, o Koning, volmaakt tevreden over haar toenadering tot hem met haar aantrekkelijke gezicht, nadat ze fijn had gebaad en zich volledig uitgedost en opgesmukt had. (3) Zij omhelsde hem en hij omarmde haar, in beslotenheid, grappen makend, en op die manier in beslag genomen door de vrouw qua bewustzijn aan kwaliteit inboetend, was hij zich niet bewust van het dag en nacht verstrijken van de onoverkomelijke tijd. (4) Neerliggend op het zo kostbare bed van de koningin, raakte de held, ookal was hij van nog zo'n hoog gehalte, met de armen van zijn vrouw als hoofdkussen voorzeker in toenemende mate bevangen door illusie en zag hij, overmand door onwetendheid het als het hoogste beschouwend, niet in wat zelfrealisatie en het Allerhoogste werkelijk betekent. (5) O beste der Koningen, op deze wijze met haar een onzuiver sexleven genietend, verstreek zijn nieuw gewonnen leven in een oogwenk. (6) Purañjana, o Koning, die zijn halve leven op die manier doorbracht, verwekte bij zijn vrouw elf zoons en honderden kleinzoons. (7) Hij had eveneens meer dan tien dochters en een honderdtal kleindochters, en al die dochters van Purañjana, o stamvader, waren net zo vermaard als hun ouders vanwege hun goede gedrag, grootmoedigheid en kwaliteiten. (8) Hij, de koning van Pañcâla ['de vijf zinsobjecten'], huwde om zijn lijn voort te zetten zijn zoons met de beste echtgenotes die er waren en zijn dochters met evenzo geschikte echtgenoten. (9) Ook de honderden zonen van de zonen brachten allen weer honderden en honderden andere nakomelingen voort, waardoor zonder twijfel Purañjana's familie enorm groeide in het land Pañcâla. (10) Zij en hun gevolg vormden een zware aanslag op zijn huis en schatkist en door zijn diep gewortelde gehechtheid aan hen raakte hij volledig gebonden aan de objecten van zijn zinnen. (11) Hij, zo vol van verlangens, hield net als u offerplechtigheden uit respect voor de voorvaderen, de goden en de groten der samenleving; en ze waren allemaal even weerzinwekkend geïnspireerd als ze waren door het doden van arme dieren. (12) Aldus onoplettend erbij betrokken, gehecht aan huis en haard, landde zijn bewustzijn op een goede dag op dat punt aan dat niet zeer geliefd is bij hen die verzot zijn op vrouwen.
(13) O Koning, Candavega ['de zeer snel verstrijkende'] de koning behorend tot de hemelse woning, aldus gevierd, heeft driehonderd en zestig zeer machtige andere mannen van de hemel onder zich [als de dagen in een jaar]. (14) Dienovereenkomstig waren er van Candavega evenzovele zwarte en witte vrouwelijke bewoners der hemel [slaand op de witte en zwarte perioden van de maand zie 3-11: 10] die hem omringden en die voor hun zingenot al de begeerlijke zaken die waren voortgebracht uitputten. (15) Al die volgelingen van Candavega, kwamen toen ze de stad van Purañjana begonnen te plunderen, de grote slang tegen die er was ter haar verdediging [de vijf koppen staan voor de vijf soorten levensadem: prâna, apâna, vyâna, udâna en samâna zie: 4.25: 35 en lijst]. (16) Geheel op zichzelf bevocht hij gedreven de zevenhonderd en twintig bewoners van de hemel gedurende de honderd jaren die Koning Purañjana had als de bewindvoerder van de stad. (17) Verzwakkend in het alleen bevechten van zovele strijders raakte zijn intieme vriend de koning van het koninkrijk tezamen met al de vrienden en verwanten in de stad, zeer bezorgd en bedroefd. (18) Hij kon zich in de stad Pañcâla verheugen in het tezamen met zijn volgelingen genieten van de zoetheid, de middelen daartoe inzamelend, maar hij begreep niet de angst die hij had met het zich overgegeven hebben aan de controle van de vrouw.
(19) Te dien tijde bereisde de dochter van de Almachtige Tijd [genaamd Kâlakanyâ, verwijzend naar Jarâ of de ouderdom] de drie werelden naar iemand uitziend die haar echtgenoot kon zijn, o Koning Prâcînabarhi, maar er was nooit iemand die op haar aanzoek inging. (20) Aldus ongelukkig stond ze in de wereld bekend als Durbhagâ ['slecht getroffen'], maar na ooit een wijze koning [genaamd Jayâti die was vervloekt met een vroegtijdige ouderdom door Sukrâcârya] behaagd te hebben en door hem geaccepteerd te zijn, had ze Pûru [de getrouwe onder zijn zoons] een gunst verleend [het koninkrijk te beërven]. (21) Toen ik ooit eens rondreisde daalde ze uit het hoogste verblijf neer naar de aarde en deed ze mij een aanzoek, begoocheld door de lust, terwijl ik een gezworen celibatair was. (22) Zeggend: 'Nadat u mijn aanzoek hebt afgewezen gij Wijze, zult u er nimmer toe in staat zijn op één plaats te verblijven', vervloekte ze, zeer kwaad op mij geworden, uit begoocheling mij. (23) Daaropvolgend teleurgesteld in haar vastbeslotenheid, benaderde ze op mijn voorspraak de heerser der Yavana's [de onaanraakbaren of ookwel de mleccha's of vleeseters genoemd] genaamd Bhaya [vrees] om hem als haar echtgenoot te aanvaarden. (24) Ze zei hem: 'U als de beste der Onaanraakbaren aanvaard ik, o grote held, als de man van mijn dromen; al diegenen die in hun plannen zeker zijn jegens u zullen nooit bedrogen uitkomen. (25) Het zijn deze twee soorten van mensen die van de treurnis zijn: het zijn de dwazen die het pad der gebruiken volgen die niet in de geschriften zijn terug te vinden en de onwetenden die leven naar hun verlangens en ze eveneens nooit navolgen. (26) Aanvaard me daarom, o zachtgeaarde, ik ben bereid om te dienen, wees me genadig; om tot zoiets als mededogen voor de lijdenden te komen is voor iedere echte heer een kwestie van principe.'
(27) Toen de koning der Yavana's de dochter van de Tijd zich in deze woorden hoorde uitdrukken, sprak hij, bereid naar de wil van God zijn plicht te doen, haar glimlachend toe: (28) 'Ik heb een keuze gemaakt voor een echtgenoot voor jou, daar je bij de bedachtzame ziel nimmer welkom bent; voor de mensen hier is het ongunstige van jou onaanvaardbaar. (29) Jij, als degene wiens bewegingen niet kunnen worden waargenomen, mag, verzekerd van de hulp van mijn soldaten, van deze wereld genieten die is gebouwd op vruchtdragend handelen; ongehinderd mag je alle wezens tot hun einde brengen. (30) Ik schenk je deze broer Prajvâra ['de koorts van Vishnu'] van mij en wordt aldus mijn zuster; door jullie beiden zal ik, met mijn vervaarlijke soldaten, ongezien in deze wereld rondwaren.'
Purañjana Wordt een Vrouw in Zijn Volgende Leven
(1) Nârada zei: 'O Koning Prâcînabarhishat, allen van hen, de soldaten, de uitvoerders van de dood van Bhaya [die zijn als de moeilijkheden der ouderdom] en Prajvâra en Kâlakanyâ, trokken tezamen rond over deze aarde. (2) Toen ze eens ook de stad van Purañjana belegerden die, o Koning, zo vol van zinnelijk genot was, ontdekten ze dat die beschermd werd door de oude slang. (3) Ook de dochter van Kâla nam toen bezit van de stad van Purañjana die met geweld werd ingenomen, en met haar ontdekt een persoon meteen zijn nutteloosheid. (4) Met haar inname en de Yavana's die van alle kanten door de poorten naar binnen kwamen, ontstonden er in de gehele stad grote problemen. (5) De stad in allerlei soorten van moeilijkheden gebracht deed hem, Purañjana, die als een al te ijverige huisvader bovenmatig gehecht was, belanden in allerlei soorten van ellende. (6) Omhelsd door de dochter van de Tijd was hij beroofd van de schoonheid; door zijn verslaving aan plezier een ellendeling geworden die tekort schoot in intelligentie, werd hij gewelddadig van zijn weelde beroofd door de Gandharva's en Yavana's [de bewoners van de hemel en de vleeseters]. (7) Hij zag dat zijn eigen stad uiteenviel in strijdende partijen, met zoons en kleinzoons, bedienden en ministers zonder respect en dat zijn vrouw onverschillig was geworden. (8) Met hemzelf gegrepen door Kâlakanyâ en met Pañcâla vol van onoverkomelijke vijanden, raakte hij zeer bevreesd en aldus was het voor hem niet mogelijk om tegenmaatregelen van welke aard dan ook te nemen. (9) De dingen waar hij altijd op uit was hadden allen hun smaak verloren voor de arme man, die mede door Kâlakanyâ de ware zin van het leven uit het oog had verloren in de geëmotioneerde verdediging van zijn gehechtheid aan zijn zoons en echtgenote. (10) De koning, die de stad moest opgeven die geteisterd werd door de Dochter van de Tijd en onder de voet was gelopen door de Gandharva's en Yavana's, werd er tegen zijn wil uit verdreven. (11) Prajvâra, de oudere broer van Bhaya ter plekke aanwezig, zette de stad in brand [als koorts voor het lichaam] enkel met het doel zijn broer [genaamd de angst] te behagen. (12) Toen de stad met al de burgers, bedienden en volgelingen in lichterlaaie stond hadden hij, Purañjana, het hoofd van de grote familie tezamen met zijn vrouw en nakomelingen, te lijden onder haar hitte.
