Deze filognostische presentatie is in aanbouw

4.5 Non-lokaal bewustzijn, Sutratman

Mattheüs: . . . breed de weg, die tot het verderf leidt . . . en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden (7:13-14).
H.P. Blavatsky: … hetzij men zich naar de bloem van het oosten of naar de academies van het westen keert, het reizen langs het pad gebeurt zonder zich te bewegen. U bént het pad (De stem van de stilte).
Gottfried de Purucker: Terwijl we steeds dieper afdalen in de stof, bereiken we het menselijke stadium en verwerven daar zelfbewustzijn – een zelfbewustzijn dat met de tijd steeds groter wordt; en evolutie is niets anders dan een zich voortdurend beter tot uitdrukking brengen. Zo breidt zich het zelfbewustzijn weer uit tot universeel bewustzijn, wanneer we het keerpunt van de meest grove fysieke materie passeren en onze blik weer richten op de lange, lange weg omhoog naar het einde van onze planetaire periode.
P. Krishna: De wanorde die we om ons heen zien in de maatschappij is een projectie van de wanorde die aanwezig is in het menselijk bewustzijn.
Korzybski: The map is not the terrirory.

De inhoudsopgave van dit hoofdstuk heeft dezelfde indeling als de inhoudsopgave van hoofdstuk 1.5, maar verloopt tegengesteld aan de inhoudsopgave van de bijlage bij hoofdstuk 8.4.

Blauwdruk (Sutratman, Axis mundi, Akasha-veld, De zevenvoudige samenstelling)

Matteüs: Waar twee of drie verenigd zijn in mijn naam, ben Ik in hun midden (18,20).
G. de Purucker boek Wind van de Geest Chronologie (p. 337):
De opdracht van Pythagoras
Waar twee of drie zijn vergaderd . . .
Zichzelf geven
Inwijding en lijden
De beschermengel
Waak over uw gedachten
Vergeving en de werking van karma
Eén leven - één wet
De mens in een rechtvaardig en geordend heelal
De heuvel van inzicht
Het onoverwinnelijke vuur van de geest
De verborgen oorzaak van menselijke conflicten
Het wegen van het hart
Wat is ouderdom?
Materialisme, een verloren zaak (13 september)

Het woord sutratman voegt twee woorden sutra (draad) en atma (ziel) samen, de draad die de ziel (psyche) is.
Hoofdstuk 7 van de Bhagavad Gita:
(7) Voorbij het superieure van Mij, is er verder niets te vinden o overwinnaar van de weelde; in Mij is alles wat we zien aaneen geregen als parels aan een draad.

Thijs Prent Dualiteit in de evolutie: Het proces van de tweevoudige evolutie wordt prachtig verklaard door de term sutratman (”draadziel”): Het is deze sutratman, dit draad-zelf, deze bewustzijnsstroom of beter stroom van leven-bewustzijn, die het fundamentele en individuele Zelf van iedere entiteit is en die, weerspiegeld in en door de verschillende tussenliggende voertuigen of sluiers of omhulsels of gewaden van de onzichtbare constitutie van de mens of van ieder ander wezen waarin een monade zich hult, de egoïsche centra van het zelfbewuste bestaan voortbrengt.

Henk Spierenburg Subba Row's Studies in de Bhagavad Gita: het schema
'De vier beginselen in de geopenbaarde kosmos kunnen als volgt opgesomd worden: eerst Vaisvanara. Men moet Vaisvanara niet opvatten als alleen maar de geopenbaarde objectieve wereld, maar als de stoffelijke basis, waaruit de gehele objectieve wereld is ontstaan. Daarboven, één trede hoger, staat wat genoemd wordt Hiranyagarbha. Hier geldt hetzelfde: men moet Hiranyagarbha niet verwarren met de astrale wereld, daar het de basis van de astrale wereld is en daartoe in dezelfde verhouding staat als Vaisvanara tot de objectieve wereld. Daarna komt wat zo nu en dan Isvara genoemd wordt; aangezien dit woord echter licht misleidend is zal ik het niet gebruiken. In plaats daarvan zal ik dit beginsel bij een andere naam noemen, waarvan het gebruik eveneens van oudsher gerechtvaardigd is - Sutratman. En boven deze drie, zo wordt over het algemeen gezegd, staat Parabrahman.' (30-31).

De wijsheid van Pythagoras is met het esoterisch Boeddhisme verwand. De leer van Laozi en Confucius uit China is nauw met de filosofie van Pythagoras verweven. Het is namelijk ook op de drie kringlopen 'Scheppen, Behouden en Vernietigen' (Trimurti) gebaseerd. Dit komt ook naar voren wanneer de vijf-elementenleer van de Traditionele Chinese Geneeskunde met de boeddhistische invalshoek wordt vergeleken.

In het stelsel van een latere Pythagoreeër, Philolaus staat niet de aarde in het middelpunt, maar dat wat de haard wordt genoemd, waaromheen 10 hemellichamen draaien (10 was het perfecte getal). Ook de latere astronoom Hipparchus zal de aarde niet in het middelpunt van het heelal plaatsen.
Plato's natuurfilosofie is niet zo bekend, vooral omdat het werk waarin hij deze uiteenzet, de Timaeus, enigszins esoterisch is.
Volgens Aristoteles houdt de natuurkunde zich bezig met zaken die een eigen bestaan hebben, maar niet onveranderlijk zijn . Dit in tegenstelling tot de wiskunde die zich bezighoudt met zaken die onveranderlijk zijn, maar geen eigen bestaan kennen, en in tegenstelling tot de metafysica (in zijn terminologie de theologie) die zich bezighoudt met zaken die èn een eigen bestaan kennen, èn onveranderlijk zijn.

Wat is theosofie?
Het woord theosofie is afgeleid van theos – sophia (grieks) en betekent goddelijke wijsheid. Deze wijsheid verwijst naar de grote waarheden die in de loop der tijd door wijze mensen zijn ontdekt en verborgen in mythen, legenden en religieuze verhalen, zijn doorgegeven.
Deze grote waarheden laten in bedekte termen de grondbeginselen van het bestaan zien nl.:
Er is een alomtegenwoordig, eeuwig, grenzeloos en onveranderlijk beginsel, wij kunnen daar met ons denken niet bij. In de verschillende godsdiensten noemt men dit beginsel wel God, Allah, Krishna, Christus, Buddha, enz. Maar in feite gaat het om een universele Werkelijkheid, die niet benoemd kan worden, om Dat wat er was voor dat er iets was.
Uit deze onbekende en onkenbare Bron is het Zijn, het Leven voortgekomen.
Alles wat is, van een atoom tot en met de vele heelallen die nog niet ontdekt zijn, maar wel bestaan, is in beweging. Deze beweging voltrekt zich in oneindige cyclische processen van ontstaan en vergaan. Zoals een mens geboren wordt en op de bestemde tijd de laatste adem uitblaast en op de bestemde tijd weer een nieuw leven ontvangt, zo gebeurt dat met alle leven. De omstandigheden in het nieuwe leven (van de mens) zijn afhankelijk van het karma (de wet van oorzaak en gevolg), die bestaat uit de som van al zijn gedachten, gevoelens en handelingen) in het vorige leven. De mens is dus zelf verantwoordelijk voor zijn leven en zijn ontwikkeling, maar uiteindelijk zal hij worden wie hij ten diepste al is.
Heel belangrijk is het gegeven dat al het bestaan een is, m.a.w. er ligt een fundamentele eenheid ten grond slag aan al het leven. Wij moeten dat niet alleen in de uiterlijke betekenis zien, maar vooral ook innerlijk. Want in het diepste innerlijk van de mens, anderen zeggen in het hoogste, onzichtbare, geestelijke principe van de mens ligt de eeuwige kern die gelijk is aan de Universele Kern of Ziel van al het Leven. Deze kern is op zichzelf weer een aanzicht van het ‘Grote Onbekende’ van Dat.
Wie de uiterlijke Eenheid van al het bestaande ziet, beseft dat alles met alles verbonden is. Zo iemand zal zijn leven veranderen, eerbied en zorgzaamheid voor het leven worden dan een vanzelfsprekendheid.
Wie de innerlijke Eenheid met de Universele Ziel van al het Leven ziet, zal de geestelijke reis maken, zijn hart zal leeg zijn om te kunnen ontvangen. Zo iemand zal zijn leven veranderen, eerbied en zorgzaamheid voor het leven worden dan een vanzelfsprekendheid.
Nogmaals nadenkende over Dat Ene, alomtegenwoordige, eeuwige, grenzeloze en onveranderlijke beginsel, dat IS, zien wij uit alles waar wij nu over hebben nagedacht, dat Dat Ene beginsel terug te vinden is in de eeuwige Beweging van het Zijn, van het Bestaan dat Een is. Zien wij dat alles uit Dat Ene voortkomt en er weer in terugvloeit, zoals de golven van de zee zich scheiden van het grote water en naar de kust rollen en weer terug vloeien om te versmelten met het water en weer opnieuw zich losmaken en naar de kust rollen. Alles in een eindeloos ritme.
Zoals ook de Goddelijke Orde in een liefdevolle ritmische dans haar partner vrijlaat en weer bij zich opneemt, om haar weer te laten gaan in de ruimte van de vrijheid.
Als mens ben je vrij om, ongeacht de omstandigheden waar in je verkeert, te kiezen hoe je je leven wilt leiden. Je bent innerlijk vrij om een bewust levend mens te zijn. Als je denkt, dat je dat niet bent, dan heb je nog een eeuwigheid aan tijd voor je – of eigenlijk – daar leef je al in.
Hermes Trismegistos, een wijs mens, die lang geleden leefde, sprak de volgende woorden:

Zo binnen, zo buiten
Zo groot, zo klein
Zo boven, zo beneden
Er is slechts één Leven en Wet
En de besturende Kracht is één
Er is geen binnen, geen buiten
Geen groot, geen klein
Geen hoog, geen laag
In het goddelijk bestel.

