Deze filognostische presentatie is in aanbouw

Zeven wijsheidssleutels

Het eerste boek Genesis 1:26-28 van de Hebreeuwse Bijbel maakt al van een archetype gebruik:
En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.
Krishnamurti: En in die afstand, de verdeling tussen de ziener en het ding dat wordt gezien, in die verdeling ligt het gehele conflict van de mens.
Hoe meer we over 'de waarheid' praten of zelfs maar denken, hoe verder we die van ons wegduwen.
Geen enkele organisatie of georganiseerde religie kan de mens naar waarheid of naar zijn verlossing leiden.
Waarheid is een land zonder paden.
Er bestaat geen pad naar de waarheid.
Je moet je eigen leraar en je eigen leerling zijn.
De tijd is nu,
de tijd omvat … het verleden,
de toekomst is nu.
Dus de dood is nu (kies: 'uitspraken').
Bewustzijn is de inhoud van het bewustzijn.

Homo sapiens, 'Zichtbaar en Onzichtbaar', 'Materiële en Immateriële wereld')

H.P. Blavatsky boek De stem van de stilte, Fragment III De Zeven Poorten:
Welke van de twee wilt u kiezen, u met een onverschrokken hart? De samtan4 van de ‘leer van het oog’, het viervoudige dhyana, of wilt u uw weg laten gaan door de paramita’s5, zes in getal, edele poorten van deugd die leiden naar bodhi en naar prajña, de zevende stap van wijsheid?
4) Samtan (Tibetaans), hetzelfde als het Sanskriet dhyana, of de toestand van meditatie; men onderscheidt vier graden daarvan.
5) Paramita’s, de zes verheven deugden; voor de priesters zijn er tien.

Het ruwe pad van het viervoudige dhyana leidt slingerend omhoog. Hij die de verheven top beklimt is in drie opzichten groot.

Over de hoogten van de paramita’s leidt een nog steiler pad. U moet u strijdend een weg banen door zeven poorten, zeven vestingen verdedigd door wrede listige machten, belichamingen van hartstochten.

Houd moed, discipel, denk aan de gulden regel. Als u eenmaal door de poort bent gegaan, srotapanna6, ‘hij die de stroom is ingegaan’, wanneer u eenmaal voet heeft gezet op de bedding van de nirvanische stroom in dit of een toekomstig leven, dan heeft u nog maar zeven levens vóór u, u met een diamanten wil.
6) Srotapanna – (letterlijk) ‘hij die de stroom is ingegaan’, die naar de oceaan van nirvana leidt. Deze naam duidt het eerste pad aan. De naam van het tweede is het pad van sakridagamin, ‘hij die nog (maar) eenmaal geboren zal worden’. Het derde wordt anagamin genoemd, ‘hij die niet weer zal reïncarneren’, tenzij hij dat wenst om de mensheid te helpen. Het vierde pad staat bekend als dat van een rahat of arhat. Het is het hoogste. Een arhat aanschouwt nirvana gedurende zijn leven. Voor hem is dit geen postmortale toestand, maar samadhi waarin hij de volkomen gelukzaligheid van nirvana ervaart.*

Zie, gelukkige pelgrim! De poort waar u vóór staat is hoog en breed; en lijkt gemakkelijk te passeren. De weg die er doorheen leidt is recht, effen en groen. Hij lijkt op een zonnige, open plek in de donkere diepten van het bos, een afspiegeling op aarde van het paradijs van Amitabha. Daar zingen hoog in het lover nachtegalen van hoop en schitterend gevederde vogels, en wensen de onbevreesde pelgrims succes. Ze bezingen de vijf deugden van de bodhisattva’s, de vijfvoudige bron van de kracht van bodhi, en de zeven stadia van kennis.

Want zoals de diamant die diep in het kloppende hart van de aarde ligt begraven, de aardse lichten nooit kan weerkaatsen, zo is het ook voor uw denken en uw ziel; wanneer ze dhyanamarga volgen moeten ze niets weerspiegelen van maya’s rijk van illusie.

Wanneer u dat stadium heeft bereikt, werpen de poorten die u op het pad moet veroveren hun deuren wijd open om u door te laten en de sterkste krachten van de natuur bezitten niet het vermogen om u tegen te houden. U zult meester zijn van het zevenvoudige pad: maar niet vóór die tijd, kandidaat voor beproevingen die iedere beschrijving te boven gaan.

Vanaf dit punt is uw weg vrij en gaat recht door de poort van virya, de vijfde van de zeven poorten. U bent nu op de weg die leidt naar de veilige haven van dhyana, de zesde, de bodhi-poort.

Weet, overwinnaar van uw zonden, als een sowani23 eenmaal het zevende pad heeft afgelegd, trilt de hele natuur van vreugdevol ontzag en voelt zich onderworpen. De zilveren ster flonkert het nieuws uit aan de nachtbloesems, het stroompje vertelt het verhaal al bruisend aan de kiezels; de donkere oceaangolven zullen het toebrullen aan de rotsen in de branding; de met geuren beladen wind zingt het toe aan de dalen en statige pijnbomen fluisteren geheimzinnig: ‘Een meester is opgestaan, een meester van de dag.’24
23) Sowani is iemand die sowan, het eerste pad in dhyana, beoefent, een srotapanna. [Zie ook blz. 66vn.]
24) ‘Dag’ betekent hier een heel manvantara, een tijdperk van onberekenbaar lange duur.

Gedoemd door uzelf om gedurende toekomstige kalpa’s* te leven zonder door de mensen te worden bedankt of opgemerkt; als een steen ingeklemd tussen ontelbare andere stenen die de ‘beschermmuur’28 vormen, zó is uw toekomst als u door de zevende poort gaat. Gebouwd door de handen van vele meesters van mededogen, opgetrokken door hun martelgang en met hun bloed gemetseld, behoedt deze muur de mensheid sinds de mens mens is, beschermt haar tegen nog meer en veel grotere ellende en verdriet.
28) De ‘beschermmuur’ of de ‘beschuttingsmuur’. Er wordt geleerd dat de verenigde pogingen van vele generaties van yogi’s, heiligen en adepten en vooral die van de nirmanakaya’s als het ware een muur van bescherming rond de mensheid hebben gevormd, die haar onzichtbaar voor nog grotere rampen behoedt.

Kalm en onbewogen schrijdt de pelgrim voort, omhoog langs de stroom die naar nirvana leidt. Hij weet dat hoe meer zijn voeten zullen bloeden, hoe meer hij zal worden gelouterd. Hij weet zeker dat na zeven korte en snel voorbijgaande levens nirvana hem ten deel zal vallen. . . .

U zult het zevende stadium bereiken en de poort van uiteindelijke kennis doorgaan, maar slechts om u met lijden te verbinden – als u een Tathagata wilt zijn en in de voetstappen van uw voorganger wilt treden, blijf dan onzelfzuchtig tot het eindeloze einde.