(13) In zijn verblijfplaats aangevallen door de Yavana's, gepakt door Kâlakanyâ en nu ook nog benaderd door Prajvâra, raakte ook de bewaker van de stad [de slang] zeer bedroefd. (14) Hij was niet in staat veel uit te richten ter haar verdediging en had het zwaar in zijn verlangen vandaar te ontsnappen; het was alsof hij moest ontsnappen uit een holle boom die in de vlammen werd geworpen. (15) In haar leden verzwakt met het door de Gandharva's en de vijandige Yavana's verslaan van zijn lichaamskracht, o Koning, schreeuwde hij gefrustreerd [met de stem van Purañjana] het waarlijk hardop uit: (16) 'O mijn dochters, zoons, kleinzoons, schoondochters en schoonzoons, o mijn metgezellen, welk lot is mijn eigendom en thuis met alle weelde en goed beschoren?'
(17) Met zijn scheiden wendde de huishouder zijn aandacht naar het 'ik' en 'mijn' van zijn thuis en zo gebeurde het dat hij, met een geest vol van strijdige gedachten, het met zijn vrouw te kwaad had. (18) 'Als ik ben vertrokken voor een ander leven, hoe dan moet deze vrouw, verstoken van een echtgenoot, in tranen met al de kinderen van de familie om haar heen, haar bestaan vinden? (19) Nimmer at ik als zij niet at, nimmer miste ik een bad als zij een bad nam; zij bleef altijd trouw, angstvallig zich stil houdend als ik boos was, hoe bang ze ook was als ik haar terecht wees. (20) Ze gaf me goede raad als ik dwaas was, ze was bedroefd en terneergeslagen als ik weg was. Zal ze, ondanks dat ze de moeder is van zulke grote helden, er toe in staat zijn vast te houden aan het pad der huishoudelijke verplichtingen? (21) Hoe moeten nu feitelijk mijn arme zoons en dochters, nu die niemand anders hebben om zich op te verlaten, leven als ik van deze wereld verdwenen ben als een kapotte boot midden op zee?'
(22) Aldus met zijn armzalige intelligentie weeklagend over wat men niet moet betreuren, kwam de meester der vertoning genaamd Angst op hem af om hem zonder pardon in te rekenen. (23) Gebonden als een dier werd Purañjana door de Yavana's naar hun eigen verblijf meegesleept, gevolgd door de stroom van zijn getrouwen die zeer van streek in tranen verzet waren. (24) Zo gauw de slang, die het had moeten opgeven was vertrokken en hem achterna komend werd ingerekend, kon de stad niet meer anders dan uiteenvallen. (25) Met alle macht meegezeuld door de Yavana die zo machtig was, slaagde hij, overdekt door de duisternis van zijn onwetendheid, er niet in zich zijn vriend en weldoener te herinneren die vanaf het begin met hem was geweest. (26) Al de offerdieren die door hem zo alleronvriendelijkst waren gedood met bijlen en toen aan stukken waren gesneden, herinnerden vol woede zich die zondige aktiviteit van hem. (27) Onder de invloed van de gehechtheid aan vrouwen, zonder uitzicht levend temidden van de duisternis en verstoken van alle intelligentie, heeft men voor vele jaren, als het niet een eeuwigheid is, de pijn te verduren. (28) Door haar constant in zijn geest te houden werd hij, na zijn dood, een welgestelde dame [een dochter] in het huis van de hoogst machtige koning Vidarbha. (29) Als de beloning der moed werd die dochter van Vidarbha uitgehuwelijkt aan Malayadhvaja ['zo stevig als de berg Malaya'] die als de beste der geschoolden in het gevecht, na vele andere prinsen te hebben verslagen, de veroveraar van de stad der steden was. (30) Van haar kreeg hij een dochter met donkere ogen en zeven jongere machtige zoons * die de koningen werden van de zeven provincies in het zuiden van India [Dravida]. (31) Van ieder van hen, o Koning, waren er miljoenen en miljoenen van nazaten door wie de wereld tot aan de tijd van één Manu en langer werd geregeerd [zie 3.11: 24]. (32) Âgastya [de wijze; 'hij die uit een aarden pot werd geboren'] huwde de gezworen eerste dochter en uit haar werd een zoon geboren genaamd Dridhacyuta ['de onneembare vesting'] die op zijn beurt de grote wijze Idhmavâha ['hij die het offerhout draagt'] als zoon kreeg.
(33) Nadat hij de gehele wereld onder zijn zoons had verdeeld, ging de zedige koning genaamd Malayadhvaja naar Kulâcala ernaar verlangend Heer Krishna te aanbidden. (34) Met het opgeven van zijn thuis, kinderen en materiële geluk volgde de dochter van Vidarbha met de bekoorlijke ogen, haar heer van wijsheid zoals de maneschijn de maan vergezeld. (35-36) Daar aan de rivieren genaamd de Candravasâ, de Tâmraparnî en de Vathodakâ reinigde hij zichzelf dagelijks zowel vanbinnen als vanbuiten met de heilige wateren en zich voedend met bollen, zaden, wortels en vruchten, bloemen, bladeren, grassen en water, werd zijn lichaam geleidelijk aan mager met het ondergaan van de verzaking. (37) Gelijkmoedig overwon hij zo de dualiteiten van kou en hitte, wind en regen, honger en dorst, het aangename en het onaangename en geluk en leed. (38) Door verzaking en discipline brandden alle onzuiverheden op; door de regulerende beginselen [niyama] en zelfbeheersing [yama] fixeerde hij zichzelf, in spirituele verwerkelijking, in de volledige beheersing van zijn zinnen, zijn leven en zijn bewustzijn [vergelijk: 4.22: 24, 3.29: 17]. (39) Zo onbeweeglijk blijvend als het hebben van de zelfde plaats voor de duur van een honderd godenjaren [zie 3.11: 12] wist hij, stabiel in relatie tot Vâsudeva, de Opperheer, van niets anders dan van die aantrekking. (40) Hij kon, bij het alles doorvarende van de Superziel, zichzelf in volmaakte kennis onderscheiden alsof hij in een droom verkeerde: als de welbewuste getuige die zeker was van zijn onverschilligheid ['de verheugde held']. (41) Onder de rechtstreekse influistering van de Allerhoogste Heer, van de geestelijk leraar Hari [de zogenaamde caitya guru of de goeroe vanbinnen], o Koning, vond hij het zuivere licht van de spirituele kennis dat alle gezichtspunten verlicht. (42) Zichzelf aldus in het bovenzinnelijk Absolute en de Superziel van het Absolute ook binnenin zichzelf waarnemend, gaf hij, met dit proces, zijn voorbehoud op en trok hij zich vastbesloten terug.
(43) Haar echtgenoot als haar God, de allerhoogste kenner der principes, aanvaardend diende Vaidarbhî, de dochter van Vidarbha, haar man Malayadhvaja met liefde en toewijding en gaf ze haar zinsgenoegens op. (44) In oude vodden, mager en dun en met haar haar samengeklit, straalde ze naast haar echtgenoot zo vredig als een vlam van een vuur. (45) Zij, zoals ze dat gewoon was, ging door met hem te dienen, die daar gefixeerd in zijn meditatiehouding zat, totdat ze niet langer met zijn heengaan nog enig levensteken van haar geliefde echtgenoot kon bekennen. (46) Toen ze, hem dienend, niet langer de warmte van zijn voeten voelde, sloeg het haar zo angstig om het hart als een hert gescheiden van haar partner. (47) Voor zichzelf weeklagend over hoe wreed het is om het zonder een vriend te moeten stellen, begon ze verscheurd in haar hart hardop te huilen, haar borsten met haar tranen nat makend. (48) 'Sta op, alsjeblieft, sta op!, o heilige Koning. Deze wereld zo bang temidden van een oceaan vol schurken en heersers vol van gehechtheid, zou je beschermen!' (49) Aldus weeklagend viel de onschuldige vrouw op die eenzame plek neer aan de voeten van haar echtgenoot, al weeklagend tranen plengend. (50) Bovenop het lichaam van haar man stapelde ze toen een brandstapel op van hout en na die te hebben aangestoken stierf ze [saha-marana], met haar geest gefixeerd in het verdriet, samen met hem.