What's in a name?
De Geheime Leer Deel II Stanza 4 Schepping van de eerste rassen (p. 118):
De onderstaande parallel lopende volgorde kan men vinden in de evolutie van de elementen en van de zintuigen; of in de kosmische aardse ‘mens’ of ‘geest’ en de sterfelijke stoffelijke mens:
1. ether Gehoor geluid
2. lucht Tastzin geluid en tastzin
3. vuur of licht Gezicht geluid, tastzin en kleur
4. water Smaak geluid, tastzin, kleur en smaak
5. aarde Reuk geluid, tastzin, kleur, smaak en reuk

Blavatsky Deel III, p. 514:  
VuurLuchtWaterAarde
Lente (Oost)Zomer (Zuid)Herfst (West)Winter (Noord)
Tastzin (voelen, Huid)Gezicht (zien, Ogen)Smaak (proeven, Tong)Reuk (ruiken, Neus)
KindsheidAankomende leeftijdVolwassenheidOuderdom

Chinese natuurfilosofieen de vijf elementenleer.
De vijf-elementenleer van de Traditionele Chinese Geneeskunde geeft van de vijf zintuigen deze doorsnede:

HoutVuurMetaalWater
Lente (Oost)Zomer (Zuid, Vuur)Herfst (West)Winter (Noord)
Ogen (zien)Tong (spreken)Neus (ruiken)Oren (horen)

Aarde, in het centrum: 5e Zintuig, Mond (proeven).
In de Traditionele Chinese Geneeskunde zijn spreken en horen wel complementair.

Procee geeft op (p. 56/57) van zijn boek een overzicht van innovatieve, interdisciplinaire grenswetenschappers. Bij de school van Pythagoras ging het om de combinatie van rekenkunde, sterrenkunde, meetkunde en muziek (DGL,Deel I, p. 475, zie onder).

Ervin Laszlo boek Kosmische Visie Wetenschap en het Akasha-veld (p. 183):
Erich Jantsch maakte mij attent op het werk – en later ook de persoon – van de uit Rusland afkomstige Nobelprijsdrager en thermodynamica-expert Ilya Prigogine. Diens concept van ‘dissipatieve structuren’ die onderhevig zijn aan periodieke bifurcaties (‘tweesprongen’) leverde mij de evolutionaire dynamiek die ik nodig had. Nadat ik dit concept met Prigogine had besproken, concentreerde ik mijn werk op wat ik de ‘algemene evolutietheorie’ noemde.

Ervin Laszlo en Jude Currivan boek KOSMOS een integrale visie op de wereld, (p. 79):
De ontelbare experimenten die in dit tijdsbetek met steeds grotere wetenschappelijke striktheid zijn uitgevoerd, hebben geleid tot het ontstaan van een wetenschappelijke immense databank die duidelijk maakt dat de hoeveelheid bewijzen van de realiteit van non-lokaal bewustzijn en non-lokale beïnvloeding waarlijk overstelpend is.

Anna Lemkow boek Het Heelheid Principe, hoofdstuk 7 De evolutietheorie en haar ontwikkeling (p. 182):
Zoals eerder werd opgemerkt verlaten een aantal biologen nu de gebruikelijke reductionistische tradities. Een voorbeeld is wijlen Erich Jantsch, die een ingewikkeld en werkelijk opmerkelijk boek schreef, The Self-Organizing Universe.
184: Het boek van Jantsch, dat voortbouwt op het werk van Ilya Prigogine, is een synthese van het werk van een aantal proces-gerichte wetenschappers te beginnen met Alfred North Whitehead en Jan Smuts.
Meer in het bijzonder past Jantsch de benadering van de dissipatieve structuren toe op het ontstaan van soorten, in het voetspoor van de scheikundige Manfred Eigen en de biologen Conrad Waddington, Paul Weiss, Humberto Maturana, Francisco Varela en Ricardo Uribe.
Hoofdstuk 20 Orde te midden van chaos (p. 386):
Nu is het zo dat Blavatsky naast de eenheid van al het bestaande het bestaan van periodiciteit als een fundamenteel principe veronderstelde. In haar schema ligt periodiciteit ten grondslag aan, en wordt het weerspiegeld in, de universele voortgang van alles wat bestaat in de richting van een hogere vorm van leven. Ze legde er de nadruk op – en hierop zou ik de aandacht willen vestigen – dat, terwijl verandering voortdurend plaatsvindt en alomtegenwoordig is, dit niet ongericht gebeurt en nooit ingaat tegen de innerlijke wet. (Dit is de overtuiging die ten grondslag ligt aan de Chinese visie op verandering zoals die voorkomt in de I Ching.) De kosmische dynamiek is nooit alleen maar willekeurig of blind of mechanisch maar, integendeel, vormt een uitdrukking van een innerlijke wet; bovendien is de innerlijke wet niet een blinde, mechanische, deterministische wet, maar een levende en intelligente. Het is een wetmatigheid die bevorderlijk is voor het samengaan van noodzakelijkheid en creativiteit in de natuur en in het menselijk leven, individueel en collectief; een wetmatigheid die vooruitgang op alle niveaus naar een hogere vorm van leven toestaat en bevordert.
388/389: We hebben de leer van karma besproken, en ook de chaostheorie van de wetenschap, die een aantal opmerkelijke parallellen met karma vertoont. Zowel karma als de chaostheorie berusten, zoals ik heb laten zien, op het holistische principe, en hebben te maken met het oplossen van de spanning tussen de krachten van instabiliteit en onevenwichtigheid aan de ene kant, en die van harmonie en creativiteit aan de andere.
De huidige aanblik van de planeet lijkt ordeloos en chaotisch te zijn, kenmerken die meestal als het tegendeel van orde worden beschouwd. Maar de leer van karma stelt (en de chaostheorie veronderstelt) dat zelfs destabiliserende gebeurtenissen onderworpen zijn aan een universele wet. De dynamiek die werkzaam is in de maatschappelijke aangelegenheden van vandaag vormt een illustratie van deze leer.

G. Barborka geeft in zijn boek Het Goddelijke plan - Menswording en Evolutie op pagina 596 een lijst van met Akasha gelijkwaardige termen:
Universele denkvermogen, Chaos, Gaea, Eros, Fohat en Drie Logoi.
610: In deze vroegste drieëenheid zijn dus Chaos (of veeleer Chaino), Chaia en Eros gelijk in betekenis aan Parabrahman (Ain-Soph), Mûlaprakriti en Fohat.

Jan Wicherink Eindeloos bewustzijn, Geen dualiteit tussen geest en lichaam
Via het lichaam ervaren we de grens tussen wat binnen en wat buiten onszelf is. Echter bestaat deze grens eigenlijk wel indien bewustzijn eindeloos is en alom aanwezig, zoals Van Lommel in zijn boek stelt? Zou deze grens niet gebaseerd zijn op een illusie die geschapen wordt door het bewustzijn zelf? Het bewustzijn is tijdens het leven immers ingekapseld in een fysiek lichaam en kent zijn informatie over de ‘buitenwereld’ enkel via beperkende receptoren, onze zintuigen. Op die manier helpen de zintuigen de ervaring te scheppen van een binnen en een buiten, van een zelf en een niet zelf, in feite dus de ervaring van het ego, afgezonderd van zijn omgeving.

De Stichting Advaya (Non-dualiteit) is opgericht als een raamwerk voor het werk van Philip Renard, dat zowel in ontmoetingen als in geschriften beoogt Non-dualiteit in het centrum van de aandacht te brengen.
Dit begrip ‘Zelf-realisatie’ is ontleend aan oosterse bevrijdingswegen, zoals Advaita Vedanta en Mahayana Boeddhisme.

Shankaracharya, (IAST: Śaṅkarācārya) is a commonly used title of heads of maţhas (monasteries) in the Advaita tradition. The title derives from Adi Shankara, a theologian of Hinduism, who established mainly four maţhas in four regions of India.

Vyâsadeva:
4) De term filognosie of liefde voor de kennis, hier gepresenteerd als de ware kennis, kent twee equivalenten in het Sanskriet: jñâna, spirituele, geestelijke kennis en âtmatattva, de werkelijkheid of het principe van het zelf of de ziel. De term vertegenwoordigt de alomvattende logica van het spiritueel bestrijken van al de zes basisvisies (darshana's) van het menselijke, culturele respect wat betreft het

 Filognosie:G. Glas
- feitelijke (de filosofie en de wetenschap),I Methode en WetenschapTussen hoger en lager in de mens
- het principiële (de analyse en de spiritualiteit) enII Analyse en SpiritualiteitTussen innerlijk en uiterlijk
- het persoonlijke (in religieuze en politieke zin).III De Persoon en de PolitiekTussen onmiddellijkheid en middellijkheid