Ja, op het arya-pad bent u niet langer een srotapanna, u bent een bodhisattva33. De stroom is overgestoken. Het is waar dat u recht heeft op het dharmakaya-kleed, maar een sambhogakaya is groter dan een nirvani en nog groter is een nirmanakaya – de boeddha van mededogen34.
33) Een bodhisattva staat minder hoog in de hiërarchie dan een ‘volmaakte boeddha’. In exoterisch spraakgebruik worden de twee heel vaak verward. Toch heeft het intuïtieve inzicht van het volk een bodhisattva op grond van zijn zelfopoffering op een hogere trap van verering geplaatst dan een boeddha.
34) De titel ‘boeddha’s van mededogen’ wordt door het volk met eenzelfde eerbied gegeven aan bodhisattva’s die, nadat ze de rang van arhat hebben verworven (dat wil zeggen, het vierde of zevende pad tot het einde zijn gegaan), weigeren nirvana in te gaan of ‘zich met het kleed van dharmakaya te tooien en naar de andere oever over te steken’, omdat het dan niet meer in hun macht zou liggen de mensen zelfs maar een klein beetje te helpen, voor zover karma dat toelaat. Ze blijven liever onzichtbaar (in de geest, om zo te zeggen) in de wereld om een bijdrage te leveren aan de verlossing van de mensen door hun aan te sporen de goede wet te volgen, dat wil zeggen, hen naar het pad van rechtvaardigheid te leiden. Het behoort tot het exoterische noordelijke boeddhisme al zulke grote figuren als heiligen te vereren en zelfs gebeden tot hen te richten, zoals de Grieken en de katholieken die richten tot hun heiligen en schutspatronen; deze gedragslijn vindt in de esoterische leringen echter geen steun. De twee leringen verschillen enorm. De exoterische leek kent nauwelijks de werkelijke betekenis van het woord nirmanakaya. Vandaar de verwarring en de onvoldoende verklaringen van de oriëntalisten. Bijvoorbeeld Schlagintweit gelooft dat het nirmanakaya-lichaam de fysieke vorm betekent, aangenomen door de boeddha’s wanneer ze op aarde incarneren – ‘de minst verhevene van hun aardse belemmeringen’ (zie Buddhism in Tibet) – en vervolgens geeft hij een volkomen onjuiste visie op het onderwerp. De ware lering is echter de volgende.

De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 7 De dagen en nachten van Brahmâ (p. 409):
Terwijl de occultisten uit het oosten zeven manieren van interpretatie hebben, hebben de joden er maar vier – namelijk de werkelijk-mystieke, de allegorische, de morele en de letterlijke of pashut. De laatstgenoemde is de sleutel van de exoterische kerken en is geen bespreking waard. Hier volgen een aantal zinnen die, als men ze leest met behulp van de eerste of mystieke sleutel, de onderlinge gelijkheid laten zien van de grondslagen van de opbouw van elke Schrift. Zij komen voor in het voortreffelijke boek van T. Myer over de kabbalistische boeken die hij goed schijnt te hebben bestudeerd. Ik citeer woordelijk. ‘B’raisheeth barah elohim ath hashamayem v’ath haa’retz' – d.w.z. ‘In het begin schiep(en) de god(en) de hemelen en de aarde’; (wat betekent:) de zes sephiroth van de opbouw10, waarboven B’raisheeth staat, behoren allen Beneden. Het schiep er zes (en) op deze berusten alle dingen. En die zijn afhankelijk van de zeven vormen van de schedel, tot aan de waardigheid van alle waardigheden. En de tweede ‘aarde’ blijft buiten beschouwing en daarom is er gezegd: ‘En uit haar (die aarde), die de vloek onderging, kwam zij voort.’ . . . ‘Zij (de aarde) was zonder vorm en leeg; en duisternis was over het aangezicht van de diepte, en de geest van de elohim . . . ademde (me’ racha ’phath) – d.w.z. zweefde, hing boven, bewoog zich. . . . Dertien berusten op dertien (vormen) van de waardigste waardigheid. Zesduizend jaren berusten op (worden genoemd in) de eerste zes woorden. Het zevende (duizendtal, het millennium) boven haar (de gevloekte aarde) is dat wat sterk is uit zichzelf. En zij werd in twaalf uur (een . . . Dag) geheel verwoest, zoals er staat geschreven. . . . In het dertiende zal Zij (de godheid) alles herstellen . . . en alles zal worden hernieuwd zoals tevoren; en al die zes zullen voortduren . . . enz.’ (Qabbalah, blz. 233, uit Siphrah Dzeniuta, hfst. i, par. 16, s. 9.)
10) De ‘bouwers’ uit de stanza’s.