(51) Voordat zich dat daar afspeelde bracht een soort van vriend, een brahmaan, een zeer geleerd persoon, haar heel vriendelijk tot rust met troostende woorden, tot haar sprekend over haar meester toen ze aan het huilen was. (52) De brahmaan zei: 'Wie ben je? Bij wie hoor je en wie is deze man die hier neerligt en over wie je aan het huilen bent? Herken je Me niet als de vriend die je in het verleden hebt geraadpleegd? (53) Weet je nog hoe, o vriend, je, onbekend zijnde met de Superziel, je Me als je vriend op hebt gegeven, in gehechtheid aan een positie van verlangen naar materieel plezier? (54) Jij en Ik , o grote ziel, zijn twee zwanen, twee vrienden die, voor duizenden jaren aan één stuk samen levend in het Mânasa meer [een heilig bergmeer in de Himalaya's dat staat voor de zuivere geest], gescheiden raakten van hun eigenlijke thuis. (55) Jij als die zwaan die me hebt verlaten, o vriend, bewoog zich als iemand met een materieel bewustzijn richting aarde, waar je jezelf aantrof in posities die waren voortgebracht door een of andere vrouw. (56) Met vijf tuinen, negen poorten, één beschermer, drie kamers, zes families, vijf opslagplaatsen en vijf materiële elementen heeft het [die positie van het hebben van een materieel lichaam] één vrouw als meester. (57) De tuinen zijn de vijf objecten van de zinnen, de poorten, o beschermer, zijn de negen openingen van de zintuigen, de levenskracht [het vuur], water en voedsel [de aarde] zijn de drie kamers en de families zijn de vijf zinnen zelve en de geest. (58) De vijf opslagplaatsen vormen de macht van het handelen [de vijf werkende zinnen] waarbij de mens de [vrouwelijke] beheerser der energie is van het eeuwige van de vijf elementen der grove materie, tegenover waarvan men, na dat domein te zijn binnengegaan, verstoken is van kennis. (59) Jij in die situatie in contact staand met de schittering ervan moet het, ervan genietend in haar gezelschap, dan stellen zonder de heugenis van het onuitputtelijke [van je geestelijk bestaan], en op deze manier heb je een staat bereikt die vol van zonde is, mijn beste. (60) In feite ben je Vidarbha's dochter niet, noch is deze held van je [Malayadhvaja] je alle heil toewensende echtgenoot, noch was je Purañjana de echtgenoot; je was al die tijd in het lichaam met zijn negen poorten eenvoudigweg in beslag genomen door de materiële energie. (61) Bezie enkel onze feitelijke positie; door deze illusoire energie van Mij vond je ongetwijfeld een bestaan waarin je jezelf dan hield voor een man, een vrouw of een niet-sexueel wezen, maar ons beiden vergat je als zijnde verenigd in het zuivere van het spiritueel zwaangelijke. (62) Jij en Ik zijn niet verschillend [in kwaliteit] daar jij, zoals je bent, voor zeker bent zoals Ik ben Mijn vriend; het denkbeeldig onderscheid tussen ons tweeën wordt door de meer gevorderde geleerden dan ook nooit en te nimmer onderkend. (63) Wij twee verschillen niet meer van elkaar dan het beeld dat iemand van zichzelf ziet, in een spiegel of door de ogen van een ander, verschilt van hemzelf [vergelijk 3.28: 40]. (64) De individuele ziel aldus gelijk een zwaan samenlevend in het hart verkeert, onderricht door de andere zwaan, in zelfverwerkelijking, omdat dan de ware heugenis wordt hervonden die verloren was gegaan in het afgescheiden zijn van het oorspronkelijke zelf. '
(65) 'O Prâcînabarhi, ik gaf u deze analogie van de zelfverwerkelijking, om uw interesse op te wekken in de Allerhoogste Heer, onze God, de oorzaak aller oorzaken, op een indirecte manier.'
* Deze zeven zoons zouden staan voor de in de aanvang zeven processen van de vidhi marga toegewijde dienst van horen, zingen, heugen, aanbidden, bidden, liefdevolle toegewijde dienst leveren en dienen van de voeten van de Heer. Later werd daar aan toegevoegd de raga marga processen van de evenwicht-vriendschap en het overgeven van alles.
De Conversatie van Nârada en Koning Prâcînabarhi
(1) Koning Prâcînabarhi zei: 'O mijn Heer, uw woorden doemen nooit perfect op voor ons geestesoog; zij die bedreven zijn kunnen doorgronden wat ze werkelijk betekenen, maar wij die bekoord zijn door vruchtdragende handelingen komen nooit tot het volle begrip van hen.'
(2) Nârada zei: 'De persoon van Purañjana ['hij die de stad geniet die het lichaam is'] moet worden gezien als de schepper van zijn eigen situatie van het zich ophouden in een één- [een geest], een twee-, een drie- [als met het hebben van een stok] of vierbenig lichaam ofwel een lichaam met vele benen of helemaal geen benen. (3) De eeuwige vriend en meester van de persoon is Hij, die ik beschreef als zijnde onbekend omdat Hij door de levende wezens nooit [geheel] wordt begrepen met namen of handelingen en kwaliteiten [vergelijk Adhokshaja]. (4) Met het verlangen van de persoon, te genieten van het geheel van de geaardheden der natuur, bedacht hij dat het hebben van negen poorten, twee benen en twee handen aldus zeer goed uit zou komen. (5) De intelligentie moet men dan zien als de jonge vrouw [pramadâ of Purañjanî] die verantwoordelijk is voor het 'ik' en 'mijn' van haar werking in het beschutting zoeken in het lichaam, waarmee dit levend wezen, met de zinnen naar de geaardheden der natuur, lijdt en geniet. (6) Haar vrienden zijn dat wat wordt gedaan door de zintuigen van kennis en handelen, de vriendinnen zijn dat waar de zintuigen mee bezig zijn [vorm, smaak, geluid, geur en aanraking], terwijl de levensadem in zijn vijf vormen [de opgaande (udana), de neergaande (apâna), de expanderende (vyâna), de balancerende (samâna) en de hooggehouden adem (prânavâyu)] is als de slang. (7) De geest moet men zien als de o zo machtige leider van de twee groepen van de zinnen en het koninkrijk Pañcâla als de vijf bereiken van de zinnen temidden waarvan de stad met de negen openingen wordt aangetroffen. (8) De twee ogen, twee neusgaten, twee oren, de mond, de geslachtsorganen en het rectum zijn alzo de paarsgewijze poorten die naar buiten voeren en waar men onder begeleiding van de zinnen doorheen gaat. (9) De twee ogen, de neusgaten en de mond worden aldus begrepen als de vijf poorten aan de voorkant [het oosten], met het rechter oor als de poort op het zuiden en het linker oor als de poort op het noorden, terwijl beneden in het westen de twee poorten van het rectum en het geslachtsdeel worden verondersteld zich te bevinden. (10) Zij die Khadyotâ en Âvirmukhî worden genoemd en op één plaats waren aangebracht, zijn de ogen waarmee de meester met zijn gezichtsvermogen de vorm genaamd Vibhrâjita kan waarnemen ['dat wat duidelijk wordt gezien', zie 4.25: 47]. (11) Zij die Nalinî en Nâlinî worden genoemd vertegenwoordigen de twee neusgaten naar het aroma van wat Saurabha werd genoemd. De Avadhûta was de reukzin. Mukhyâ was de mond, met het spraakvermogen genaamd Vipana en de smaakzin die Rasajña heette [zie 4.25: 48-49]. (12) Âpana betrof de zaken van de tong en Bahûdana de verscheidenheid aan voedingsmiddelen, met het rechteroor genaamd Pitrihû en het linker dat Devahû genoemd werd [zie 4.25: 49-51]. (13) Met het zich begeven naar [het zuiden en noorden van] Pañcâla met de metgezel van het horen genaamd S'rutadhara, kan men worden verheven naar Pitriloka en naar Devaloka door [respectievelijk] het proces van het genieten der zinnen en de onthechting overeenkomstig de geschriften. (14) Met de opening van het rectum genaamd Nirriti is het geslachtsdeel, genaamd Âsurî, er als de poort voor de onzin en de wellustige gewone man [in Grâmaka levend] die, met hem die Durmada wordt genoemd, zich aangetrokken voelt tot de geslachtsdaad [zie 4.25: 52-53]. (15) Vais'asa betekent de hel met hem die Lubdhaka werd genoemd en de blinden, waar je toen ook over vernam van mij, zijn de benen en handen waarmee de mensen zich aan hun werk zetten [zie 4.25: 53-54]. (16) Zo is, daaropvolgend, het privéverblijf het hart en is de dienaar genaamd Visûcîna het denken waarmee er, zoals men dat zegt, naar het materiële van de natuur, de illusie, bevrediging of viering is die erbij hoort. (17) Op het moment dat het denken wordt geprikkeld, handelend in verband met de geaardheden, imiteert het [zoals Purañjana die zijn koningin navolgde, zie 4.25: 56], teneinde eraan gelijk te zijn, de bezigheden van de intelligentie van de ziel die de waarnemer is.