Eenheid en harmonie van bewustzijn is het oogmerk van deze naturalistisch/idealistische liefde waarin men, teneinde de problemen van het niet-weten tegen te gaan, van lichamelijke oefening is, van meditatie, van studie, bezinning, vertoog, gezang en dienst aan God en de medemens, overeenkomstig de natuurlijke orde van de tijd in samenhang met de ether. Het is een syncretische benadering die naar behoren iedere vorm van materialisme, politieke associatie of wetenschappelijke denkwijze, zijn eigen afgebakende plaats en missie in de samenleving toewijst. Een filognost ontleent, in het trouw en gelovig zijn met de basisbeginselen van het geweldloze mededogen, de boetvaardigheid, de reinheid en de waarachtigheid, zijn bestaan deels aan religieuze benaderingen zo verschillend als het Hindoeïsme, het gnosticisme in al zijn culturele verscheidenheid, het Boeddhisme, het Taoïsme/Confucianisme, het Universele Soefisme en het Vaishnavisme (zie verder theorderoftime. org).
31) In deze tekst wordt de term bewustzijn filognostisch gedefinieerd als een staat van zijn; een vorm of integriteit van het gewaar zijn van een zeker verschil in de tijd. Men is, modern gesproken, op een bepaalde golflengte, in een zekere tijdmodus, of in een bepaald denkmodel bewust bezig met een manier van onderscheid maken die berust op de kennis van het zelf (identificaties), het lichaam (relaties) en de cultuur (het vertoog). Aldus spreekt men van een cultureel en een natuurlijk bewustzijn (asat en sat): cultureel een relatieve en instabiele, materialistische vorm van bewustzijn die, gebaseerd op materiële motieven, de tijd manipuleert; en, natuurlijk gesproken, een meer absoluut bewustzijn gebaseerd op het respect voor de orde van de zon, de maan en de sterren zoals men die waarneemt in de hemel.
34) 'AUM dat eeuwig' heeft betrekking op het standaardgebed om tat sat dat door brahmanen wordt uitgesproken bij de uitvoering van hindoe-offers. Naast de betekenis in de tekst gegeven, betekent het: 'O AUM, die gezegende, ware en oorspronkelijke naam van God, o pranava!' Het woord sat betekent waar en werkelijk, en het woord tat betekent letterlijk 'dat' en heeft betrekking op zowel de oorspronkelijke werkelijkheid als het principe zoals in de context van het woord tattva, wat letterlijk 'die staat van zijn' betekent. Ook vindt men het terug in de uitdrukking tat tvam asi, hetgeen 'dat zijt gij' betekent, een mantra die verwijst naar de getuige en het zich vergewissen als men in meditatie de werkelijkheid onder ogen ziet zoals die is. In westerse termen zeggen we dingen als 'dat is het 'm' en 'dat is dat', hetgeen ongeveer hetzelfde inhoudt: wees tevreden met de dingen zoals ze zijn. Het latijnse woord amen, 'zo zij het', in het Christendom gebruikt, laat zich in het Sanskriet vertalen als astu, het woord voor 'laat het voor wat het is'.

De Geheime Leer Deel II, Stanza 6 De evolutie van de zweetgeborenen (p. 171):
Analogie is de leidende wet in de Natuur, de enige ware draad van Ariadne, die ons langs de onontwarbare wegen van haar domein kan voeren naar haar eerste en laatste mysteriën. De Natuur is als scheppend vermogen oneindig, en geen enkele generatie van natuurkundigen kan zich er ooit op beroemen de lijst van haar middelen en methoden te hebben uitgeput, hoe uniform de wetten die zij volgt ook zijn.
De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk 18 Over de mythe van de ‘gevallen engel’ (p. 558):
De Geheime Leer wijst op het vaststaande feit dat de mensheid, collectief en individueel, met de hele gemanifesteerde natuur, het voertuig vormt (a) van de adem van het Ene universele Beginsel in zijn eerste differentiatie; en (b) van de talloze ‘adems’ die voortkomen uit die ENE ADEM in zijn secundaire en verdere differentiaties, naarmate de Natuur met haar vele mensengeslachten afdaalt naar de gebieden die steeds in stoffelijkheid toenemen. De primaire adem bezielt de hogere hiërarchieën; de secundaire – de lagere, op de steeds afdalende gebieden.