De Geheime Leer Deel II Stanza 12 Het vijfde ras, goddelijke leermeesters (p. 427/428):
Onder de religies van het verleden moeten we in Egypte naar de westerse oorsprong van deze eredienst zoeken. De ofieten namen hun riten over van Hermes Trismegistos, en de zonnedienst stak met zijn zonnegoden over van India naar het land van de farao’s. In de goden van Stonehenge herkennen we de godheden van Delphi en Babylon, en in die van de laatstgenoemde de deva’s van de vedische naties. Bel en de draak, Apollo en Python, Krishna en Kaliya, Osiris en Typhon zijn allen één onder veel namen – waarvan Michaël en de rode draak, en Joris en zijn draak de laatsten zijn. Omdat Michaël ‘één als god’ is, of zijn ‘dubbelganger’ voor aardse doeleinden, en een van de Elohim is, de strijdende engel, is hij eenvoudig een omzetting van Jehova. Welke kosmische of sterrenkundige gebeurtenis ook het eerst aanleiding gaf tot de allegorie van de ‘oorlog in de hemel’, de aardse oorsprong ervan moet men zoeken in de tempels van inwijding en in de archaïsche crypten.
432: Apollo is Helios (de zon), Phoibos-Apollo (‘het licht van het leven en van de wereld’), die oprijst uit de beker met de gouden vleugels (de zon); daarom is hij de zonnegod par excellence. Op het moment van zijn geboorte vraagt hij naar zijn boog om Python, de demondraak te doden, die zijn moeder vóór zijn geboorte aanviel en die hij op last van de goden moet vernietigen – evenals Karttikeya, die wordt geboren om Taraka, de te heilige en wijze demon, te doden. Apollo wordt geboren op een siderisch eiland dat Asteria – ‘het gouden ster-eiland’ heet, de ‘aarde die in de lucht zweeft’, wat het gouden Hiranyapura van de hindoes is; ‘hij wordt de zuivere, ἁγνόϛ, Agnus Dei’ genoemd (de Indiase Agni, zoals dr. Kenealy denkt) en in de oorspronkelijke mythe is hij vrij ‘van alle zinnelijke liefde’ (‘Book of God’, blz. 88). Hij is dus een kumara, evenals Karttikeya, en zoals ook Indra in zijn vroegere leven en volgens zijn biografieën was. Bovendien verbindt Python, de ‘rode draak’, Apollo met Michaël, die de apocalyptische draak bestrijdt die de barende vrouw wil aanvallen (zie Openbaring, xii), zoals Python de moeder van Apollo aanvalt. Is het mogelijk dat iemand de overeenkomst niet ziet?
De Geheime Leer Deel II hoofdstuk 19 Is pleroma de legerstede van Satan (p. 586/587):
Typhon de Egyptenaar, Python, de Titanen, de Sura’s en de Asura’s behoren alle tot dezelfde legende van geesten die de aarde bevolken. Ze zijn geen ‘demonen, aan wie is opgedragen dit zichtbare heelal te scheppen en te organiseren’, maar vormgevers (de ‘architecten’) van de werelden en de voorvaderen van de mens. Ze zijn metaforisch de gevallen engelen – ‘de ware spiegels van de eeuwige wijsheid’ (Perennial philosophy, Sanātana Dharma).
Wat is de absolute en volledige waarheid en de esoterische betekenis van deze universele mythe? De hele essentie van de waarheid kan niet van mond tot oor worden overgebracht. Er is ook geen pen die haar kan beschrijven, zelfs niet die van de engel die onze daden optekent, tenzij de mens het antwoord vindt in het heiligdom van zijn eigen hart, in de diepste diepten van zijn goddelijke intuïtie. Het is het grote ZEVENDE MYSTERIE van de schepping, het eerste en het laatste; en wie de Openbaring van Johannes leest, vindt misschien de schaduw ervan, verborgen onder het zevende zegel . . . Het kan alleen in zijn schijnbare, objectieve vorm worden afgebeeld, evenals het eeuwige raadsel van de sfinx. Toen deze laatste zich in de zee stortte en omkwam, was dat niet omdat Oedipus het geheim van de eeuwen had ontraadseld, maar omdat hij de grote waarheid voor altijd had onteerd door het eeuwig geestelijke en het subjectieve te antropomorfiseren. Daarom kunnen we het alleen geven vanuit het filosofische en intellectuele gezichtspunt, ontsloten met de respectievelijke drie sleutels – want de laatste vier van de zeven sleutels die de poorten tot de mysteriën van de Natuur wijd openen, zijn in handen van de hoogste ingewijden en kunnen niet aan de massa worden bekendgemaakt – tenminste niet in onze eeuw.
Deel II hoofdstuk 7 Bewijzen voor verzonken continenten (p. 903/904):
Maar wanneer onweerlegbaar wordt bewezen dat de aanspraken van de tegenwoordige Aziatische volkeren op een Geheime Wetenschap en een esoterische geschiedenis van de wereld op feiten berusten; dat deze, hoewel tot dusver onbekend aan de grote massa en zelfs voor de geleerden een versluierd mysterie (omdat ze nooit de sleutel hadden tot een goed begrip van de overvloedige toespelingen door de oude klassieken), toch geen sprookje zijn, maar een werkelijkheid – dan zal dit boek de voorloper worden van veel meer dergelijke boeken. De bewering dat tot dusver zelfs de sleutels die door enkele grote geleerden zijn ontdekt, te roestig bleken om te gebruiken, en dat ze slechts de stille getuigen waren dat er achter de sluier inderdaad mysteriën bestaan die onbereikbaar zijn zonder een nieuwe sleutel – deze bewering wordt door zoveel bewijzen bevestigd, dat ze niet gemakkelijk kan worden afgewezen. Als illustratie kan een voorbeeld worden gegeven uit de geschiedenis van de vrijmetselarij.
904: In zijn Franc-maçonnerie Occulte verwijt Ragon, een beroemde en geleerde Belgische vrijmetselaar, de Engelse vrijmetselaars terecht of ten onrechte, dat ze de vrijmetselarij, die eens was gebaseerd op de oude mysteriën, hebben verstoffelijkt en onteerd, door tengevolge van een onjuiste opvatting over de oorsprong van de orde, de naam vrij metselarij en vrij metselaars aan te nemen. De fout is toe te schrijven, zegt hij, aan hen die de vrijmetselarij in verband brengen met de bouw van de Tempel van Salomo en haar oorsprong daarvan afleiden. Hij spot met dit denkbeeld en zegt: . . . ‘De Franc-Maçon (wat niet maçon libre, of vrije metselarij is) wist, toen hij deze titel aannam, heel goed dat er geen sprake was van het bouwen van een muur, maar dat het erom ging te worden ingewijd in de oude mysteriën, die verborgen gingen achter de naam Francmaçonnerie (vrijmetselarij); dat zijn werk slechts de voortzetting of de hernieuwing van de oude mysteriën was en dat hij een metselaar moest worden op de manier van Apollo of Amphion. En weten we niet dat de oude ingewijde dichters, wanneer zij spraken over het stichten van een stad, daarmee het vestigen van een leer bedoelden? Zo boden Neptunus, de god van de redeneerkunst, en Apollo, de god van de verborgen dingen, zich als metselaars aan bij Laomedon, de vader van Priamus, om hem te helpen de stad Troje te bouwen, d.w.z. de Trojaanse religie te stichten.’ (Maçonnerie Orthodoxe, blz. 44.)
906: De sleutel van de wijsheid die de massieve poorten opent die leiden naar de geheimen van de binnenste heiligdommen, kan alleen in haar schoot worden gevonden: en die schoot ligt in de landen die door de grote ziener van de vorige eeuw, Emanuel Swedenborg, zijn aangeduid. Daar ligt het hart van de natuur, dat heiligdom waaruit de eerste rassen van de oorspronkelijke mensheid voortkwamen, en dat de bakermat van de fysieke mens is.
Tot zover de ruwe schets van de geloofsopvattingen en leringen van de archaïsche, oudste rassen, die in hun tot dusver geheime heilige geschriften voorkomen. Maar onze uiteenzettingen zijn volstrekt niet volledig, en ze pretenderen ook niet de volledige tekst te geven, of te zijn gelezen met behulp van meer dan drie of vier sleutels van de zeven van de esoterische interpretatie, en zelfs dit is maar gedeeltelijk gebeurd. Het werk is te gigantisch om door één persoon te worden ondernomen, laat staan te worden voltooid. Onze voornaamste zorg was eenvoudig de bodem voor te bereiden. We vertrouwen dat we dit hebben gedaan.

Eerste wijsheidssleutel (Oerbron, Blauwdruk, Scheppingsleer, Aantrekking en Afstoting)

De 1e sleutel betreft de hypothese van reïncarnatie of wederbelichaming.