(18-20) Het lichaam is enkel de strijdwagen, de zinnen zijn voor de jaren van iemands leven de paarden die in feite niet vooruit komen, de twee wielen zijn de activiteiten van baat en vroomheid, de vanen de drie geaardheden der natuur en de vijf van de adem zijn de gebondenheid. De teugel is de geest, de intelligentie de wagenmenner, de zitplaats is het hart, de dualiteit wordt gevormd door de posten voor de harnassen, de vijf zinsobjecten zijn de wapens en de zeven bedekkingen zijn de fysieke elementen [van nagels, huid, vet, vlees, bloed, been, en merg]. De vijf bedoelingen zijn de uitwendige processen waarnaar de elf soldaten van de zinnen [de geest en de vijf organen van handelen en de waarneming] zich schikken in het valse streven en de afgunst van het gaan voor het genoeglijke [zie nogmaals: 4.26: 1-3]. (21) De tijd van een jaar werd Candavega genoemd, waartoe het voorbijgaan van de driehonderdzestig mannen en vrouwen van de hemel de dagen en de nachten symboliseerden die de levensduur bekorten die men op deze aarde heeft [zie 4.27: 13]. (22) De oude dag van alle levende wezens stond model voor de dochter van de Tijd die bij niemand welkom was en die door de koning der Yavana's, die voor dood en vernietiging was, werd aangenomen als zijn schoonzus [zie 4.7: 19-30]. (23-25) Zijn volgelingen, de Yavana soldaten vertegenwoordigen de verstoringen van de geest en het lichaam die ten tijde van het lijden van de levende wezens zeer snel aan de macht komen met Prajvâra in de vorm van de twee soorten van koorts [heet en koud, fysiek en mentaal conflict]. Aldus is hij die verblijft in het lichaam dat wordt bewogen door de materiële wereld, voor een honderdtal jaren onderworpen aan verschillende soorten van beproevingen veroorzaakt door de natuur, andere levende wezens en hemzelf. Foutief de kenmerken van de levenskracht, de zinnen en de geest toeschrijvend aan de ziel, houdt hij, hoewel bovenzinnelijk van aard, zich op met fragmentarische zinsgenoegens, mediterend op het 'ik' en 'mijn' van zichzelf als zijnde degene die handelt. (26-27) Als de persoon de Allerhoogste Ziel vergeet, de Almachtige Heer die de hoogste leraar is, geeft hij zich vervolgens over aan de geaardheden der natuur om daarin zijn welzijn te vinden. Voortgedreven door de geaardheden is hij, daarop zich begevend in levens overeenkomstig zijn karma, daarbij van nature in beslag genomen door het verrichten van zijn vruchtdragende handelingen die van een witte [a-karma of dienst in goedheid], zwarte [vi-karma of slechte daden in onwetendheid] of rode aard zijn [regulier karma of werk met hartstocht voor het profijt; vergelijk B.G. 13: 22 en 4: 17]. (28) Somtijds gekenmerkt door het licht der goedheid bereikt men betere werelden, somtijds belandt men in de ellende met de hartstocht voor het werk en somtijds zich te buiten gaand in duisternis treft men zichzelf in de treurnis aan [zie B.G. 18a: 37-39]. (29) Soms een man en soms een vrouw en soms geen van beide; dan weer verblind qua intelligentie, een menselijk wezen, dan weer een God en dan weer een dier, existeert men door zijn handelen naar de geaardheden der natuur, geboren al naar gelang het karma. (30-31) Als een zielige hond geplaagd door de honger die van huis tot huis rondzwerft om dan weer beloond en dan weer te worden gestraft naar gelang zijn lot, reikt dienovereenkomstig het levend wezen in het najagen van verschillende soorten van hogere en lagere verlangens tot het hoge en lage, of bewandelt hij de middenweg, overeenkomstig zijn lotsbestemming dat bereikend wat aangenaam is of niet zo aangenaam. (32) Hoewel tegenmaatregelen nemend, geconfronteerd met de verschillende soorten van misère zoals veroorzaakt door de natuur, door anderen of door hemzelf, is het voor het levend wezen niet mogelijk hen een halt toe te roepen. (33-34) Zoals men dat kan zien bij een man, die een zware last op zijn hoofd draagt en die last naar zijn schouder verplaatst, is dat alles wat hij in werkelijkheid doet omdat hij, o zondeloze, in illusie een droom tegenover een droom denkt te kunnen plaatsen. Er bestaat niet een enkelvoudige oplossing in het tegengaan van de ene handeling met de andere, alleen in het tegenwicht bieden aan hen beiden. (35) Zoals wat in een droom door het subtiele zelf voor de geest in scène wordt gezet niet werkelijk bestaat, is ook het spel zonder einde dat men speelt in de materiële wereld een notie waar men zich van moet afkeren. (36-37) Daarom is het zo dat het ware belang van de ziel eruit bestaat om van een zuivere toewijding te zijn voor datgene wat van de geestelijk leraar is, er komt anders geen einde aan de aaneenschakeling van ongewenste zaken in het materiële leven; het is in het beoefenen van bhakti-yoga jegens de Allerhoogste Heer Vâsudeva dat het resultaat wordt gevonden van het volledige van de kennis en de onthechting. (38) Dat, o beste der koningen, zal tot stand komen afhankelijk van de cultivering van iemands constante en gewetensvolle luisteren naar de vertellingen van de Onfeilbare.
(39-40) Op die plaats waar men de grote toegewijden aantreft, de heilige mensen breed van opvattingen wiens bewustzijn uit is op het regelmatig reciteren van en vernemen over de kwaliteiten van de Allerhoogste Heer, o Koning, daar vloeien in alle richtingen eromheen, ontspringend aan de monden van de groten, de talrijke stromen van nectar aangaande de handelingen van de doder van Madhu waaraan men zich lavend nimmer zat wordt. Met de aandacht van hun luisteren wordt men nooit geplaagd door honger, dorst, angst, weeklagen of illusie [vergelijk 3.25: 25]. (41) De ziel echter die in de conditionering naar haar plaats in de wereld verstoord is door die zaken, raakt, in deze oceaan niet gehecht aan de nectargelijke woorden van de Heer. (42-44) De vader der vaderen Brahmâ en ook rechtstreeks de machtigsten, zoals Heer S'iva, Manu, en de bestuurders der mensheid met Daksha aan het hoofd, de gestrenge celibatairen zoals Sanaka, Marîci, Atri en Angirâ, Pulastya, Pulaha, Kratu, Bhrigu en Vasishthha, met mij die hun rijen sluit, worden zo allen geleid door de kennis van het Absolute. Hoewel we tot op de dag van vandaag door meditatie meesters zijn in het vertoog, met het in acht nemen van de versoberingen en de kennis, zien we niet de Ziener Zelve, de Beheerser in het voorbije. (45) Bezig met het luisteren naar het oneindige van de geestelijke kennis en met het in mantra's bezingen van de heerlijkheden van het enorm uitgebreide van de deelvermogens [de halfgoden], kent men niet het Allerhoogste. (1a, 1b) [zie voetnoot 1] Wat dan zou het verschil zijn tussen dieren en menselijke wezens als de intelligentie van allen zo zeker berust op de dierlijke handhaving van het lichaam? Na zovele geboorten hier een menselijk leven bereikt te hebben, zal, na het opgeven van de onjuiste waarneming een grofstoffelijk of subtiel lichaam te zijn, op het pad van de geestelijke kennis dat fysieke verzaakt hebbend, dan de individuele ziel naar voren treden. (46) Als Hij die genadevol gunsten verleent, de Allerhoogste Heer, door een ziel wordt gerealiseerd geeft zo iemand, aldus eveneens gefixeerd op het vedische, zijn bedoelingen in de richting van de wereld op.