H.P. Blavatsky Geheime Leer Deel I, Proloog (p. 36/37):
‘De kennis van de absolute geest is evenals de glans van de zon of de hitte in het vuur niets anders dan de absolute essentie zelf’, zegt Sankaracharya. HET – is ‘de geest van het vuur’, niet het vuur zelf, daarom ‘zijn de eigenschappen van het laatste, hitte of vlam, niet de eigenschappen van de geest, maar van dat waarvan de geest de onbewuste oorzaak is’. Is de bovenstaande zin niet de ware grondtoon van de latere rozenkruisersfilosofie? Parabrahm is kortom het verenigde totaal van de Kosmos in zijn oneindigheid en eeuwigheid, het ‘DAT’ en ‘DIT’, dat niet kan worden opgevat als een samenvoeging van een aantal subtotalen. ‘In het begin was DIT het Zelf, slechts één’ (Aitareya Upanishad); de grote Sankaracharya verklaart dat ‘DIT’ betrekking had op het Heelal (jagat); omdat de woorden ‘in het begin’ betekenen: vóór het opnieuw voortbrengen van het Heelal van verschijnselen.
Geheime Leer Deel I, Stanza 4 De zevenvoudige hiïrarchieën (p. 117):
Er is een passage in de Bhagavadgita (hfst. viii), waarin Krishna symbolisch en esoterisch spreekt en zegt: ‘Ik zal de tijden (de omstandigheden) noemen . . . waarop de toegewijden die (uit dit leven) heengaan, nooit zullen terugkeren (worden herboren), of waarop ze wel terugkomen (om weer te incarneren). Het vuur, de vlam, de dag, de heldere (voorspoedige) veertien dagen, de zes maanden van de noordelijke zonnestilstand – zij die daarin heengaan (sterven) en het Brahman kennen (de yogi’s), gaan naar Brahman. Maar als de toegewijde sterft in rook, in de nacht, in de donkere (rampspoedige) veertien dagen, in de zes maanden van de zuidelijke zonnestilstand, dan gaat hij naar het maanlicht (of de woonplaats van de maan, ook het astrale licht), en keert hij terug (wordt hij herboren). Men zegt dat deze twee paden, het heldere en het donkere, in deze wereld (of grote kalpa, ‘eeuw’) eeuwig zijn. Langs het ene gaat de mens en komt nooit terug; langs het andere komt hij terug.’ Deze benamingen nu, ‘vuur’, ‘vlam’, ‘dag’, de ‘heldere veertien dagen’, enz., evenals ‘rook’, ‘nacht’, enz., die slechts leiden naar het einde van het pad van de maan, zijn zonder kennis van de esoterie onbegrijpelijk. Het zijn allemaal namen van verschillende godheden, die de kosmisch-psychische krachten beheersen. Wij spreken vaak over de hiërarchie van de ‘vlammen’ (zie Deel II), de ‘zonen van het vuur’, enz. Sankaracharya, de grootste van de esoterische meesters van India, zegt dat vuur een godheid betekent die over de tijd (kala) heerst. De bekwame vertaler van de Bhagavadgita, Kashinath Trimbak Telang, M.A. te Bombay, erkent dat hij ‘geen helder begrip heeft van de betekenis van deze verzen’ (blz. 81, voetnoot). Voor de kenner van de occulte leer zijn ze daarentegen heel duidelijk. Deze verzen staan in verband met de mystieke betekenis van de zonne- en maansymbolen: de pitri’s zijn maangodheden en onze voorouders, omdat ze de stoffelijke mens schiepen. De agnishvatha’s, de kumara’s (de zeven mystieke wijzen), zijn zonnegodheden, hoewel de eerstgenoemden ook pitri’s zijn, en ze zijn de ‘vormgevers van de innerlijke mens’.
Geheime Leer Deel I, Theosofische misvattingen (p. 191/192):
De betekenis is echter eenvoudig deze: iedere ‘Ronde’ brengt een nieuwe ontwikkeling en zelfs een volkomen verandering teweeg in de verstandelijke, psychische, geestelijke en lichamelijke gesteldheid van de mens, waarbij al deze beginselen trapsgewijs in opgaande lijn evolueren. Hieruit volgt dat personen die, zoals Confucius en Plato, psychisch, verstandelijk en geestelijk tot de hogere evolutiegebieden behoorden, in onze vierde Ronde even ver waren als de gemiddelde mens zal zijn in de vijfde Ronde, waarvan de mensheid is bestemd om op deze evolutieladder veel hoger te staan dan onze tegenwoordige mensheid. Op dezelfde manier was Gautama Boeddha – de geïncarneerde wijsheid – nog hoger en groter dan de genoemde mensen, die vijfde-ronders heten, en worden Boeddha en Sankaracharya allegorisch zesde-ronders genoemd. Vandaar de verborgen wijsheid van de destijds ‘ontwijkend’ genoemde uitspraak, ‘dat een paar regendruppels nog geen moesson maken, al kondigen ze die aan’.
Geheime Leer Deel I, Feiten en verklaringen over de bollen en de monaden (p. 198):
Van de vier vidya’s – die behoren tot de in de Purana’s genoemde zeven takken van kennis – namelijk ‘yajna-vidya’ (het uitvoeren van religieuze riten om bepaalde gevolgen teweeg te brengen); ‘maha-vidya’, de grote (magische) kennis, die nu is ontaard in tantrika-eredienst; ‘guhya-vidya’, de wetenschap van de mantra’s en hun juiste ritme of manier van zingen, van mystieke bezweringen, enz. – kan alleen de laatste, ‘atma-vidya’ of de ware geestelijke en goddelijke wijsheid, een absoluut en definitief licht werpen op de leringen van de eerstgenoemde drie. Zonder de hulp van atma-vidya blijven de andere drie niet meer dan oppervlakkige wetenschappen, meetkundige grootheden die lengte en breedte hebben, maar geen dikte. Ze zijn als de ziel, de ledematen en het verstand van een slapend mens: in staat tot werktuiglijke bewegingen, tot verwarde dromen en zelfs tot slaapwandelen, en tot het teweegbrengen van zichtbare gevolgen, maar gestimuleerd door instinctmatige en niet door verstandelijke oorzaken, en allerminst door volkomen bewuste geestelijke impulsen. Uit de eerstgenoemde drie wetenschappen kan veel worden bekend gemaakt en verklaard. Maar tenzij atma-vidya de sleutel tot hun leringen verschaft, zullen ze altijd blijven als de stukken van een verscheurd leerboek, als de schaduwen van grote waarheden, die door de meest geestelijk ingestelden vaag worden onderscheiden, maar die uit elk verband worden gerukt door degenen die iedere schaduw aan de muur zouden willen spijkeren.
Geheime Leer Deel I, Stanza 7 De voorvaderen van de mens op aarde (p. 250):
(a) Deze sloka geeft uitdrukking aan het begrip – zoals elders is verklaard, rechtstreeks afkomstig uit de Vedanta – van een levensdraad, sutratma (draad-ziel), die door opeenvolgende generaties loopt.'
263: (b) De slotzin van deze sloka laat zien hoe archaïsch het geloof en de leer zijn dat de mens zevenvoudig van samenstelling is. De draad van het zijn, die de mens bezielt en door al zijn persoonlijkheden of wedergeboorten op deze aarde loopt (een verwijzing naar sutratma), de draad waaraan bovendien al zijn ‘geesten’ zijn geregen – is gesponnen uit de essentie van het ‘drievoud’, het ‘viervoud’ en het ‘vijfvoud’, die al de voorafgaande bevatten.
265: (a) De uitdrukking ‘door de zeven werelden van maya’ heeft hier betrekking op de zeven bollen van de planeetketen en de zeven ronden of de 49 fasen van actief bestaan, die de ‘vonk’ of monade vóór zich heeft bij het begin van elke ‘grote levenscyclus’ of manvantara. De ‘draad van fohat’ is de eerder genoemde levensdraad.
266: Wat is die ‘vonk’, die ‘aan de vlam hangt’? Het is JIVA, de MONADE, in verbinding met MANAS, of liever met het aroma ervan – dat, wat van elke persoonlijkheid overblijft, wanneer deze het waardig is, en wat door de levensdraad is verbonden met atma-buddhi, de vlam.
De Geheime Leer Deel I, Samenvatting (p. 298):
Sri Sankaracharya, de grootste ingewijde die in historische tijden heeft geleefd, schreef menig Bhashya op de Upanishads. Er zijn echter redenen om aan te nemen dat zijn oorspronkelijke verhandelingen nog niet in handen van de Filistijnen zijn gevallen, want ze worden heel angstvallig in zijn maths (kloosters, mathams) bewaard. En er zijn nog veel gewichtiger redenen om te geloven dat de onschatbare Bhashya’s (toelichtingen) op de esoterische leer van de brahmanen, geschreven door hun grootste vertolker, nog eeuwenlang een dode letter zullen blijven voor de meeste hindoes, behalve voor de Smartava brahmanen.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 12 De theogonie van de scheppende goden (p. 466/467):
De Babyloniërs gingen stilzwijgend aan dit beginsel voorbij: ‘Die god’, zegt Porphyrius in Περὶ ἀποχῆϛ ἐμψύχων, ‘die boven alle dingen is, behoort men niet toe te spreken, noch met uitgesproken woorden, noch met innerlijke taal . . .’ Hesiodus begint zijn theogonie met: ‘De Chaos werd van alle dingen het eerst voortgebracht’2, waaruit men kan afleiden dat men aan de oorzaak of de voortbrenger ervan met eerbiedig stilzwijgen moet voorbijgaan. Homerus gaat in zijn gedichten niet verder dan de Nacht, die hij door Zeus laat vereren. Volgens alle theologen van de oudheid en de leringen van Pythagoras en Plato is Zeus, de directe schepper van het heelal, niet de hoogste god; evenmin als Sir Christopher Wren in zijn fysieke menselijke aspect de GEEST in hem is, die zijn grote kunstwerken heeft voortgebracht. Homerus zwijgt daarom niet alleen over het eerste beginsel, maar ook over de twee beginselen die direct op het eerste volgen, de Aether en de Chaos van Orpheus en Hesiodus en het begrensde en de oneindigheid van Pythagoras en Plato3. . . . Proclus zegt over dit hoogste beginsel: ‘Het is . . . de eenheid van alle eenheden en boven de eerste adyta . . . onuitsprekelijker dan alle stilte en occulter dan alle essentie . . . verborgen te midden van de kenbare goden.’ (Ibid.)
467/468: Men zou nog iets kunnen toevoegen aan wat Thomas Taylor in 1797 schreef, namelijk dat de ‘joden blijkbaar niet hoger zijn gekomen . . . dan tot de directe schepper van het heelal’, want ‘Mozes plaatst een duisternis op de afgrond, zonder zelfs maar aan te geven dat er een oorzaak voor haar bestaan was’4. De joden hebben in hun bijbel (een zuiver esoterisch, symbolisch boek) hun zinnebeeldige godheid nooit zo diep onteerd als de christenen, toen deze Jehova als hun enige levende en toch persoonlijke God aannamen.
Dit eerste of liever ENE beginsel werd ‘de cirkel van de hemel’ genoemd, weergegeven door het heilige symbool van een punt binnen een cirkel of een gelijkzijdige driehoek, waarbij het punt de LOGOS is. Zo wordt in de Rig Veda, waarin Brahmâ; zelfs niet wordt genoemd, de kosmogonie voorafgegaan door de hiranyagharba, ‘het gouden ei’ en prajāpati (later Brahmā), uit wie alle hiërarchieën van ‘scheppers’ voortvloeien. De monade of het punt is het oorspronkelijke en is de eenheid waaruit het hele getallenstelsel voortkomt. Dit punt is de Eerste Oorzaak, maar aan DAT waaruit het voortvloeit of liever, waarvan het de uitdrukking, de logos is, wordt stilzwijgend voorbijgegaan. Op zijn beurt was het universele symbool, het punt binnen de cirkel, nog niet de architect, maar de oorzaak van die architect; en de laatste stond tot het punt in precies dezelfde betrekking als het punt zelf tot de omtrek van de cirkel, die volgens Hermes Trismegistus niet kan worden bepaald. Porphyrius toont aan dat de monade en de duade van Pythagoras overeenkomen met Plato’s oneindige en eindige in ‘Philebus’ – of wat Plato het ἄπειρον en πέραϛ noemt. Alleen het laatste (de moeder) is werkelijk, het eerste is de ‘oorzaak van alle eenheid en de maat van alle dingen’ (Vit. Pyth., blz. 47); zo laat men zien dat de duade (Mulaprakriti, de SLUIER) de moeder van de logos is en tegelijkertijd zijn dochter – d.w.z. het voorwerp van zijn waarneming – de voortgebrachte voortbrengster en de secundaire oorzaak ervan. Bij Pythagoras keert de MONADE naar stilte en duisternis terug, zodra deze de triade heeft ontwikkeld, waaruit de overige zeven van de 10 (tien) getallen voortvloeien die aan het gemanifesteerde heelal ten grondslag liggen.
469: De beste metafysische definitie van de oorspronkelijke theogonie in de geest van de aanhangers van de Vedanta kan men vinden in de Notes on the Bhagavad-Gita door T. Subba Row. (Zie Theosophist van februari 1887.) Parabrahmam, het onbekende en het onkenbare, zoals de spreker zijn toehoorders meedeelt:
‘. . . Is geen ego, en ook geen niet-ego, en evenmin bewustzijn . . . het is zelfs niet atma’ . . . ‘maar hoewel zelf geen voorwerp van kennis, is het toch in staat als basis en oorzaak te dienen voor alle soorten objecten en alle soorten bestaan die een voorwerp van kennis worden. Het is de ene essentie, waaruit een centrum van energie tot bestaan komt . . .’, dat hij logos noemt.
Deze logos is de Sabda Brahmam van de hindoes, die hij zelfs niet Īśvara (de ‘heer’ God) zal noemen, opdat de term de geest van de mensen niet in verwarring zal brengen. Maar het is de Avalokiteśvara van de hindoes, het Woord van de christenen in zijn werkelijke esoterische betekenis, niet in zijn theologische vervorming.