Frans Wuijts Reïncarnatie een (te) moeilijk onderwerp? Ja en nee (Civis Mundi donderdag 31 maart 2011)

Het boek Genesis vertelt ons dat God de mens in Zijn eigen beeld heeft geschapen, dat Hij de mens van het stof van de aarde vormde en in zijn neusgaten de adem van het leven blies (Genesis 1:26-27; 2:7). Dat God de mens naar zijn beeld en gelijkenis heeft geschapen komt tot uitdrukking in de microkosmos is een weerspiegeling van de macrokosmos (‘Zo boven, zo beneden; Zo beneden, zo boven’ of ‘Zo binnen, zo buiten; Zo buiten, zo binnen’).

De zeven werkelijkheden of zintuigen met hun begaafdheden, inbegrepen de ziel, worden geleid door de geest, zodra de mens deze ziel erkent als zijn zevende "werkelijkheid", hij zichzelf ziet zoals in het Boek van Henoch staat: een wezen geschapen door de geest, die de natuur bevruchtte via de universele ziel en hem vormde naar dit evenbeeld, een drie-eenheid: de mens of natuur, de ziel uit de universele ziel en de geest, die het leven van die ziel activeert.

Tweede wijsheidssleutel (Reciprociteit, Dichotomieën)

De 2e sleutel omvat de oude leerstelling van karma, die het herstel van evenwicht na verstoringen behelst.

Hoe wij naar de wereld kijken en de verschijnselen interpreteren hangt met de vrije wil samen. Het brengt de wet van zaaien en oogsten tot uitdrukking. Het betekent dat wanneer wij de werkelijkheid verkeert interpreteren we niet mogen verwachten dat we op basis van deze interpretaties wel de juiste handelingen uitvoeren.

Het maakt het 2e beginsel van de theosofie, de periodiciteit, het verschijnen en verdwijnen mogelijk. Het verklaart de wisselwerking, de interactie tussen de innerlijke en uiterlijke wereld, de binnenwereld en de buitenwereld.

De eeuwigheid van het Heelal in toto als een grenzeloos gebied, periodiek ‘het toneel van talloze Heelallen die zich onophoudelijk manifesteren en verdwijnen’ en die ‘de zich manifesterende sterren’en de ‘vonken der eeuwigheid’ worden genoemd. ‘Het verschijnen en verdwijnen van werelden is als een regelmatig getij van eb en vloed’ Deze tweede stelling van De Geheime Leer betreft de algemene geldigheid van die wet van periodiciteit, van eb en vloed, neergang en opkomst, die de natuurwetenschap op alle gebieden van de natuur heeft waargenomen en beschreven. Een afwisseling zoals tussen dag en nacht, leven en dood, slapen en waken, is een feit dat zo gewoon is, zo volkomen algemeen en zonder uitzondering, dat het gemakkelijk is te begrijpen dat wij er één van de werkelijk fundamentele wetten van het heelal in zien.
Het begrip periodiciteit is met de vicieuze cirkel verwant.

Derde wijsheidssleutel (Symmetrie)

De 3e sleutel betreft de leerstelling van hiërarchieën (leerstelling van de emanaties). Een flits van geluk, synthese ontstaat wanneer ‘binnen en buiten’ samenvloeien. Op zo’n moment is een mens volledig in evenwicht. De aardse vicieuze cirkel, het wiel van oorzaak en gevolg, is doorbroken. De vrije wil geeft richting aan deze sturing. In de natuur geldt het complementariteitsprincipe.

Samengesteld en hiërarchisch (p. 8)
Nu zijn die bewustzijnsaspecten ook hiërarchisch gerangschikt. Dat wil zeggen dat uit het hoogste, het goddelijke, het op één na hoogste, het geestelijke voortkomt en uit deze twee te zamen het op twee na hoogste, enzovoort. Elk aspect heeft bijgevolg de overige in zich. Als het goddelijke de bron is van het geestelijke, dan moet enerzijds het goddelijke het geestelijke in zich dragen, anders kwam het er niet uit voort; maar anderzijds heeft het geestelijke het goddelijke in zich, omdat het eruit voortkomt.

Roos Vonk Vrije wil: kunnen we zelf sturen of regelt het onbewuste alles?
Wat u ook doet, onderzoeksresultaten suggereren dat de beslissing in uw brein allang genomen is voordat u denkt dat u een beslissing neemt. In een onderzoek moesten mensen bijvoorbeeld links of rechts een knop indrukken, en ze moesten het zeggen als ze gekozen hadden. Hersenactiviteit wees uit dat de beslissing al genomen was vóórdat de deelnemers het zeiden. Dus de volgorde was: 1) beslissing (hersenen), 2) bewustzijn van de beslissing en (3, maar vrijwel gelijktijdig) handeling. Omdat (1) onbewust is en (2) altijd samengaat met (3), líjkt het alsof we beslissen en daarop handelen. Maar de werkelijke bron van onze keuzes is onbewust. In feite is het leeuwedeel van wat we doen onbewust. 95%, zeggen deskundigen, maar die schatting is gebaseerd op een grapje van John Bargh, de autoriteit op dit gebied. Toen men hem op een congres vroeg hoeveel procent van wat we doen, denken en voelen onbewust is, zei hij 94,8 %. Daar bedoelde hij mee dat we geen idee hebben. Maar dat het veel is, dat staat wel vast.

Met de systeembenadering (cybernetica) is het mogelijk de wet van actie en reactie, van zaaien en oogsten, ‘Invoer en Uitvoer’ te illustreren. Het brengt de 4e dimensie tijd in beeld.

De systeembenadering kent een hiërarchische systeemstructuur. Elk systeem kan worden opgesplitst in subsystemen, subsubsystemen etc. Het maakt het, net als de driehoek van Pythagoras, mogelijk een geheel en zijn onderdelen in samenhang te bestuderen en te interpreteren. De leer van de hiërarchieën komt top down naar voren, te beginnen met de doorsnede Ruimte, Materie en Tijd. Het 3e beginsel correspondeert met deze drie-eenheid.

Voor onderzoek is het van belang op welk aggregatieniveau, ‘sub(sub)systeem’ de aandacht wordt gericht.