(47) O mijn beste Prâcînabarhishat, geef derhalve nimmer onwetend toe aan het schadelijke voordeel van vruchtdragend handelen denkend dat dat het doel van het leven is en probeer nooit enkel het oor te behagen zonder het ware belang te raken [vergelijk B.G. 2: 42-43]. (48) Niet in contact met de Werkelijkheid spreken de minder intelligenten over de vier Veda's zo vol van ritueel en ceremonieel; dergelijke mensen zijn er nimmer zeker van waar hun thuis, God, Janârdana [Vishnu, Krishna als de overwinnaar van de weelde] is. (49) Met uw [u en uw zonen de Pracetâ's] gezamenlijk het aangezicht van de aarde bedekt hebben met het kus'a-gras wijzend naar het oosten [zie 4.24: 10], ontleent u grote trots aan al het doden [van de offerdieren] en denkt u van uzelf dat u zeer belangrijk bent, maar u weet niet welk werk u te doen staat, welke arbeid die Allerhoogste Persoonlijkheid van God, de werkelijkheid waarmee men de begeleiding vindt die gezond verstand geeft, tevreden zou stellen. (50) De Allerhoogste Persoonlijkheid is Zelf de Superziel van allen die een materieel lichaam hebben aangenomen; Hij is de Beheerser van de materiële natuur; Zijn voeten vormen de toevlucht waarvan alle mensen in deze wereld hun geluk vinden. (51) Hij voor wie de Allerhoogste Ziel het meest dierbaar is, voor wie Hij door wie men niet de geringste angst kent op de eerste plaats komt, is aldus iemand die gegarandeerd geschoold is; hij die aldus gevormd is is een geestelijk leraar zo goed als de Heer.'
(52) Nârada zei: 'Alzo ben ik er zeker van al uw vragen beantwoord te hebben, o man van wijsheid, luister nu naar de volmaakte realisatie die ik u nu ga toevertrouwen. (53) Stelt u zich een hert voor dat veilig zijn gras staat te grazen in een veld vol bloemen. Het is gehecht in het zich verenigd weten met zijn wijfje. In zijn oren heeft hij de bekoring van het lied van hommels, maar hij is zich er niet van bewust dat voor hem tijgers leven die leven ten koste van anderen en dat er van achter een jager is die het hert met pijlen dreigt te doorboren. (54) De bloemen zijn precies als de vrouw in het algemeen waarbij het zoete aroma van de bloemen is als de beschutting van het huishoudelijk leven dat zich nog het meest kenmerkt door het fragmentarische van zijn zinsbevrediging. Men heeft aldus, te beginnen bij de echtgenote en altijd verzonken in de gedachten van de hang naar sex, zijn verlangens vervuld. De prettige geluiden van het aantal hommels dat zo aangenaam is voor de oren om te horen, zijn gelijk de praatjes die men te horen krijgt van anderen te beginnen wederom met de echtgenote. De groep tijgers van voren zijn als al de momenten van de dagen en nachten die, onopgemerkt in het genieten van het huishouden, iemands levensduur bekorten. En van achteren, er zich van verzekerend niet te worden gezien, sluipt de jager naderbij, de opzichter van de dood door wiens pijl in deze wereld iemands hart wordt doorboord. U moet zichzelf in dezen zien als degene wiens hart wordt doorboord, o Koning. (55) Verplaats u in het bewustzijn van dat hert in actie en geef het op gefixeerd te zijn in dat wat u in uw hart koestert. Geef dat idee van een huishoudelijk leven op dat zo abominabel vol is van sexuele beslommeringen en wees enkel uit op de zwaangelijke beschutting [van de zelf-gerealiseerden], geleidelijk aan onthecht rakend.'
(56) De koning zei: 'O grootste der brahmanen, in overweging van dat waarover ik u hoorde spreken, moet ik zeggen dat ik daar geen weet van had; waarom is het zo dat mijn leraren, als ze het begrepen hadden, me er niet over hebben verteld? (57) Maar mijn twijfels hierover, o brahmaan, hebt u al doende weggenomen. Zelfs zij die ervaren zijn zijn inderdaad begoocheld over dingen die niet de activiteiten van de zinnen betreffen. (58) Iemand die zijn lichaam opgeeft om een ander in een volgend leven te genieten, moet de gevolgen onder ogen zien van de baatzuchtige arbeid die hij in dit leven in gang heeft gezet. (59) Aldus verneemt men van de bewering der geleerden die luidt dat, van alles wat men zich zo vast heeft voorgenomen in het leven, men niet meteen de consequentie inziet of kent.'
(60) Nârada zei: 'Van het karma dat een persoon op zich neemt moet het gevolg in een leven erna onder ogen worden gezien, omdat er aan dat wat het zijne is, aan zijn bewijs van leven [het subtiele lichaam of de linga] en de geest die erbij hoort, niets veranderd is. (61) Zoals een persoon in bed liggend en ademhalend, loslatend in de geest [dromend] de handelingen ondergaat waar hij zich mee inliet, zo ook vergaat het hem in een ander soortgelijk lichaam of in een andere soort van belichaming [als hond of varken gereïncarneerd zijnde wellicht]. (62) Wat dit 'Mijn' van de geest ook allemaal moge zijn in de aanname van een 'Ik', neemt het wezen met zich mee terwille van de werklast die werd bereikt en waarmee het wederom het materiële bestaan binnengaat. (63) Zoals men een geestesstaat ontleent aan wat men zintuiglijk ervaart en wat men er in reactie op doet, is men overeenkomstig geestelijk gekenmerkt door toeneigingen als gevolg van de handelingen van een lichaam in een voorgaand leven. (64) Soms kunnen zich voor het geestesoog gedaanten van welke soort ook voordoen; dat kan ieder willekeurig moment gebeuren zonder dat die beelden ooit eerder zijn gehoord, gezien of ervaren. (65) Daarom o Koning geloof me als ik u zeg dat voor een levend wezen, met het bewijs van leven voortgebracht in een vorig lichaam, geen enkel ding in staat is zich in de geest op te werpen dat niet al eens eerder werd geprobeerd, ervaren of begrepen. (66) De geest van een mens geeft aan welke gedaanten hij had in het verleden zowel als, al het beste zij u toegewenst, welke geboorte hij vervolgens zal nemen en aldus met zekerheid ook waarin hij niet zal worden geboren. (67) Overeenkomstig de visie die men bij tijden heeft in de geest, van dingen die men nooit heeft gehoord of gezien in dit leven, kan iemands handelen naar gelang de tijd en plaats [in het verleden en de toekomst] worden begrepen. (68) Ieder ding dat door alle belichaamde wezens begiftigd met een geest wordt waargenomen via de zinnen, kan zich op verschillende manieren van opeenvolgend ordenen [of in diverse soorten van logica of individuele gezichtspunten] opwerpen [in de geest] en weer verwijnen. (69) Standvastig in een geest van goedheid in toewijding tot de Fortuinlijke, staat men voortdurend aan Zijn kant [echter], zoals men nog steeds een maan heeft ook al is die verduisterd, en openbaart, aldus verbonden zijnd [in relatie tot het duistere van de materie], zich de schittering van deze wereld. (70) Dit alzo niet 'ik' en 'mijn' van het bewustzijn is van de persoon gescheiden zolang als de eeuwige inwoner [in de vorm van het subtiele lichaam] een afzonderlijke structuur van materiele kwaliteiten vormt van intelligentie, geest, zinnen en zinsobjecten. (71) In diepe slaap, als men flauw valt of als men in een shocktoestand verkeert, denkt men, met het stilvallen van de ademhaling, niet aan een 'ik'; en ook heeft men ook niet een dergelijke notie als men hoge koorts heeft of als men dood gaat. (72) Ook in de baarmoeder en tijdens iemands kindertijd wordt, vanwege onvolwassenheid, het ego [het subtiele lichaam] in de vorm van de tien zinnen en de geest niet waargenomen door die jongere, precies zoals de maan niet wordt gezien als die nieuw is. (73) Zeker is dat, met de zinsobjecten niet aanwezig voor de geest, het materiële universum niet ophoudt te bestaan als een levend wezen op hen mediteert in een droom als een vertoning van ongewenste zaken. (74) De geconditioneerde [individuele] ziel wordt begrepen als de combinatie van de levenskracht met het in zestien geëxpandeerde bewijs van leven [de linga] van de vijf vormen [de vijf objecten van de zinnen, de vijf werkende en kennende zinnen en de geest] die onder de invloed verkeren van de drie geaardheden. (75) Zo zijnd, komt de persoon, met het verwerven van materiële lichamen en het ze weer opgeven, bij het grove van de vorm, zowel tot plezier, weeklagen, angst, misère als geluk [vergelijk B.G. 2: 13]. (76-77) Zoals met een rups, die niet vertrekt met het vinden van zijn einde als het zelfs de identificatie met zijn lichaam moet opgeven [om een vlinder te worden], krijgt een mens niet een andere geest met het beëindigen van zijn vruchtdragende handelingen, daar de geest de heerser over de mens is, de oorzaak van het materiële bestaan van alle levende wezens. (78) Als men denkt aan de genoegens beleefd door de zintuigen, zijn, met de voortzetting van materiële zaken, de handelingen volbracht altijd onderhevig aan de illusie van het gebonden zijn aan het karma van het materiële lichaam [zie B.G. 3: 9]. (79) Ga dat daarom tegen door, met alles wat u in u hebt, u bezig te houden met toegewijde dienst aan de Heer, daarbij de kosmische manifestatie beschouwend als staande onder controle van de Ene van wie men handhaving, schepping en vernietiging heeft. [zie voetnoot 2] (1a) In toewijding tot Krishna, van genade jegens anderen en in volmaakte kennis van het Ware Zelf, zal het zo zijn dat er dan de bevrijding ontstaat uit de gebondenheid van het materiële leven. (1b) Het grote mysterie van dit alles is dat, met wat rechtstreeks wordt waargenomen en met wat nog valt te bezien, het materiële bestaan wordt weggevaagd als tijdens iemands slaap; met andere woorden, dat wat zich heeft afgespeeld, het heden en de toekomst is zelf een droom.'