‘Het is’, zegt hij, ‘de gnatha; of het ego in de Kosmos, en elk ander ego . . . is er slechts de weerspiegeling en manifestatie van . . . Tijdens de pralaya bestaat het in een latente toestand in de schoot van Parabrahmam. . . .’ (Tijdens het manvantara) ‘heeft het een eigen bewustzijn en individualiteit . . .’ (Het is een centrum van energie, maar) . . . ‘zulke centra zijn bijna ontelbaar in de schoot van Parabrahmam. Men moet niet veronderstellen dat zelfs de logos de schepper is, of dat deze maar een enkel centrum van energie is . . . hun aantal is bijna oneindig.’ ‘Dit ego’, voegt hij eraan toe, ‘is het eerste dat in de Kosmos verschijnt, en is het doel van alle evolutie. Het is het abstracte ego’ . . . dit is de eerste manifestatie (of aspect) van Parabrahmam’.
472: Maar er zijn in de universele esoterie, de oosterse en de westerse, twee verschillende aspecten in al die personificaties van de vrouwelijke natuurkracht of van de natuur, het noumenale en het fenomenale. Het ene is haar zuiver metafysische aspect, zoals dat door de geleerde spreker in zijn Notes on the Bhagavad-Gita wordt beschreven; het andere is aards en stoffelijk en tegelijk, van het standpunt van een praktische, menselijke opvatting en van het occultisme, goddelijk. Het zijn alle de symbolen en personificaties van de Chaos, de ‘grote diepte’ of de oorspronkelijke wateren van de Ruimte, de ondoordringbare SLUIER tussen het ONKENBARE en de logos van de schepping. ‘Terwijl hij zich door zijn geest met Vāch verbond, schiep Brahmā (de logos) de oorspronkelijke wateren.’ In de Kathaka Upanishad staat het nog duidelijker: ‘Prajāpati was dit Heelal. Vāch was zijn helpster. Hij verbond zich met haar . . . zij bracht deze wezens voort en ging Prajāpati weer binnen11.’
473: Zoals al is gezegd, is Aditi-Vāch de vrouwelijke logos of het ‘woord’, verbum; en Sephira in de Kabbala is hetzelfde. Al deze vrouwelijke logoi zijn in hun noumenale aspect wisselwerkingen van licht, geluid en ether, waaruit blijkt hoe goed de Ouden op de hoogte waren, zowel van de natuurwetenschap (zoals wij die nu kennen) als van het ontstaan van die wetenschap in de geestelijke en astrale sferen.
473/474: Zo zijn Vāch, Shekinah of de ‘muziek van de sferen’ van Pythagoras één, als we onze voorbeelden ontlenen aan de drie (schijnbaar) meest uiteenlopende religieuze filosofieën van de wereld – die van de Hindoes, de Griekse en de Chaldeeuws-Hebreeuwse.
475: Dit zal de onderzoeker helpen begrijpen waarom Pythagoras de godheid (de logos) als het centrum van eenheid en de ‘bron van harmonie’ beschouwde. Wij zeggen dat deze godheid de logos was, niet de MONADE, die in eenzaamheid en stilte woont, omdat Pythagoras leerde dat de EENHEID, die immers ondeelbaar is, geen getal is. En daarom werd ook van de kandidaat, die zich aanmeldde voor toelating tot zijn school, verlangd dat hij als voorbereiding daarop de rekenkunde, sterrenkunde, meetkunde en muziek had bestudeerd, die als de vier onderdelen van de wiskunde werden beschouwd15. Dit verklaart verder waarom de pythagoreeërs beweerden dat de leer van de getallen – in de esoterie de belangrijkste – door de hemelse godheden aan de mens was geopenbaard; dat de wereld uit de Chaos tevoorschijn was geroepen door geluid of harmonie, en opgebouwd volgens de beginselen van de muzikale verhoudingen; dat de zeven planeten die het lot van de stervelingen beheersen, een harmonieuze beweging hebben ‘en intervallen die overeenkomen met die in de muziek, waardoor verschillende geluiden ontstaan, die zo volmaakt harmonieus zijn dat ze de liefelijkste melodie voortbrengen, die voor ons onhoorbaar is, alleen al door de grootsheid van het geluid, dat onze oren niet kunnen opvangen’. (Censorinus.)
15) Justinus de Martelaar deelt ons mee, dat hij op grond van zijn onbekendheid met deze vier wetenschappen door de pythagoreeërs als kandidaat voor toelating tot hun school werd afgewezen.
485: In de vroegste exoterische hindoekosmogonieën is het zelfs niet de Demiurg die schept. Want in een van de Purāna’s staat: ‘De grote architect van de wereld geeft de eerste impuls tot de draaiende beweging van ons planetenstelsel, door achtereenvolgens over elke planeet en elk lichaam heen te stappen.’ Deze handeling ‘veroorzaakt dat elke bol om zichzelf heen gaat draaien, en alle rond de zon’. Hierna zijn het de brahmandica, de zonne- en maanpitri’s (de Dhyani-Chohans) ‘die tot het einde van de kalpa de zorg voor hun respectievelijke sferen (aarden en planeten) op zich nemen’. De scheppers zijn de rishi’s, van wie de meesten als de schrijvers van de mantra’s of hymnen van de Rig Veda worden beschouwd. Soms zijn het er zeven, soms tien, als zij prajāpati, de ‘Heer van de wezens’, worden; dan worden ze weer de zeven en de veertien Manu’s, als vertegenwoordigers van de zeven en veertien cyclussen van Bestaan (dagen van Brahmā’); zo komen zij met de zeven Aeonen overeen, als zij aan het einde van het eerste stadium van evolutie worden veranderd in de zeven sterre-rishi’s, de saptarshi, terwijl hun menselijke dubbelgangers op deze aarde verschijnen als helden, koningen en wijzen.
H.P. Blavatsky Deel I, hoofdstuk 14 De vier elementen (p. 505):
In de latere oudheid wordt in het algemeen over slechts vier elementen gesproken; alleen in de filosofie erkent men er vijf. Want het lichaam van de ether is nog niet volledig gemanifesteerd en zijn noumenon is nog ‘de almachtige Vader – Aether, de synthese van de rest’.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 9 De zonnetheorie (p. 599):
Intussen gaat de occultist verder, zoals in de toelichtingen op de zeven stanza’s is aangetoond. Hij kan dan nauwelijks hopen op enige hulp of erkenning van de wetenschap, die zowel zijn ‘anīyāmsam anīyasām’ (het absoluut spirituele atoom), als zijn mānasaputra’s – ‘uit het denkvermogen geboren mensen’ – zal verwerpen. Door het ‘enkelvoudige stoffelijke element’ te herleiden tot één absoluut onoplosbaar element – geest of ‘wortelstof’, en het zo tegelijkertijd buiten het bereik en het terrein van de natuurfilosofie te plaatsen – heeft de occultist natuurlijk maar weinig gemeen met de orthodoxe wetenschappers. Hij beweert dat geest en stof twee FACETTEN zijn van de onkenbare EENHEID, en dat hun schijnbaar tegengestelde aspecten afhankelijk zijn van (a) de verschillende graden van differentiatie van de stof en (b) de graden van bewustzijn die door de mens zelf zijn bereikt. Dit is echter metafysica en heeft weinig te maken met fysica – hoe groot in haar eigen aardse beperktheid die natuurfilosofie nu ook mag zijn.
599/600: Niettemin, als de wetenschap eenmaal, zo niet het werkelijke bestaan, dan in ieder geval de mogelijkheid van het bestaan erkent van een Heelal met zijn talloze vormen, toestanden en aspecten, opgebouwd uit een ‘enkelvoudige substantie’4, dan moet zij verdergaan. Tenzij ze ook de mogelijkheid van één element erkent, of het ENE LEVEN van de occultisten, zal ze die ‘enkelvoudige substantie’, vooral als deze wordt beperkt tot de zonne-nevelvlekken, evenals de doodkist van Mohammed midden in de lucht moeten ophangen, hoewel zonder de magneet die de kist ondersteunt. Al zijn we niet in staat met enige mate van nauwkeurigheid vast te stellen wat de nevelvlektheorie wel betekent, dankzij prof. Winchell en enkele sterrenkundigen die het daarmee niet eens zijn, hebben we, gelukkig voor de speculatieve natuurkundigen, wel kunnen leren wat deze niet betekent5. (Zie boven).
4) In zijn World-Life – blz. 48 – zegt prof. Winchell in de toegevoegde voetnoten: ‘Men erkent algemeen dat de stof bij uitzonderlijk hoge temperaturen in een niet gebonden toestand verkeert – dat wil zeggen, dat er geen scheikundige verbinding kan bestaan.’ Hij zou om de eenheid van de stof te bewijzen, een beroep willen doen op het spectrum, dat bij elk geval van homogeniteit een heldere lijn zal laten zien, terwijl in het geval dat er verschillende moleculaire rangschikkingen bestaan – bijvoorbeeld in de nevelvlekken of in een ster – ‘het spectrum uit twee of drie heldere lijnen moet bestaan’! Dit zou geen bewijs vóór of tegen zijn voor de natuurkundige-occultist, die stelt dat – buiten een bepaalde grens van zichtbare stof – spectrum, telescoop en microscoop van geen enkel nut zijn. De eenheid van de stof, van wat voor de alchemist werkelijke kosmische stof is, of ‘aarde van Adam’, zoals de kabbalisten deze noemen, kan moeilijk worden bewezen of weerlegd, niet door de Franse geleerde Dumas, die wijst op ‘de samengestelde aard van de ‘elementen’ op grond van bepaalde verhoudingen van atoomgewichten’, en zelfs niet door de ‘stralende stof’ van Crookes, hoewel zijn experimenten het best schijnen ‘te worden begrepen volgens de hypothese van de homogeniteit van de elementen van de stof en de continuïteit van de toestanden van de stof’. Want dit alles gaat niet verder dan de stoffelijke materie, om zo te zeggen, zelfs niet in wat het spectrum laat zien, dat moderne ‘oog van Śiva’ van de fysische experimenten. Het is alleen over deze stof dat St. Claire Deville kon zeggen dat ‘als lichamen, waarvan men denkt dat ze enkelvoudig zijn, zich met elkaar verbinden, ze verdwijnen en als individu worden vernietigd’, eenvoudig omdat hij die lichamen niet kon volgen in hun verdere vormverandering in de wereld van de spirituele kosmische stof. De hedendaagse wetenschap zal werkelijk nooit diep genoeg in de kosmologische formaties kunnen doordringen om de wortels te vinden van de wereldstof of materie, tenzij ze langs dezelfde gedachtelijnen werkt als de middeleeuwse alchemist.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 15 Goden, Monaden en Atomen (p. 675):
Enige jaren geleden merkten we op dat we ‘de esoterische leer heel goed de ‘draad-leer’ kunnen noemen omdat zij, evenals sutratman in de Vedāntafilosofie2, door alle oude filosofische religieuze stelsels loopt en deze verbindt, en ze alle met elkaar in overeenstemming brengt en verklaart’. We zeggen nu dat ze nog meer doet. Niet alleen brengt ze de verschillende en schijnbaar tegenstrijdige stelsels met elkaar in overeenstemming, maar ze controleert de ontdekkingen van de hedendaagse exacte wetenschap en toont aan dat sommige ervan juist moeten zijn, omdat ze worden bevestigd in de oeroude geschriften. Dit alles zal men ongetwijfeld hoogst ongepast en oneerbiedig vinden, een schennis van de wetenschap; niettemin is het een feit.
2) De ātman of geest (het geestelijke ZELF), dat als een draad door de vijf ijle lichamen (of beginselen, kośa’s) gaat, wordt in de Vedāntafilosofie ‘draad-ziel’ of sutrātman genoemd.
685: Bovendien brengt in de kabbala de naam YHVH (of Jehova) een hij èn een zij tot uitdrukking, mannelijk en vrouwelijk, twee in één, of hokhmah en binah, en zijn (of liever hun) shekinah of samenvattende geest (genade), die van de duade opnieuw een triade maakt.
Deel I, hoofdstuk 16 Cyclische evolutie en karma (p. 705):
705: Het antwoord van de brahmaan zou ook zijn opgekomen bij iedere filosoof uit de oudheid, bij iedere kabbalist en gnosticus van vroegere tijden. Het bevat de ware geest van de Delfische en kabbalistische geboden, want de esoterische filosofie loste eeuwen geleden het vraagstuk op van wat de mens was, is en zal zijn; van de oorsprong en de levenscyclus van de mens – eindeloos in zijn duur van opeenvolgende incarnaties of wedergeboorten – en tenslotte van zijn opneming in de bron waaruit hij voortkwam.
706: Maar we kunnen de natuurwetenschap nooit vragen om de mens als het raadsel van het verleden of van de toekomst aan ons uit te leggen; want geen filosoof kan ons zelfs zeggen wat de mens is, zoals zowel de fysiologie als de psychologie hem kennen.
713: Zij worden in de esoterie van het oosten de karmische cyclussen genoemd. Sinds in het westen de heidense wijsheid werd verworpen, omdat deze zou zijn voortgekomen uit en ontwikkeld door de duistere machten van wie men aanneemt dat ze voortdurend in oorlog zijn en strijd voeren met de kleine stamgod Jehova, is daar de volledige en ontzagwekkende betekenis van de Griekse nemesis (of karma) geheel vergeten. Anders zouden de christenen beter de diepe waarheid hebben begrepen, dat Nemesis geen eigenschappen heeft; dat, terwijl de gevreesde godin als beginsel absoluut en onveranderlijk is, wij het zelf zijn – volkeren en individuen – die haar tot handeling brengen en de stoot geven in de richting waarin ze werkt. Karma-nemesis is de schepper van volkeren en stervelingen, maar als zij eenmaal zijn geschapen, maken zij van haar een furie of een belonende engel. Inderdaad:
‘Wijs zijn degenen die Nemesis vereren’8
8) Die karma-Nemesis vrezen zou beter zijn.
– zoals het koor tot Prometheus zegt. En even onverstandig zijn zij die geloven dat de godin door welke offers en gebeden ook, gunstig kan worden gestemd, of dat haar wiel kan worden afgebracht van het pad dat het eenmaal heeft ingeslagen. ‘De drievormige schikgodinnen en de altijd waakzame furiën’ zijn alleen op aarde haar attributen, en ze zijn door onszelf voortgebracht. Van de paden van haar kringloop is geen terugkeer mogelijk; toch hebben wij die paden zelf gemaakt, want wij zelf, collectief of individueel, bereiden ze voor.