De Geheime Leer Deel II, Stanza 3 Pogingen tot het scheppen van de mens (p. 87):
Er is in een zuivere geest op ons gebied geen vermogen tot scheppen en geen zelfbewustzijn, tenzij zijn al te homogene, volmaakte – want goddelijke – natuur om zo te zeggen wordt vermengd met en versterkt door een al gedifferentieerde essentie. Alleen de onderste lijn van de driehoek – die de eerste triade voorstelt die emaneert uit de universele MONADE – kan dit benodigde bewustzijn op het gebied van de gedifferentieerde Natuur verschaffen. Maar hoe konden deze zuivere emanaties, die volgens dit beginsel oorspronkelijk zelf onbewust (in onze zin) moeten zijn geweest, van enig nut zijn bij het verschaffen van het benodigde beginsel, omdat zij het zelf nauwelijks konden hebben bezeten? Het antwoord is moeilijk te begrijpen, tenzij men goed bekend is met de filosofische metafysica van een beginloze en eindeloze reeks van kosmische wedergeboorten, en doordrongen is van, en vertrouwd raakt met die onveranderlijke Natuurwet die EEUWIGE BEWEGING is, cyclisch en spiraalvormig, en dus zelfs bij haar schijnbare teruggang progressief. Het ene goddelijke beginsel, het naamloze DAT van de Veda’s, is het universele geheel, dat noch in zijn geestelijke aspecten en emanaties, noch in zijn stoffelijke atomen, ooit in ‘absolute rust’ kan zijn, behalve tijdens de ‘nachten’ van Brahma.

Vierde wijsheidssleutel (Zelf-ontplooiing, Ether-paradigma, Steen der wijzen)

Shri Ramakrisjna Paramahamsa To see the world more clearly we may need to take off our glasses.

De 4e sleutel is de leer van svabhava (zelf-ontplooiing). Het betreft het principe van het unieke karakter van ieder wezen en klasse van wezens.
Zelfbewustzijn is de waarneming van wat er in iemands eigen geest omgaat, als het besef van het eigen bestaan.

De Geheime Leer Deel II, Stanza 1 Het begin van bewust leven (p. 35):
‘Elke wereld heeft haar moederster en zusterplaneet. Zo is de Aarde het geadopteerde kind en de jongere broer van Venus, maar haar bewoners hebben hun eigen aard . . . Alle bewuste voltooide wezens (volledig zevenvoudige mensen of hogere wezens) worden bij hun aanvang voorzien van vormen en organismen, geheel in harmonie met de aard en toestand van de sfeer die zij bewonen.’
‘De sferen van het Zijn of levenscentra, die afgezonderde kernen zijn die hun mensen en hun dieren voortbrengen, zijn talloos; niet één heeft ook maar enige gelijkenis met haar gezellin of met enige andere van haar eigen speciale nageslacht.’
‘Alle hebben een dubbele stoffelijke en geestelijke natuur.’ (Wet van zelfontplooiing)
‘De levenskernen zijn eeuwig en altijddurend; de kernen periodiek en eindig. De levenskernen maken deel uit van het absolute. Het zijn de schietgaten van die zwarte onneembare vesting, die voor altijd is verborgen voor de blik van de mens of zelfs de Dhyani. De kernen zijn het licht van de eeuwigheid, dat daaruit ontsnapt.’

Gottfried de Purucker, boek Grondslagen der Esoterische Wijsbegeerte, Deel II, hoofdstuk 46:
De verdeling in 7 en 3 is een natuurlijke verdeling. Er is een duidelijk onderscheid tussen de goddelijke werelden en de gemanifesteerde werelden, en deze verdeling in 7 en 3 laat dit zien.
Dit is een heel algemeen diagram, maar het toont wel hoe de tien element-beginselen functioneren: het goddelijke, het zuiver stoffelijke en het tussenliggende viertal. Maar om praktische redenen kunnen de tien beginselen van de mens, denk ik, het best worden verdeeld zoals in diagram hiernaast. Eerst komt natuurlijk de hoogste of goddelijke driehoek, een figuur die voor zichzelf spreekt. Vervolgens verdelen we het tussenliggende viertal in twee duaden. Bedenk alstublieft dat deze samengestelde tekening een symbolisch diagram is, dat uitsluitend wordt gebruikt om de zaak aanschouwelijk te maken. We hebben hier dus evenals eerst, bovenaan de goddelijke triade; dan de duade van de monade, ofwel âtma-buddhi. Dan de tweede of persoonlijke of astrale duade, manas en kâma. Vervolgens daaronder de omgekeerde driehoek, die slechts het voertuig, het lichaam, voorstelt – dat wil zeggen het sthûlasarîra en het lingasarîra en de prâna’s.

 

Tobbende binnenvetters, Elsevier 15 november 2003: In de visie van Kees van Lieshout, hoogleraar ontwikkelingspsychologie aan de katholieke universiteit Nijmegen, wordt extraversie bepaald door de wijze waarop mensen worden geactiveerd. Er is een duidelijk verschil tussen introverte en extraverte types bij prikkels uit de omgeving. Van Lieshout brengt liever een ander onderscheid aan tussen overcontrolers, undercontrolers, en veerkrachtige individuen. De veerkrachtige houden het (gulden) midden tussen beide extremen. De biologische bepaaldheid van persoonlijke eigenschappen verklaart mede de verschillen tussen 'mannen en vrouwen' . Overcontrolers zijn relatief vaak vrouwen, undercontrolers relatief vaak mannen. De overcontrolers met hun introverte aanleg zullen zich overigens eerder bij een psychotherapeut melden dan hun tegenhangers. Undercontrolers hebben de neiging anderen als de oorzaak van problemen aan te wijzen. Zij gedragen zich in de ogen van hun medemens vaak ook nogal ongevoelig, bot, agressief, antisociaal. Overcontrolers zoeken het probleem eerder bij zichzelf. Zij zijn plichtsgetrouw, hechten veel waarde aan de verwachtingen van hun omgeving.

Vijfde wijsheidssleutel (5e Dimensie, De verborgen 5e Dimensie, 5D-concept)

De 5e sleutel betreft het principe van voortschrijdende evolutie. De sleutel tot zelfbewust leven berust op het inzicht te beseffen dat beelden slechts ideeën zijn die zich in elkaar spiegelen en in feite een eenheid vormen. In het boek ‘De grote transformatie’ refereert Karen Amstrong aan de Spiltijd,
(Gert J. Peelen) artikel Het wezen van religie (Volkskrant 2 december 2005):
Want in De grote transformatie is de Spiltijd een eenmalig scharnierpunt in de geschiedenis van de mensheid, waarna een dimensie bleek toegevoegd aan het zelfbewustzijn, te weten die van het tragische besef van het menselijk tekort, het lijden daaraan, maar ook de ontdekking van transcendentie, het overstijgende dat te benoemen noch te bevatten, maar met wat moeite wel te ervaren is.

Roberto Assagioli, boek Psychosynthese (p. 29): Het persoonlijke zelf of ‘Ik’ (centrum, centraal punt in het ‘ei’ van Assagioli): Vanuit een bepaald gezichtspunt kan men dit verschil vergelijken met het verschil dat er bestaat tussen het witte, verlichte scherm, èn de verschillende beelden die erop geprojecteerd worden. …zij vereenzelvigen zichzelf met die opeenvolgende golvingen, met de steeds veranderende inhouden van hun bewustzijn (identificatie versus dis-identificatie).