(80) Maitreya zei: 'Nadat de machtigste, belangrijkste toegewijde Nârada had uitgeweid over de positie van het Zuivere en het leven daaromtrent, liet hij hem [de koning] achter, vertrekkend naar de wereld van de volmaakten [Siddhaloka]. (81) Prâcînabarhi, de wijze koning, na instructies te hebben achtergelaten dat zijn zoons de zorg voor de gewone man op zich moesten nemen, vertrok toen naar de geestelijke verblijfplaats van Kapila voor zijn verzakingen [te Gangâ-sâgara, daar waar de Ganges uitloopt in de baai van Bengalen, zie voor Kapila Canto 3.24-33]. (82) Aldaar, met een eenpuntige geest sober levend aan de lotusvoeten van Govinda, bevrijdde hij, onophoudelijk zingend, zichzelf van zijn gehechtheden daarbij door zijn toewijding de gelijkheid in de Werkelijkheid bereikend. (83) O smetteloze, een ieder die verneemt van of deze gezaghebbende geestelijke lering zoals verteld door Nârada vermag te beschrijven, zal verlossing vinden van het lichamelijk begrip van het leven. (84) Zij, genomen van de mond van de belangrijkste godheid der wijsheid, zal, eenmaal geuit, het hart van een ieder zuiveren, daar zij deze wereld heiligt met de faam van de Heer der Bevrijding Mukunda. Hij die het zingt zal terugkeren naar de geestelijke wereld en, bevrijd van alle gebondenheid, als bevrijde ziel niet langer rondwaren in deze materiële wereld. (85) Het wonderbaarlijke en bovenzinnelijke van dit mysterie waarover u hier van mij hebt vernomen, en dat gaat over een persoon [Purañjana] die bij zijn vrouw zijn toevlucht zocht, maakt een einde aan alle twijfels over een leven na de dood.'
*: Volgens Vijayadhvaja Tîrtha, die behoort tot de Madhvâcârya-sampradâya, behoren de twee volgende verzen te verschijnen na vers45 van dit hoofdstuk
* *: Volgens Vijayadhvaja Tîrtha, die behoort tot de Madhvâcârya-sampradâya verschijnen de twee volgende verzen na vers 79.
De activiteiten van de Pracetâ's
(1) Vidura zei: 'De zoons van Prâcînabarhi waar u voorheen over sprak, o brahmaan, stelden allen met succes de Heer tevreden door het lied van Heer S'iva te zingen [zie 4: 24]; wat bereikten ze daarmee? (2) Wat, o discipel van Brihaspati, was het dat door de Pracetâ's, de Schenker der Genade dierbaar, behalve het bereiken van het Allerhoogste, daardoor bij de voorzienigheid her en der hier tot stand werd gebracht nadat ze de god van de berg Kailâsa hadden ontmoet?'
(3) Maitreya zei: 'De Pracetâ's die bij het meer dat naleefden wat hun vader hen had opgedragen, stelden met het zingen van mantra's met hun verzaking Hij die vanbinnen leeft [de Allerhoogste Heer] tevreden. (4) Na de tienduizend jaren van hun gestrenge verzaking [zie ook 4.24: 14] verscheen toen de Oorspronkelijke Persoon der Eeuwigheid voor hen, ze geruststellend en belonend met Zijn schoonheid. (5) Zich bevindend op de rug van de vogel waarmee Hij rondreist [Garuda], zag Hij eruit als een wolk rond de top van de berg Meru, alle duisternis in de omtrek verdrijvend, met een geel gewaad aan en met het juweel om Zijn nek. (6) Glanzend van de gouden sieraden straalde Hij met Zijn helm op met Zijn hoofd en Zijn verbijsterend mooie gelaat, Zijn acht wapens en het gevolg van wijzen en halfgoden terwijl Garuda Hem diende door als een supermenselijk wezen [een Kinnara] Zijn Heerlijkheden te bezingen. (7) Met temidden van Zijn acht stoere armen een bloemenslinger, zo mooi bijna als de Godin van het Geluk , richtte de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God zich tot de overgegeven zonen van Prâcînabarhi met een stem diep als de donder, terwijl Zijn genadevolle blik op hen rustte. (8) De Allerhoogste Heer zei: 'Ik ben zeer verheugd over de vriendschap van een ieder van jullie, die zo plichtsgetrouw zijn in dezelfde vriendelijkheid, o Zoons van de Koning; derhalve, tot jullie grote geluk, mag je Mij om een gunst vragen. (9) Die persoon die consequent iedere avond aan jullie terugdenkt zal met zijn broeders vriendschap vinden alsmede gelijkheid met alle levende wezens. (10) Van die personen, die jegens Mij, in de ochtend en in de avond met behulp van het lied van Heer S'iva aandachtig zijn in het opzenden van gebeden, zal Ik alle verzoeken inwilligen in wat ze verlangden voor het heil van de goddelijkheid van hun intelligentie. (11) Het fijne van jullie heerlijkheid zal bekend zijn over de hele wereld, omdat jullie zo van harte de opdracht van jullie vader hebben aanvaard. (12) Er zal een zeer beroemde zoon zijn [genaamd Visruta], die in zijn kwaliteiten geenszins onderdoet voor Heer Brahmâ en die de drie werelden zal bevolken met zijn nakomelingen. (13) De lotusogige dochter die de wijze Kandu kreeg van het hemelse meisje genaamd Pramlocâ, werd overgedragen aan de zorg van de [godheid der] bomen, o zoons van Prâcînabarhi. (14) Toen zij honger leed en huilde goot Soma, de Koning van de Maan, met behulp van zijn wijsvinger meedogend de nectar in haar mond. (15) Verwek, op Mijn gezag, nageslacht in navolging van wat door uw vader werd opgedragen en trouw onverwijld met haar, die dochter met de vele kwaliteiten en grote schoonheid. (16) Moge deze echtgenote, dit keurige meisje zo rank, volledig in haar overgave zijn; qua karakter en plichtsopvatting verschilt ze niet van jullie allen; haar manieren zijn hetzelfde. (17) Bij Mijn genade, zal jullie macht miljoenen van hemelse jaren [één jaar op aarde is één dag in de hemel, zie 3: 11] ononderbroken op deze aarde bestaan en zullen jullie voorzeker al de hemelse geneugten genieten. (18) Weest derhalve standvastig jegens Mij middels toegewijde dienst; met jullie geest vrij van de smet der geaardheden, zullen jullie Mijn woning bereiken en, bevrijd uit het materieel bestaan, aldus niet langer zorgen hebben. (19) Zelfs voor personen die een huishoudelijk bestaan hebben opgebouwd wordt een dergelijk familieleven niet gezien als een oorzaak van gebondenheid, als men ieder moment van zijn tijd besteed aan goede werken en aan verhalen die Mij betreffen.(20) Als men dit heeft bereikt, deze immer frisse Kenner in het hart die er is als de Hoogste Geest van God zoals die wordt verdedigd door de kenners van de Absolute Waarheid, staat men niet te juichen of te jammeren en is men ook niet verbijsterd.