H.P. Blavatsky Deel II, Stanza 1 Het begin van bewust leven (p. 45):
Dit is een zonder scrupules verstoffelijken van het geestelijke. Maar de Kabbala werd niet altijd zo goed aangepast aan antropo-monotheïstische opvattingen. Vergelijk dit met een van de zes scholen van India, onverschillig welke. Neem bijvoorbeeld de ‘sankhya’filosofie van Kapila: tenzij purusha allegorisch gesproken op de schouders van prakriti klimt, blijft de laatste irrationeel, terwijl purusha zonder prakriti onwerkzaam blijft. Daarom moet de Natuur (in de mens) een samenstelling worden van geest en stof, vóór hij wordt wat hij is; en de in de stof latente geest moet geleidelijk tot leven en bewustzijn worden gewekt. De monade moet door haar delfstoffen-, plantaardige en dierlijke vormen heengaan, voordat het licht van de logos in de dierlijke mens wordt ontstoken. Daarom kan men de laatstgenoemde tot dan toe geen ‘MENS’ noemen, maar moet hij worden beschouwd als een monade die is gevangen in steeds veranderende vormen. In de filosofische stelsels van het oosten, zelfs in hun exoterische geschriften, erkent men evolutie, geen schepping, door middel van WOORDEN. Ex oriente lux. Zelfs de naam van de eerste mens in de mozaïsche bijbel had zijn oorsprong in India, ondanks de ontkenning daarvan door professor Max Müller. De joden hadden hun Adam uit Chaldea; en Adam-Adami is een samengesteld woord en daarom een veelvoudig symbool, en bewijst de occulte dogma’s.
46: ‘De ideële natuur’, de abstracte Ruimte waarin alles in het Heelal op geheimzinnige en onzichtbare manier wordt voortgebracht, vormt zowel in de vedische als in iedere andere kosmogonie dezelfde vrouwelijke kant van de scheppende kracht in de Natuur. Aditi is Sephira en de Sophia-Achamoth van de gnostici en Isis, de maagdelijke moeder van Horus. In iedere kosmogonie is er achter en boven de scheppende godheid een hogere godheid, een ontwerper, een architect, van wie de schepper slechts de uitvoerder is. En nog hoger, boven en rondom, op innerlijke en uiterlijke gebieden, is er het ONKENBARE en het onbekende, de bron en oorzaak van al deze emanaties . . .
De Geheime Leer Deel II, Stanza 3 POGINGEN TOT HET SCHEPPEN VAN DE MENS (p. 87):
Maar de ware esoterische betekenis is, dat de meeste van hen waren bestemd om te incarneren als de ego’s van de komende oogst van de mensheid. Het menselijke ego is noch atman noch buddhi, maar het hogere manas: de verstandelijke verwezenlijking en ontplooiing van de intellectuele zelfbewuste zelfzucht – in hogere geestelijke zin. De oude boeken noemen het karana sarira op het gebied van sutratma, dat is de gouden draad waaraan de verschillende persoonlijkheden van dit hogere ego als kralen zijn geregen. Indien de lezer werd gezegd, zoals in de half-esoterische allegorieën, dat deze wezens terugkerende nirvani’s waren uit voorafgaande mahamanvantara’s – tijdperken van onberekenbare duur die in de eeuwigheid zijn verlopen, een nog minder berekenbare tijd geleden – dan zou hij de tekst nauwelijks goed kunnen begrijpen, terwijl sommige kenners van de Vedanta misschien zouden zeggen: ‘Dit is niet zo; de nirvani kan nooit terugkeren’, wat waar is voor het manvantara waartoe hij behoort, maar onjuist als de eeuwigheid wordt bedoeld. Want in de heilige sloka’s wordt gezegd:
De stralende draad die onvergankelijk is en slechts in nirvana oplost, komt daaruit ongeschonden weer tevoorschijn op de dag waarop de Grote Wet alle dingen tot werkzaamheid terugroept. . . .
De Geheime Leer Deel II, Edens slangen en draken (p. 243):
Zo weinig hebben de eerste christenen (door wie de joden van hun bijbel werden beroofd) de esoterische betekenis van de eerste vier hoofdstukken van Genesis begrepen, dat zij nooit bemerkten dat met deze ongehoorzaamheid niet alleen geen zonde werd bedoeld, maar dat de ‘slang’ in werkelijkheid ‘de Heer God’ zelf was, die evenals de Ophis, de logos of de drager van goddelijke, scheppende wijsheid, aan de mensheid leerde op hun beurt scheppers te worden29. Zij hebben nooit beseft dat het kruis zich heeft geëvolueerd uit de ‘boom en de slang’ en zo de verlossing van de mensheid werd. Hierdoor zou het het eerste fundamentele symbool van de Scheppende Oorzaak worden, toepasbaar op de meetkunde, op getallen, op de sterrenkunde, op maten en op dierlijke voortplanting. Volgens de Kabbala kwam de vloek over de mens bij het vormen van de vrouw30. De cirkel werd gescheiden van zijn middellijn.
29) De lezer wordt eraan herinnerd dat in de Zohar en ook in alle kabbalistische boeken wordt beweerd dat ‘Metatron verenigd met Shekinah’ [of Shekinah als de sluier (genade) van Ain-Soph] die de logos voorstelt, de boom van kennis zelf is; terwijl Shamaël – het duistere aspect van de logos – alleen de schors van die boom bewoont, en alleen de kennis van het KWADE heeft. Zoals Lacour, die in het schouwspel van de val (hfst. iii, Genesis) een voorval zag dat tot de Egyptische inwijding behoorde, zegt: ‘De boom van de waarzeggerij of van de kennis van goed en kwaad . . . is de wetenschap van Tzyphon, de genius van de twijfel; Tzy is onderwijzen en phon is twijfel. Tzyphon is een van de aleim; we zullen hem straks tegenkomen onder de naam Nach, de verleider.’ (Les OEloim, Deel II, blz. 218.) Hij staat nu bij de kenners van de symboliek bekend onder de naam JEHOVA.
30) Dit is de opvatting die alle kerkvaders hebben aanvaard, maar het is niet de werkelijke esoterische leer. De vloek begon niet bij het vormen van man of vrouw, want hun scheiding was een natuurlijk gevolg van de evolutie, maar bij het overtreden van de wet (zie boven).
De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk De rassen met het ‘derde oog’ (p. 330):
Karshipta is de menselijke denk-ziel en de godheid daarvan, die bij de oude magiërs werd gesymboliseerd door een vogel, en bij de Grieken door een vlinder. Zodra Karshipta de vara of mens was binnengetreden, begreep hij de wet van Mazda of de goddelijke wijsheid. In het ‘Book of Concealed Mystery’ wordt over de boom, die de boom van kennis van goed en kwaad is, gezegd: ‘In zijn takken (van de boom) wonen de vogels en bouwen zij hun nesten’, of hebben de zielen en de engelen hun plaats7! Daarom was de boom bij de kabbalisten een soortgelijk symbool. ‘Vogel’ was een Chaldeeuws, en werd later een Hebreeuws synoniem en symbool voor engel, een ziel, een geest of deva; en het ‘vogelnest’ was bij beiden de hemel, en is in de Zohar de schoot van God. De volmaakte messias treedt Eden binnen ‘op de plaats die het vogelnest wordt genoemd’ (Zohar, ii, 8b). ‘Zoals een vogel die van zijn nest vliegt, en dat is de ziel van wie de shekinah (goddelijke wijsheid of genade) zich niet verwijdert’ (Zohar, iii, 278a; Qabbalah van Myer, 217). ‘Het nest van de eeuwige vogel, van wie het klapwieken leven voortbrengt, is grenzeloze ruimte’, zegt de Toelichting, die Hansa, de vogel van de wijsheid betreft.
De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk 19 Is pleroma de legerstede van satan? (p. 583):
De val was het gevolg van de kennis van de mens, want zijn ‘ogen werden geopend’. In ieder van ons is die gouden draad van voortgaand leven – dat periodiek wordt verdeeld in actieve en passieve cyclussen van zintuiglijk bestaan op aarde en bovenzinnelijk bestaan in devachan – vanaf het begin van ons verschijnen op deze aarde aanwezig. Het is de sutrātma, de lichtende draad van onsterfelijk onpersoonlijk monadeschap, waaraan onze aardse levens of voorbijgaande ego’s als evenzoveel kralen zijn geregen – volgens de prachtige uitdrukking van de Vedantafilosofie.