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, (p. 69):
Niets is blijvend, behalve het ene verborgen absolute bestaan dat zich in zichzelf de noumena van alle werkelijkheden bevat. De bestaansvormen die tot ieder gebied van het zijn behoren, tot de hoogste Dhyan-Choan toe, hebben tot op zekere hoogte iets van schaduwen, die door een toverlantaarn op een kleurloos scherm worden geworpen; toch zijn alle dingen betrekkelijk reëel, want ook de waarnemer is een weerspiegeling, en de waargenomen dingen zijn daarom voor hem even werkelijk als hijzelf. De werkelijkheid die de dingen misschien bezitten, moet men erin zoeken vóór of nadat zij als een flits door de stoffelijke wereld zijn heengegaan; maar wij kunnen zo’n bestaan niet rechtstreeks waarnemen zolang wij waarnemingsinstrumenten hebben die slechts het stoffelijke bestaan binnen het bereik van ons bewustzijn brengen.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 16 Cyclische evolutie en karma (p. 715):
Kennis van karma geeft de overtuiging dat als
‘. . . de deugd wordt gekweld en de ondeugd zegeviert
De mensheid tot atheïsten wordt gemaakt’,
dat alleen zo is doordat die mensheid altijd haar ogen heeft gesloten voor de grote waarheid dat de mens zelf zijn eigen verlosser en zijn eigen vernietiger is; dat hij de hemel en de goden, de schikgodinnen en de voorzienigheid niet hoeft te beschuldigen van de schijnbare onrechtvaardigheid die te midden van de mensheid heerst.

Gottfried de Purucker, boek Grondslagen der Esoterische Wijsbegeerte, Deel I, hoofdstuk 3 (p. 37):
Niets is blijvend, behalve het ene verborgen absolute bestaan dat in zichzelf de noumena van alle werkelijkheden bevat. De bestaansvormen die tot ieder gebied van het zijn behoren, tot de hoogste Dhyan-Chohan toe, hebben tot op zekere hoogte iets van schaduwen, die door een toverlantaarn op een kleurloos scherm worden geworpen; toch zijn alle dingen betrekkelijk reëel, want ook de waarnemer is een weerspiegeling, en de waargenomen dingen zijn daarom voor hem even werkelijk als hijzelf. De werkelijkheid die de dingen misschien bezitten, moet men erin zoeken vóór of nadat zij als een flits door de stoffelijke wereld zijn heengegaan; maar wij kunnen zo’n bestaan niet rechtstreeks waarnemen zolang wij waarnemingsinstrumenten hebben die slechts het stoffelijke bestaan binnen het bereik van ons bewustzijn brengen.

G. de Purucker: Het vijfde juweel, is de leer van de evolutie. Deze esoterische leer is niet die van het transformisme, wat goed beschouwd de juiste naam is voor de materialistische leer van Darwin en van de Fransman Lamarck aan wie hij ongetwijfeld het denkbeeld ontleende. Het is eerder de theosofische gedachte van ontvouwing of ontwikkeling, een leer – met involutie als logisch gevolg – die door twee Sanskrietwoorden wordt weergegeven, waarvan het eerst pravritti is, dat de ‘ontplooiing’ betekent van de geestelijke entiteit in de stof, of van de andere kant gezien, van stoffelijke levens in geestelijke entiteiten; en het tweede is nivritti, dat de ‘inwikkeling’ van geestelijke entiteiten in de stof betekent, of van stoffelijke levens in geestelijke entiteiten.

Scott J. Osterhage: Het vijfde juweel, evolutie of het van binnenuit ontvouwen van latente kwaliteiten, ‘is de sleutel tot zelfbewust leven en bestaan, . . . want het doel, de methode en de werking van het universele bestaan is geheel gericht op de verheffing van het lagere tot het hogere. Dit grootse werk kan nooit worden volbracht door het ‘pad voor zichzelf’ . . . te volgen’ (op. cit.).

Zesde wijsheidssleutel (Zesde zintuig, Goed en Kwaad, Meta-leren, Symbool)

De 6e sleutel stelt dat dualiteit aan de basis van alle manifestatie ligt.

Het zesde juweel van wijsheid stelt dat dualiteit aan de basis van alle manifestatie ligt.
Krishna spreekt over de paren van tegenstelling in de Bhagavad Gita. Geest en materie zijn de twee polen van manifestatie. De wisselwerking tussen deze twee polen veroorzaakt alle vooruitgang en teruggang. Dit is een zeer diepzinnig onderwerp met vergaande filosofische implicaties.
We kunnen kiezen tussen zelfzuchtig handelen of onbaatzuchtige dienstverlening voor het welzijn van anderen. Zij die zelfzuchtig handelen beperkenhun bewustzijn tot een beperkt gebied van bestaan en ervaring. Zij die onbaatzuchtig werken voor het welzijn van het geheel breiden hun bewustzijn uit tot hogere, meer innerlijke, gebieden van bewustzijn. Dit zijn geleidelijke processen, uiteraard (hoewel enige versnelling mogelijk is door gerichte werkzaamheid!).
In het Boeddhisme is er een lering over het pad van mededogen. Zij die werken voor het welzijn van anderen en geen gevoelens van afgescheidenheid van anderen kennen (de grootste zonde in het Boeddhisme) betreden dit pad (niet voor zichzelf in de eerste plaats, maar om anderen beter te kunnen leren zichzelf te helpen). Zij weigeren zelfs de uiteindelijke bevrijding uit deze wereld (verzaken Nirvana) omdat zij dit niet wensen zolang als anderen nog lijden. Zij verlaten de arme mensheid niet , de grote wees, die zijn ouder [het Zelf] niet kent.
Dit is de meest verheven ethiek die ooit in de gehele geschiedenis van de mensheid onderwezen is!

Gottfried de Purucker, boek Grondslagen der Esoterische Wijsbegeerte, Deel I, Hoofdstuk 4: In ieder ‘mens’ van de ontelbare menigten zelfbewuste wezens die tot deze kosmos of dit heelal behoren, komen twee naturen samen, respectievelijk omhoog en omlaag gericht: één ervan is een geestelijke straal die hem met het meest goddelijke verbindt en zich vandaar in alle richtingen naar omhoog uitstrekt en voor hem in elk opzicht de schakel is met het onuitsprekelijke, het grenzeloze, dat daarom de kern, de essentie van zijn wezen is.