(21) Maitreya zei: 'Toen ze Hem, de Heer, Hij die alle obstakels uit de weg ruimt, aldus hoorden spreken over het hoogste levensdoel, werd de duisternis van de besmetting der hartstocht van de Pracetâ's verdreven en brachten ze, met haperende stemmen en gevouwen handen, gebeden voor de grootste van alle vrienden. (22) De Pracetâ's zeiden: 'Onze eerbetuigingen, keer op keer aan de vernietiger van alle leed die Zijn naam vestigde als de grootheid der kwaliteiten sneller dan de snelste geest en spraak; alle eer aan Hem wiens wegen met behulp van de zinnen niet kunnen worden gekend. (23) De Eenduidige, de Meest Vreedzame bieden we ons respect; de wereld van de dualiteit doet zich als betekenisloos voor als men zijn geest heeft gevestigd op dat wat het Zijne is; onze eerbetuigingen aan Hem die, naar de geaardheden der materie, de vormen aannam voor de handhaving, schepping en vernietiging van het universum. (24) Onze eerbied geldt U, wiens bestaan vrij is van de materiële invloed, die de misère wegneemt, die altijd uit is op de bevrijding van de geconditioneerde zielen en die de alles-doordringende Heer van het bewustzijn, Vâsudeva, Krishna, de pleitbezorger van alle toegewijden is. (25) Ons eerbetoon voor Hem met de lotusnavel, Hem met de lotus-slinger, Hem met de lotusvoeten en voor Hem met de lotusogen. (26) Laat ons onze eerbetuigingen aanbieden aan Hem wiens gewaad smetteloos is met de kleur van de gele saffraan van een lotusbloem, aan de Allerhoogste Getuige, de toevlucht van alle levende wezens. (27) Als slechts de gedaante die U aan ons, die onder de materie lijden, onthulde, o Heer, de eindeloze ellende verdrijft, wat zou dat dan betekenen voor hen die altijd Uw gunst genieten? (28) U, meedogend, en aldus zo zeker door Uw expansies zichtbaar voor de nederige toegewijden, worden met het nodige respect voor de tijd altijd herinnerd met iemands toegewijde dienst, o vernietiger van alle onheil. (29) Met het verloop daarvan, brengt U alle verlangens van de levende wezens tot rust, hoezeer gevallen ze ook mogen zijn, uitziende naar zo vele dingen; waarom zou U, verborgen in onze harten, geen weet hebben van alles waar wij naar verlangen? (30) Dat is voorzeker de gunst die wij verlangen; dat U, o Vader van het Universum, tevreden bent, U als de Allerhoogste Heer en geestelijk leraar met wie men op het pad der bevrijding het uiteindelijke doel bereikt. (31) Daarom bidden we voor die zegen van U, o Heer boven alles van de bovenzinnelijkheid; het einde van Uw Almacht kan men niet waarnemen en aldus wordt U gevierd als zijnde Ananta [de onbegrensde]. (32) Een bij compleet in het bereiken van de Pârijâta [de van honing druipende hemelse wensboom of kalpa-vrksa] zoekt zijn heil niet bij een andere; om wat, o wat, zouden wij met het bereiken van Uw lotusvoeten, de grondslag van alles, nog meer vragen? (33) Zolang we besmet zijn door Uw illusieverwekkende energie [mâyâ], moeten we ronddolen in deze wereld al naar gelang onze werklast [ons karma], vergun ons voor de duur van die tijd het gezelschap van Uw liefhebbende toegewijden, welk leven we ook mogen vinden. (34) Slechts een enkel ogenblik in het gezelschap te mogen verkeren van hen die gehecht zijn aan de Allerhoogste Heer is niet te vergelijken met het bereiken van de hemel, noch met de liefde van het niet meer opnieuw geboren zijn; bestaat er een grotere zegen voor een sterfelijk wezen? (35) Waar het zuivere van Uw woorden wordt gevonden in aanbidding en bespreking wordt alle materiële hunkering tot vrede gebracht en bestaat er geen afgunst onder de levende wezens, noch enige vrees. (36) Daar waar de aanbidding van Heer Nârâyana, het uiteindelijk doel van hen die verzaken, gevonden wordt, is de Allerhoogste Heer persoonlijk aanwezig door de steeds weer herhaalde gesprekken over de waarheid gevoerd door hen die vrij zijn van gehechtheid. (37) Waarom zou het treffen met die toegewijden, die, met de zuivering voor ogen, hun voeten bewegen in de richting van heilige plaatsen, niet tot het genoegen gaan behoren van hen die in angst leven? (38) Wij die voor een ogenblik in het gezelschap van Heer S'iva verkeerden, Uw beminde vriend o Heer, zijn er vandaag zeker van de bestemming die U bent bereikt te hebben, de specialist om ons middels de omgang te genezen van de dood, de ziekte van het materieel bestaan die het moeilijkst te genezen is. (39-40) Wij, die de geschriften bestudeerden die de leraren, de brahmanen en de ouderen behaagden en aardig waren voor de mensen van cultuur [de gevorderden, de Aryans] en die zonder enige afgunst hun vrienden, broeders en alle levende wezens eerden, wat anders zouden wij ons wensen? Wij, die in dezen om de meest verheven Oorspronkelijke Persoon tevreden te stellen van al die zware boetedoening waren, o Heer en zo lang bij het water ons onthielden van voedsel, welke andere gunst zouden wij van U verlangen? (41) Manu, Brahmâ, de machtige Heer S'iva alsook anderen die met verzaking en kennis hun bestaan zuiverden konden, op het laatst echter, U niet zien, gebeden in Uw eer opzendend, maar niettemin hebben we naar ons eigen vermogen voor U onze gebeden gedaan. (42) Onze eerbetuigingen aan U, de Allerhoogste Bovenzinnelijke Persoon die gelijk is voor iedereen en altijd zuiver is, de Allerhoogste alomtegenwoordige Heer der eeuwige goedheid.'
(43) Maitreya zei: 'Aldus geprezen door de Pracetâ's gaf de Heer, op die manier behaagd, blijk van Zijn genegenheid en zorg voor de overgegeven zielen, maar met Hem vertrekkend naar Zijn verblijf wensten ze het niet om afscheid van Hem te nemen, daar ze nog niet genoeg van Hem, de macht van het immateriële, hadden gezien. (44) Daarna lieten de Pracetâ's het water van het meer achter zich, maar toen ze zagen dat de wereld was overdekt door bomen die zeer hoog gegroeid waren alsof ze de weg naar de hemel wilden blokkeren, gingen ze verwoed te keer. (45) Als met het vuur aan het Einde der Tijden, staken ze, geholpen door de wind, in hun verbittering, o Koning [Vidura als een heerser over de zinnen], alle uithoeken in brand teneinde de aarde boomloos te maken. (46) Toen Hij zag dat ze alle bomen in de as hadden gelegd, kwam de Grote Vader [Brahmâ] om de zoons van Barhismân tot vrede te bewegen met behulp van de rede. (47) De resterende bomen, die zeer bevreesd waren [zij of hun godheid], leverden te dien tijde, op het advies van Brahmâ, hun dochter uit aan de Pracetâ's [zie tekst 13]. (48) Opgedragen door Brahmâ, trouwden ze toen allen met haar, Mârisâ, van wie, vanwege het niet hebben gerespecteerd van de Grootheid [S'iva zie 4: 2], de zoon der Aanstichter [de zoon van Brahmâ] wederom geboorte nam. (49) Hij was niemand anders dan Daksha, degene die geïnspireerd door God al het gewenste leven voortbracht en die in zijn vorige bestaan het in zijn tijd zag gebeuren dat hij tenonderging ten tijde van de manvantara [periode of Manu] genaamd Sâksusa [de huidige wordt Vaivasvata* genoemd]. (50-51) Omdat hij iemand was die direct na zijn geboorte met de schittering van zijn luister de schittering van allen overtrof, werd hij, met zijn bedrevenheid in de vruchtdragende arbeid, Daksha genoemd ['de bedrevene']. Hij, aangesteld door de Eerste, Brahmâ, om al het leven voort te brengen zodat de mensheid was bewaard, overtuigde zich er ook van alle andere stamvaders erbij te betrekken.
*: De verschillende Manus die bestaan gedurende één dag van Heer Brahmâ zijn de volgende: (1) Svâyambhuva, (2) Svârocisa, (3) Uttama, (4) Tâmasa, (5) Raivata, (6) Câksusa, (7) Vaivasvata, (8) Sâvarni, (9) Dakshasâvarni, (10) Brahma-sâvarni, ( 11) Dharma-sâvarni, (12) Rudrasâvarni, (13) Deva-sâvarni en (14) Indra-sâvarni [zie ook 3: 11].
Nârada Onderricht de Pracetâ's
(1) Maitreya zei: 'Met in gedachten wat de Heer in het Voorbije had opgedragen, bereikten ze daarop volgend [op het huwelijk met Mârisâ], hun thuis overlatend aan hun vrouw en zoon, de volmaakte wijsheid. (2) Zich in westelijke richting op weg begevend naar de kust waar de wijze Jâlali verbleef, beschouwden ze, vastbesloten in het cultiveren van spirituele kennis, alle levende wezens als zichzelf en vonden ze de volmaaktheid. (3) Zij, zich de zithoudingen eigen makend, bereikten allen de volledige beheersing over hun ademhaling, geest, woorden en visie en, in vrede met het rechtop houden van hun lichamen met hun geesten, actief in het bovenzinnelijke, bevrijd van onzuiverheden, zagen ze Nârada die altijd was aanbeden door zowel de verlichten als de onverlichten. (4) Op zijn verschijnen kwamen ze allen overeind en brachten ze hun eerbetuigingen ter verwelkoming hem respecterend zoals voorgeschreven was en nadat ze hem een comfortabele zitplaats hadden geboden richtten ze zich tot hem. (5) De Pracetâ's zeiden: 'Welkom, o wijze der verlichten! Vandaag kennen we het grote geluk van uw aanwezigheid; uw komst is als de beweging van de zon, o grote brahmaan, ze verdrijft alle angst. (6) Door onze overmatige gehechtheid aan familieaangelegenheden waren we bijna vergeten, o meester, wat ons was geleerd door de Hoogste Heer S'iva en Hem die in het Voorbije wordt gevonden [Vishnu]. (7) Daarom, terwille van uw visie, wees zo goed in ons de bovenzinnelijke kennis van de Absolute Waarheid op te wekken waarmee we met gemak de enorme oceaan van onwetendheid kunnen oversteken'.