Deel III, p. 547: Metafysisch en wijsgerig is de mens als volledige eenheid samengesteld uit vier eeuwige grondbeginselen en door de beginselen voortgebrachte tijdelijke drie aanzichten op deze aarde.

G. de Purucker Occulte woordentolk Een handboek van oosterse en theosofische termen
Sûtrâtman (Sanskriet). Een samengesteld woord dat 'draadzelf' betekent, de gouden draad van de individualiteit - de stroom van zelfbewustzijn - waaraan, om zo te zeggen, alle substantie-beginselen van de menselijke constitutie zijn geregen als parels aan een gouden keten. Het Sûtrâtman is de stroom van leven-bewustzijn die loopt door al de verschillende substantie-beginselen van de constitutie van de menselijke entiteit, of van ieder andere entiteit. Iedere parel aan de Gouden Keten is een van de ontelbare persoonlijkheden die de mens gebruikt in de loop van zijn manvantara-lange evolutionaire ontwikkeling. Men kan daarom in het kort zeggen dat het Sûtrâtman de onsterfelijke of geestelijke monadische ego is, de Individualiteit die in leven na leven incarneert en daarom terecht het 'DraadZelf' of Fundamentele Zelf wordt genoemd.
Het is dit SutrÂtman, dit Draad-Zelf, deze bewustzijnsstroom of beter stroom van leven-bewustzijn, die het fundamentele en individuele Zelf van iedere entiteit is en die, weerspiegeld in en door de verschillende tussenliggende voertuigen of sluiers of omhulsels of gewaden van de onzichtbare constitutie van de mens of van ieder ander wezen waarin een monade zich hult, de egoïsche centra van het zelfbewuste bestaan voortbrengt. Het Sûtrâtman is daarom geworteld in de monade, de monadische essentie.

G. de Purucker boek Wind van de Geest hoofdstuk De rechtstreekse weg naar wijsheid
Wat is eigenlijk de rechtstreekse weg naar wijsheid? Ik denk dat dit de belangrijkste gedachte is waarmee we ons in deze tijd kunnen bezighouden. Kan iemand duidelijk omschrijven wat die rechtstreekse weg naar wijsheid is, vergeleken met de weg die we de indirecte zouden kunnen noemen?
Die indirecte weg kan ook worden beschreven als de weg die van buiten komend naar ons bewustzijn leidt: de weg van onderricht, de gebruikelijke weg van kerken en collegezalen; voor bepaalde mensen soms misschien nuttig en stimulerend; maar kunnen we deze weg of dit pad werkelijk aanduiden als de weg naar wijsheid?
De rechtstreekse weg naar wijsheid is de weg of het pad van innerlijk licht, van inzicht, dat voortvloeit uit innerlijke inspanning en ervaring; die weg is door elk van de grote leraren van de mensheid geschetst, op zijn minst in het kort. In mystieke termen kan hij ook worden omschreven als de weg die een mens heeft afgelegd als hij – min of meer volledig – één is geworden met de god in hem. Dat is de rechtstreekse weg.

Collectief leerproces (Ethiek, 'Globale brein en Cybernetica', Individueel en Collectief)

Nicolas Chamfort: De publieke opinie is de slechtst denkbare opinie.
Willem van Ewijk: De politiek is geen beroep, maar een taak van alle burgers gezamenlijk. (Volkskrant 10 mei 2012)

Waar kan het gedachtegoed van Habermas geplaatst worden? In de filosofische traditie is Habermas niet los te denken van de wikipn:Frankfurter Schule of ook wel de wikipn:kritische theorie waarvan Habermas de tweede generatie vormt. In de beginperiode was hij dientengevolge ook gevoelig voor de invloeden die de eerste generatie, vertegenwoordigd door Adorno en Horkheimer, heeft ondergaan van onder andere Georg Lukács en Karl Marx en later Herbert Marcuse. De eerste generatie kritiseerde de dialectiek van Hegel en keerde die zelfs om, maar hield er nog wel aan vast. Als joodse denkers wilden zij de gruwelen van het Nationaalsocialisme doordenken. Dit is niet mogelijk met de dialectiek van Hegel, waarin “Das Ganze das Wahre ist”. Sommige filosofen verwerpen Hegel en het collectieve denken omdat hiermee het naziregime te legitimeren zou zijn. Door omkering van Hegels dialectiek maakt het algemene plaats voor het bijzondere, een maatschappelijk proces dat zich in de loop van de 20de eeuw voltrokken heeft, in aansluiting op de filosofische vernieuwingen die er aan vooraf gingen. Alle wilsfilosofen, zoals Schopenhauer, Kierkegaard, Marx, Darwin en Nietzsche zijn vertegenwoordigers van deze filosofische omslag in het denken van collectief naar individueel. Dit proces, van individualisering,heeft vervolgens een groot deel van de 20ste eeuw nodig om in maatschappelijk processen door te dringen.

Prof. Hofstede: De menselijke natuur is wat alle menselijke wezens met elkaar gemeen hebben.
De kern van een cultuur wordt gevormd door waarden. Een waarde is een collectieve neiging om een bepaalde gang van zaken te verkiezen boven anderen. Waarden behoren tot de eerste dingen die kinderen leren – niet bewust, maar impliciet. Waarden zijn gevoelens met een richting: een plus- en een minpool. Zij hebben betrekking op:

Goed tegenoverSlecht
SchoonVuil
MooiLelijk
NatuurlijkOnnatuurlijk
NormaalAbnormaal
LogischParadoxaal
RationeelIrrationeel

In de culturele antropologie komt het gedrag van de mens tot uiting. Kan men ooit wel het innerlijk van de zogenaamde primitieve volken kennen?, zo heeft menigeen zich wanhopig afgevraagd. Maar moderne onderzoekers stellen, dat men daartoe maar het hele culturele gedrag van zulke mensen moet beschrijven en interpreteren. Want uit de manier waarop de mens zich cultureel gedraagt, blijkt zijn innerlijk. Het ‘Wat’ wordt in het ‘Hoe’ aan de dag gebracht. Het wenselijke en het gewenste onderscheiden zich van elkaar door de aard van de normen die in het geding zijn. Normen zijn standaarden voor waarden die binnen een groep of categorie mensen gelden. Wanneer men vraagt naar het ‘wenselijke’ dan is de norm absoluut en geeft aan wat ethisch (spiritueel) juist is. Bij het ‘gewenste’ is de norm statisch van aard, en gebaseerd op de keuzen die feitelijk door de meerderheid worden gemaakt. Het wenselijke is meer een vorm van ideologie, het gewenste van praktijk. Hoe duidelijk komt juist in deze functionele fase aan de dag, dat de cultuur geen zelfstandig naamwoord, maar een werkwoord is. Cultuur is de manier waarop de mens zich uitdrukt, de wijze waarop hij de juiste relaties tracht te vinden tot alles wat hem omgeeft. In het bijzonder is cultuur een strategie om de verhoudingen tot de machten in goede banen te leiden. Daarom is juist ook de relatie tot het goddelijke steeds in het geding binnen een cultuur.

Het Es van Freud en het epithumia van Plato staan tegenover de onderbuikgevoelens in de samenleving.

Kennis ontstaat door de integratie (Gnosis) van knower, het proces van knowing en know. Het samenvallen van de triade correleert met de uitspraak van Robbert Dijkgraaf dat de mens slechts een onmisbare schakel in de ultieme cirkelredenering is.
De waarnemer en het waargenomene zijn uiteindelijk één en hetzelfde. Robert Dijkgraaf duidt met de mens als schakel tussen wetenschap en natuur op het fenomeen van waarnemer en waargenomene. Net als Simon Vinkenoog plaatst hij de mens in de ultieme cirkelredenering centraal.
Of met andere woorden (Wim van den Dungen Sepher Yetzirah): Indien we 'sepher' met ruimte en 'sephar' met tijd vergelijken, dan betreft 'sippur' (of 'communicatie') de 'quintessense' of 'vijfde dimensie'. Het boek Blikwisselingen van Robbert Dijkgraaf heeft op het fenomeen wederkerigheid betrekking.

Esoterisch is de éne werkelijkheid Ain-Soph (Parabrahm) en exoterisch is de éne werkelijkheid 'Scheppingsleer en de Evolutieleer'.
Ain-Soph staat symbool voor de basis en bron van de Eenheid in Verscheidenheid. Er wordt van de esoterische uitleg van de openbaring van Johannes gebruik gemaakt. Exoterisch staat de éne werkelijkheid voor het concept van de hoofdroute.

Het ‘of-of’ bestaat bij gratie van het 'en-en', dualisme bij gratie van het non-dualisme. Schepping en evolutieleer staan niet los van elkaar, maar vullen elkaar aan. De ENE WERKELIJKHEID (de ‘Werkelijkheid’ met hoofdletter W), bestaat echt. De evolutieleer bestaat bij gratie van de scheppingsleer, het atheïsme bij gratie van het theïsme, tweespalt bij de gratie van eenspalt, de dood bij gratie van het leven.