Hoofdstuk 15: Goed en kwaad ontstaan uit de tegenstrijdige werking van de multimyriaden willen in de verschijningswereld. Het goede is relatief; er is geen absoluut goed. Het kwade is relatief; er is geen absoluut kwaad. Beide zijn evenwel relatieve begrippen. ..etc. Zij contrasteren met elkaar. Deze beide groepen representeren twee fundamentele Paden in de Natuur, het ene het Pad der Rechter -, het andere dat der Linkerhand en worden aldus in het Oude Occultisme genoemd. Het ‘Pad der Linkerhand’ is Pratyeka-Yâna; en wij kunnen Pratyeka in dit verband door de omschrijving ‘ieder voor zich’ vertalen. Het ‘Pad der Rechterhand’ is Amrita-Yâna; dat het Onsterfelijk Voertuig of Pad der Onsterfelijkheid wordt genoemd. Het ene, het eerstgenoemde, is het pad der persoonlijkheid; het andere het laatstgenoemde, is het pad der individualiteit; het ene is het pad der stof, het andere is het pad van de geest; het ene leidt naar beneden; het andere Pad verliest zich in de onuitsprekelijke glorie van het bewuste onsterfelijke in de ‘eeuwigheid’. Dit nu zijn de twee groepen van wezens, die de beide zijden der Natuur vertegenwoordigen, en de conflicten en tegenstellingen van deze beide zijden der Natuur, tezamen met de strijd van wil tegen wil van de scharen wezens in het gemanifesteerde bestaan, veroorzaken het zogenaamde kwaad in de wereld, dat uit de zelfzuchtige werkzaamheid van de lagere of minder ontwikkelde of geëvolueerde wezens ontstaat.

Hoofdstuk 16: Het zesde juweel is de leer die eveneens door twee samengestelde woorden met een tegengestelde betekenis tot uitdrukking wordt gebracht: het eerste is amritayâna, een Sanskriet woord dat ‘onsterfelijkheidsvoertuig’ of ‘wagen of drager, of beter, pad van onsterfelijkheid’ betekent en betrekking heeft op de individuele mens; het andere is pratyekayâna, een Sanskrietwoord met de betekenis van (in eigen woorden weergegeven) het ‘pad van ieder voor zich’. Het is onmogelijk deze laatste samenstelling met een enkel woord te vertalen. Zowel het denkbeeld als het woord bestaan bij ons niet. Het kan misschien worden benaderd door de theosofische gedachte die in het woord persoonlijkheid ligt besloten. Het mysterieuze verband tussen individualiteit en persoonlijkheid komt in deze beide samengestelde woorden of technische termen tot uitdrukking, en daarop berust een hele leer of onderdeel van de prachtige filosofie van het occultisme, de esoterische leer.
Het pad der linkerhand loopt uiteindelijk dood. In plaats van evolutie leidt het tot devolutie.

Waar gaan we voor, waardoor laten we ons bezielen, het hogere of het lagere? Dualisme is de tweeheidsleer van tegenover of onafhankelijk naast elkaar staande beginselen, ter verklaring van een gegeven werkelijkheid hemel/aarde, lichaam/geest, buitenwerel/binnenwereld, God/mens, leerling/meester, goed/kwaad, ziek/gezond, leven/dood. Het menselijk verstand begrijpt de dingen slechts door contrast. Kortom, het dualisme is een kunstmatig door het denken aangebrachte scheiding die in feite dus niet staat.

Zevende wijsheidssleutel (Goddelijke wijsheid, 'Zeven zintuigen' en 'Ken uzelve')

H.P. Blavatsky Geheime Leer Deel I Theosofische misvattingen (p. 198):
Van de vier vidya’s – die behoren tot de in de Purana’s genoemde zeven takken van kennis – namelijk ‘yajna-vidya’ (het uitvoeren van religieuze riten om bepaalde gevolgen teweeg te brengen); ‘maha-vidya’, de grote (magische) kennis, die nu is ontaard in tantrika-eredienst; ‘guhya-vidya’, de wetenschap van de mantra’s en hun juiste ritme of manier van zingen, van mystieke bezweringen, enz. – kan alleen de laatste, ‘atma-vidya’ of de ware geestelijke en goddelijke wijsheid, een absoluut en definitief licht werpen op de leringen van de eerstgenoemde drie. Zonder de hulp van atma-vidya blijven de andere drie niet meer dan oppervlakkige wetenschappen, meetkundige grootheden die lengte en breedte hebben, maar geen dikte. Ze zijn als de ziel, de ledematen en het verstand van een slapend mens: in staat tot werktuiglijke bewegingen, tot verwarde dromen en zelfs tot slaapwandelen, en tot het teweegbrengen van zichtbare gevolgen, maar gestimuleerd door instinctmatige en niet door verstandelijke oorzaken, en allerminst door volkomen bewuste geestelijke impulsen. Uit de eerstgenoemde drie wetenschappen kan veel worden bekend gemaakt en verklaard. Maar tenzij atma-vidya de sleutel tot hun leringen verschaft, zullen ze altijd blijven als de stukken van een verscheurd leerboek, als de schaduwen van grote waarheden, die door de meest geestelijk ingestelden vaag worden onderscheiden, maar die uit elk verband worden gerukt door degenen die iedere schaduw aan de muur zouden willen spijkeren.

H.P. Blavatsky De zeven dhyanis in de gupta vidya

G. de Purucker: Het zevende juweel, wordt âtma vidyâ genoemd, dat letterlijk ‘kennis van het zelf’ betekent. Deze samenstelling is slechts een woord zoals de andere, maar ze belichaamt en verhult een leer die inderdaad verheven is.

Het 7e juweel gaat over het kennen van de bron, essentie ('quinta essentia', de kwintessens), kern van al het leven.
Wat is de oorsprong van alle dingen? Hoe wordt de Ene Essentie het vele, het gedifferentieerde leven? Deze vragen zijn fundamenteel in de filosofie. Ze betreffen de bron van alle manifestaties. Is het mogelijk om de oorsprong van het leven te kennen?
Ja, antwoordt de theosofie. In het hart of de kern van ieder wezen is universeel leven werkzaam. 'Gij zijt Dat', zeggen de Upanishads (heilige geschriften van India).
Ieder menselijk wezen kan deze goddelijke vonk binnenin ontdekken door hogere aspekten van het bewustzijn te ontwikkelen. Dit zal resulteren in een realisatie van de verbondenheid van alle wezens. Deze realizatie kan 'verlichting' genoemd worden en is een stapsgewijs, geleidelijk proces (progressieve evolutie) . Door het pad van mededogen te gaan, niet voor zichzelf in de eerste plaats maar voor het geheel, zal men de kern of de essentie van alles ontdekken. Hoeveel incarnaties dit duurt is niet zo belangrijk. We moeten leren in het hier en nu te leven en te doen wat ons gezonde verstand ons ingeeft. Geleidelijk zal ons onderscheidingsvermogen scherper worden en zullen we beter gaan (in)zien waar het om gaat in het leven.