(8) Maitreya zei: 'Aldus verzocht door de Pracetâ's kregen de koningen antwoord van de grote Nârada, die in de geest altijd verzonken in gedachten over de Allerhoogste Heer het wijst was. (9) Nârada zei: 'Van die geboorte van de mens waarmee in iemands vruchtdragende arbeid, iemands tijd van leven, iemands geest en woorden, de Superziel is gediend, is de Heer voorzeker de Beheerser. (10) Van wat voor nut zijn de drie geboorten in deze wereld van de geboorte uit het zaad, door inwijding of door de arbeid van het offeren; of men nu handelt in overeenstemming met wat menselijk is of wat de Veda's zeggen of dat men zo lang leeft als een halfgod? (11) Wat hebben de verzakingen naar de leringen voor zin, of de betekenis van de woorden van bewustzijn waarmee men zo intelligent bezig is, of de kunde van fysieke kracht of zinsbeteugeling? (12) Wat baat de yogapraktijk, de analytische studie, het aanvaarden van de wereldverzakende orde, het lezen van de geschriften of al de andere gunstige activiteiten, als er nimmer de tevredenheid van de ziel is die de Heer is? (13) Zonder twijfel is de ziel feitelijk de zekere bestemming van alle gunstige activiteiten en is de Heer de Superziel die ons onze gekoesterde oorspronkelijke identiteit geeft. (14) Zoals met het bewateren van de wortels van een boom haar stam, takken en twijgen voldaan zijn en door de voeding van de levensadem dienovereenkomstig het sensorische wordt onderhouden, zo ook worden allen [de anderen, de halfgoden] geëerd door de aanbidding van de Onfeilbare. (15) Zoals voorzeker door de zon het water voortgebracht weer opnieuw mettertijd verdampt en alle levende, bewegende en niet bewegende, wezens weer terugkeren naar de aarde, zo ook is het onmiskenbaar zo met de voortgebrachte materiële natuur in relatie tot de Heer. (16) De werkelijkheid van de bovenzinnelijke ziel, is [onlosmakelijk verbonden met] de Heer die het universum is waarin wij ons bevinden, precies zoals de zonneschijn dat is die bij tijden zich van de zon laat zien, de zinnen dat zijn die zich manifesteerden naar de krachten van de inerte materie en de spirituele kennis dat is die verschijnt op het terugwijken van de geschillen van wanbegrip. (17) Zoals er het opeenvolgende bestaan en afwezig zijn van de wolken, de duisternis en het oplichten van de hemel is, o Koningen, zo is er aldus in het Allerhoogste Absolute dienovereenkomstig het verschijnen van de energieën van de hartstocht, de onwetendheid en de goedheid. (18) Omdat de Ene Allerhoogste Ziel van het onbeperkte aantal individuele zielen, als de materiële oorzaak van de tijd, de oorspronkelijke Persoon zelve is, de bovenzinnelijke beheerser *, die bij genade van Zijn spirituele vermogen losstaat van alles wat voortkomt uit het zelf, behoort u, alles aanvaardend als één in kwaliteit, uzelf rechtstreeks bezig te houden met toegewijde dienst. (19) Op deze of gene manier tevreden zijnd met alle zinnen onder controle zal, van genade voor al wat bestaat, ook zeer spoedig Janârdana, de Heer van alle wezens [een naam van Heer Krishna], tevreden zijn gesteld. (20) Smetteloos met alle verlangens overwonnen, in de geest altijd bezig en met een intensivering van de gevoelens, is de Onveranderlijke, geroepen door Zijn toegewijden, er naar hun behoefte; Zijn weten zal nimmer falen of hen verlaten daar, voor de toegewijde, Hij zo vanzelfsprekend als de hemel is. (21) Nimmer aanvaardt Hij de eenheid van personen die een verontreinigd hart hebben, terwijl zij die zich niet verlaten op weelde maar vertrouwen op de ziel Hem dierbaar zijn; een ieder die met valse trots zich probeert te verhouden tot God en daarin poogt van een goede opvoeding, weelde, edelmoedigheid en vruchtdragende arbeid te zijn, is in feite van ongenade voor de toegewijden die er geen bezit op na houden. (22) Over de godin van het geluk van respect voor Hem en zij die uit zijn op haar gunsten, zowel als over de heersers over de mensen en de halfgoden, maakt Hij zich geen zorgen omdat Hij er is voor de Zijnen; hoe [dan] kan een dankbaar persoon Hem opgeven, wiens hoofdbelang samenvalt met dat van de dienaren op Zijn pad?'
(23) Maitreya zei: 'O Koning, de grote wijze, de zoon van Brahmâ die aldus de Pracetâ's op de hoogte stelde van de onderwerpen betreffende de omgang met de Heer, keerde toen terug naar de verblijfplaats van het Absolute [Brahmâ-loka]. (24) Ook zij, die uit de mond van Nârada hadden vernomen over de verheerlijking van de Heer die de zonden der wereld vernietigt, boekten in meditatie op Zijn voeten vooruitgang op weg naar hun uiteindelijke bestemming. (25) O Vidura, dit, wat betreft de conversatie tussen Nârada en de Pracetâ's, is in reactie op wat u me gevraagd hebt, alles wat ik u in het beschrijven van de heerlijkheden van de Allerhoogste Persoon, had te vertellen'.
(26) S'rî S'ukadeva zei: 'O beste der koningen [Parîkchit], probeer nu ook, na de getrouwe beschrijving van deze dynastie van de zoon van Svâyambhuva Manu, Uttânapada, de dynastie van Priyavrata [de andere zoon van Svâyambhuva, zie 3.12: 56, 4.1 en 4.8: 7] te begrijpen. (27) Als iemand die van Nârada had vernomen over de kennis van de ziel, bereikte hij, na opnieuw te hebben genoten [van een rechtgeaard besturen], de bovenzinnelijke positie, nadat hij de aarde onder zijn zoons had verdeeld. (28) Dit alles dan beschreven door Maitreya verhevigde bij Vidura, toen hij vernam over de wegen gevolgd met de Onoverwinnelijke, zijn extase dat hij er de tranen van in de ogen kreeg; overweldigd met de Heer in zijn hart neigde hij zijn hoofd en greep hij de voeten van de wijze beet. (29) Vidura zei: 'Door wat u mij vandaag zo genadevol hebt getoond van de andere zijde der duisternis, o grote meester van de yoga, kunnen zij die vrij zijn van het materiële motief, toenadering vinden tot de Heer.'
(30) S'uka zei: 'Aldus hem eerbiedigend vroeg Vidura, verlangend zijn eigen familie te zien, permissie te mogen vertrekken naar de stad Hastinâpura, waarop hij die plaats achter zich liet met zijn denken in vrede. (31) O Koning, hij die luistert naar dit verhaal over koningen die hun ziel en zaligheid aan de Heer geven, zullen het goede geluk bereiken van een lang leven, weelde, materieel vermogen en een goede naam, alsmede het uiteindelijke levensdoel.'
*: De Tijd, het ingrediënt en de Schepper gecombineerd, worden tritayâtmaka genoemd, de drie oorzaken waardoor alles in deze materiële wereld is geschapen.
Aldus eindigt het vierde Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd 'de Schepping van de Vierde Orde, de Heer Zijn Bescherming'.
Vertaald door: Anand Aadhar Prabhu http://bhagavata.org/c/8/AnandAadhar.html
Produktie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd http://theorderoftime.com/ned/info/gasten-vrienden.html
© 2001 srimadbhagavatam.org
Downloaden en uitprinten alleen voor privé- en
niet-commercieel gebruik toegestaan. Overig gebruik met toestemming:
email verzenden vanaf http://bhagavata.org/email.html
De brontekst, illustraties en muziek bij deze vertaling kan men vinden door de links te volgen vanaf http://bhagavata.org/index.ned.html
Bij deze oorspronkelijke vertaling is naast het Sanskriet woordenboek een alles-in-een band exemplaar met uitgebreid commentaar van A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupâda geraadpleegd. ISBN: o-91277-27-7 . Voor links naar andere sites betreffende dit onderwerp en de bijbehorende muziek zie verder op de Linkspagina van de S'rîmad Bhâgavatam Schatkamer http://bhagavata.org/treasury/