We moeten leren in het hier en nu te leven en te doen wat ons gezonde verstand ons ingeeft. Geleidelijk zal ons onderscheidingsvermogen scherper worden en zullen we beter gaan (in)zien waar het om gaat in het leven.
Een synthese van religie, wetenschap en filosofie in éen systeem is in principe mogelijk en theosofie geeft daar een brede schets van.
Wel is het noodzakelijk hiervoor dat wetenschap bewustzijn als een fundamentele factor, de stuwende kracht achter de manifestatie, opneemt in haar paradigma. Anders zal de wetenschap tekort schieten in haar meest wezenlijke taak: ons helpen begrijpen hoe de natuur werkelijk werkt en zodoende ons motiveren om een gezond leven te leiden, gebaseerd op feiten in de natuur en niet op hersenschimmen.
Theosofie kan een hulp zijn bij het formuleren van een nieuw paradigma voor de diverse wetenschappen!

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, Stanza 5 Fohat: het kind van zevenvoudige hiërarchieën (p. 141):
Tegelijk met de ontwikkeling van het universele denkvermogen manifesteert zich de verborgen wijsheid van Adi-Boeddha – de ene opperste en eeuwige – als Avalokiteshvara (of gemanifesteerde Isvara), die de Osiris van de Egyptenaren, de Ahura-Mazda van de Zoroastriërs, de hemelse mens van de Hermetische filosofen, de logos van de platonici en de atman van de aanhangers van de Vedanta is.
160: Vandaar de allegorie. De lipika’s scheiden de wereld (of het gebied) van de zuivere geest van die van de stof. Zij die ‘afdalen en opklimmen’ – de incarnerende monaden en de mensen die streven naar loutering en die ‘opstijgen’, maar het doel nog niet geheel hebben bereikt – kunnen de ‘cirkel van het verder niet’ pas overschrijden op de dag ‘wees-met-ons’; op de dag waarop de mens zich bevrijdt van de boeien van de onwetendheid en volledig de niet-afgescheidenheid inziet van het ego binnen zijn persoonlijkheid – die hij ten onrechte als zijn eigendom beschouwt – van het UNIVERSELE EGO (anima supra-mundi) en daardoor opgaat in de Ene Essentie om niet alleen één ‘met ons’ te worden (de gemanifesteerde universele levens, die ‘EEN’ LEVEN zijn), maar juist dat leven zelf.
162: Vergelijk dit esoterische leerstuk met de gnostische leer uit de ‘Pistis-Sophia’ (kenniswijsheid); in deze verhandeling ziet men Sophia Achamoth die op weg naar het opperste licht is verdwaald in de wateren van de chaos (de stof), en Christos die haar bevrijdt en op het goede pad helpt. Let wel, bij de gnostici betekende ‘Christos’ het onpersoonlijke beginsel, de atman van het Heelal en de atma in de ziel van elk mens – niet Jezus, hoewel in de oude Koptische handschriften in het British Museum ‘Christos’ bijna altijd wordt vervangen door ‘Jezus’.
De Geheime Leer Deel I, Theosofische misvattingen (p. 198):
Van de vier vidya’s – die behoren tot de in de Purana’s genoemde zeven takken van kennis – namelijk ‘yajna-vidya’ (het uitvoeren van religieuze riten om bepaalde gevolgen teweeg te brengen); ‘maha-vidya’, de grote (magische) kennis, die nu is ontaard in tantrika-eredienst; ‘guhya-vidya’, de wetenschap van de mantra’s en hun juiste ritme of manier van zingen, van mystieke bezweringen, enz. – kan alleen de laatste, ‘atma-vidya’ of de ware geestelijke en goddelijke wijsheid, een absoluut en definitief licht werpen op de leringen van de eerstgenoemde drie. Zonder de hulp van atma-vidya blijven de andere drie niet meer dan oppervlakkige wetenschappen, meetkundige grootheden die lengte en breedte hebben, maar geen dikte. Ze zijn als de ziel, de ledematen en het verstand van een slapend mens: in staat tot werktuiglijke bewegingen, tot verwarde dromen en zelfs tot slaapwandelen, en tot het teweegbrengen van zichtbare gevolgen, maar gestimuleerd door instinctmatige en niet door verstandelijke oorzaken, en allerminst door volkomen bewuste geestelijke impulsen. Uit de eerstgenoemde drie wetenschappen kan veel worden bekend gemaakt en verklaard. Maar tenzij atma-vidya de sleutel tot hun leringen verschaft, zullen ze altijd blijven als de stukken van een verscheurd leerboek, als de schaduwen van grote waarheden, die door de meest geestelijk ingestelden vaag worden onderscheiden, maar die uit elk verband worden gerukt door degenen die iedere schaduw aan de muur zouden willen spijkeren.
Deel I, Samenvatting (p. 303):
Maar door zijn lagere persoonlijkheid te bedwingen en daardoor te komen tot de volledige kennis van het niet afgescheiden zijn van zijn hogere ZELF van het ene absolute ZELF, kan de mens zelfs tijdens zijn aardse leven ‘een van ons’ worden. Zo wordt de mens door het eten van de vrucht van de kennis, die de onwetendheid verdrijft, als een van de Elohim of van de Dhyani’s; en eenmaal op hun gebied gekomen, moet de geest van saamhorigheid en van volmaakte harmonie, die in iedere hiërarchie heerst, zich over hem gaan uitstrekken en hem in ieder opzicht beschermen.

Gottfried de Purucker, boek Grondslagen der Esoterische Wijsbegeerte, Deel II, Hoofdstuk 48: Gnw'qi seautovn, zeiden de Grieken: ‘Ken uzelf’, een gebod dat boven de tempel van Apollo in Delphi stond gegrift; deze opdracht bevat in twee woorden het hele geheim van inwijding en van de inwijdingen, omdat dit het pad omvat dat het zich uitbreidende bewustzijn in zijn groei volgt: ken uzelf.

Wim van den Dungen Kennis & Minne-Mystiek: De manier waarop Beatrijs van Nazareth (1200 – 1268) met 'de minne' omgaat leert ons iets over deze relatie (structuur & dynamiek). De 'Boom van het Leven' (Etz ha-Chayim) is het model van het spiritueel groeiproces vervat in het Oude Testament. Het omvat een 7-tal graden. De hoogste graad (de zevende) verleent toegang tot de directe ervaring van de Drieëenheid tussen 'Atiqa', de Oude, de Kroon of "oer-eenheid" (Kether of 1), 'Abba', de Hemelse Vader, de Wijsheid of "intuïtie" (Chockmah of 2) & 'Aima', de Hemelse Moeder, het Begrip of "cosmisch intellect" (Binah of 3). Dit geeft in totaal 10 graden.

Welke waarden en normen staan centraal?

<< vorige || volgende >>

Categorie: Artikelen | Rapport | Auteur: Harry Nijhof


Deze pagina werd sedert 16 dec. 2007 4193 keer bekeken.