Uitspraken, die bevestigen dat het wenselijk is met de keerzijde van de objectieve werkelijkheid, de subjectieve werkelijkheid rekening te houden:
Willis Harman Global Mind Change The Promise of the Last Years of the Twentieth Century:
Harman begint vooruitlopend met Roger Sperry, ontvanger van de Nobelprijs geneeskunde in 1981. Die schreef in het hoofdartikel van de Annual Review of Neuroscience over het belang van de subjectieve ervaring, een tot dan toe verwaarloosd terrein van onderzoek. Hij signaleerde een verborgen ontwikkeling als volgt (ingekort):
“In plaats van het bewustzijn te verloochenen of te negeren erkent de nieuwe interpretatie het primaat van het innerlijk bewustzijn, gezien als een causale realiteit, volledig” (18).

Interview Jan Derksen, klinisch psycholoog ‘Emoties zie je niet op een scan’ (Volkskrant 26 februari 2011)
Processen in de hersenen maken onderdeel uit van de biopsychosociale hutspot die wij allemaal zijn.
Wat zegt neuroloog Jan van Gijn (Volkskrant 19 februari 2011), na veertig jaar neurologische praktijk? Onbegrepen pijnklachten, zoals buikpijn en rugklachten, verklaar je niet met scans. Daarvoor moet je het verhaal, de privéomstandigheden van de patiënt kennen. Dat is een verhaal vol emoties en gevoelens. Die zie je niet op een scan.
Voorwoord: Aanvankelijk was Jan van Gijn ook 'afgericht' als orgaandokter. Pas later begon hij te beseffen dat de geneeskunde het dogma van de scheiding van lichaam en geest overboord moet zetten.

Interview met de neuroloog Jan van Gijn ' We zijn geen som van organen' (Volkskrant 19 februari 2011 katern Wetenschap)
Voorwoord: Aanvankelijk was Jan van Gijn ook 'afgericht' als orgaandokter. Pas later begon hij te beseffen dat de geneeskunde het dogma van de scheiding van lichaam en geest overboord moet zetten.

Lennart Booij: We moeten van het lekkers afblijven (Volkskrant 13 juli 2010)
Misschien is het mijn gedegen calvinisme, mijn geloof in gezamenlijkheid of solidariteit. Maar nu we maatschappelijk min of meer weer in hetzelfde schuitje zitten, is het zaak de reis zo aangenaam mogelijk te maken. Dat doen we volgens mij het beste door het ouderwetse begrip ‘wederkerigheid’weer centraal te stellen.
Dat betekent dat je je niet meer als instant te bevredigen consument kunt opstellen, maar als betrokken burger die zich mee verantwoordelijk voelt voor het geheel. Dat vereist een mentale omslag die door de politiek moet worden voorgeleefd. De AOW naar 67 jaar, een bonus op het afbetalen van je eigen huis, studieleningen voor de rijkere student, een WW-beperking, een hogere zorgpremie en bankenbelasting zijn maar enkele van de maatregelingen die door een nieuw kabinet onverwijld zullen moeten worden genomen. Maar de bedoelde wederkerigheid gaat verder. ‘Samen investeren in onze eigen toekomst‘ zou de kernboodschap van het nieuwe kabinet moeten zijn.

Zorg eerst dat het geld de leerling bereikt (Presley Bergen Volkskrant 4 januari 2010)
Het staat vast dat van de ruim 30 miljard, meer dan de helft niet ten goede komt aan het primaire proces. Het is de overheid die uiteindelijk verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het onderwijs. Zij weigert echter scholen te dwingen financieel transparant te zijn en daarmee schiet zij in eigen voet.
Presley Bergen laat zien hoe sterk de afgelopen vijftien jaar de bureaucratie in het onderwijs is toegenomen.

Christine Mummery: Dear Mr. Darwin (Volkskrant 5 december 2009):
Komt regeneratie ook voor bij de mens? In beperkte mate wel: vingertoppen en longblaasjes van kleine kinderen kunnen weer aangroeien, en als onze lever beschadigd is door tumoren of alcohol, kan deze zich grotendeels herstellen. Maar waarom kunnen onze ledematen zoals vingers of tenen dat niet, zoals bij de salamander?
Deze vraag wordt vaak gesteld aan stamcelonderzoekers die zich bezighouden met regeneratieve geneeskunde. Het zou een uitkomst zijn voor verkeers- of oorlogsslachtoffers.
Heeft de evolutie de mens in de steek gelaten? Zouden we niet het liefst de evolutie willen omkeren om dat vermogen tot regeneratie terug te winnen? Of hebben we in plaats van regeneratie iets ontwikkeld dat veel nuttiger is voor onze overleving?
Onderzoek heeft aangetoond dat een eiwit met de bijzondere naam sonic hedgehog of shh bij regeneratie betrokken is.
Verlies van de mogelijkheid tot ledemaatregeneratie kan gedurende de evolutie dus juist onze redding zijn geweest. Het zorgde ervoor dat wij een veel hogere leeftijd kunnen bereiken dan de kikker of salamander.
Omgekeerde evolutie? U zou dat wellicht geen goed idee hebben gevonden.

Het beleid van Georg W. Bush is gebaseerd op het principe van voor-ons-of-tegen-ons. De regering Bush verdeelt de wereld in vrienden en mensen die geen vrienden zijn van Amerika, de cultuur van ‘wie niet voor ons is, is tegen ons’. Door een conflict al vanuit de zwart-wit, 'of-of' optiek te benaderen kom je niet dichter bij een oplossing. Te vaak hoor je de doctrine ‘Wat goed is voor Amerika is goed voor de rest van de wereld’. Amerika is bevangen door de ‘as van het kwaad’ en schiet daarmee in de eigen voet. Machteloosheid komt naar voren door de angst voor het gevaar van massavernietigingswapens in Irak, die achteraf nog steeds niet zijn gevonden. Opnieuw blijkt dat de angst voor gevaar gevaarlijker is dan het gevaar zelf.

Transitie naar holistische en integrale geneeskunde
Stelling: Er moet of zal een transitie komen naar een fundamenteel andere manier waarop in de geneeskunde naar de mens wordt gekeken. Hier kan een woord voor bedacht worden: Holisme of in een verwante term: Integrale geneeskunde.

De Amerikaanse internist Richard Gerber heeft in het boek Handboek Energetische Geneeskunde diverse geneeswijzen op een rijtje gezet waarbij hij als rode draad heeft gekozen: de energie. Dit kan zijn licht, geluid, elektriciteit, magnetisme, straling e.d.: allerlei vormen van energie die in diverse geneeswijzen worden gebruikt. Na een inleidende uitleg over energie in het algemeen komt hij als vanzelf op de homeopathie, kruidengeneeskunde, helderziendheid, accupunctuur en kristaltherapie. Bij al deze geneeswijzen onderzoekt hij de rol van de energie.
Al lezende kom je tot de conclusie dat het eigenlijk dus geen verschillende geneeswijzen zijn, alleen de interpretaties van energie verschillen.

Licht
Dr.Fritz Albert Popp bewees dat de cellen van alles wat leeft bio-fotonen uitstralen ofwel elektronen. De aura, die met het Kilian-apparaat gefotografeerd kan worden bestaat uit een uitstraling van elektronen. In de reguliere geneeskunde is er ook iemand die er mee werkt. Het is de Nederlandse psychiater Ling Kan. Hij introduceerde in 1987 de auroscoop, een product van westerse technologie, waarmee hij aura’s en chakra’s zichtbaar maakt.

Involutie in de geneeskunde.

Immanuel Kant:
Verlichting is daar waar mensen de onmondigheid afleggen die zij aan zichzelf te wijten hadden. Onmondigheid is daar waar mensen niet in staat zijn hun verstand te gebruiken zonder zich daarbij door een ander te laten leiden. Mensen hebben de onmondigheid aan zichzelf te wijten wanneer dat onvermogen niet berust op een gebrek aan verstand, maar op het ontbreken van de vaste wil en de moed om het verstand dat zij hebben ook te gebruiken zonder zich daarbij door een ander te laten leiden. Sapere aude! (Durf te WETEN) Waag het om het verstand dat je hebt zelf te gebruiken! is dus het wachtwoord van de Verlichting.

Konrad Dietzfelbinger boek Mysterie scholen (p. 185):
Het ging hier – dat was de ervaring van de mysterieleerlingen van het oerchristendom – om een beslissende stap in de ontwikkeling van de mensheid, die door deze impuls van de kosmische Geest werd ingezet en mogelijk gemaakt.
Volgens de mysterieleer werkt een dergelijke impuls in het gezamenlijke geestelijk-ziele-organisme van een cultuur of zelfs van de hele mensheid. Daardoor is het mogelijk dat gelijktijdig op verschillende geschikte plaatsen van dit organisme deze zelfde impuls in uiteenlopende versies werkzaam is. En welke plaatsen zouden er nu geschikter geweest zijn dan de destijds aanwezige oude mysteriescholen? Als nieuw spiritueel leven ging de impuls door alle mysterietradities van het verleden, die doorwerkten in het toenmalige heden. Het is dus niet noodzakelijkerwijs zo geweest dat de mysteriewijsheid van het oerchistendom langs een uiterlijke weg en van mond tot mond de oude scholen bereikte, hoewel dat wel denkbaar is. Het is echter veel overtuigender dat hier het principe van de synchroniciteit werkzaam was.

Met hun filosofische invalshoek leggen zowel Prigogine met de chaostheorie als Procee met zijn boek Intellectuele passies een link tussen het Westerse en Oosterse denken, tussen Darwin èn God (Trouw, 8 december 2008). Het boek van Procee lijkt voort te borduren - zonder dat hij dit misschien zelf direct beseft - op de oude wijsheidsschool van Pythagoras. Procee maakt - net als DGL - van de meetkundige symbolen de punt, de lijn, de driehoek en de cirkel gebruik.

Het gaat er nog steeds om mensen te stimuleren deze wereld een tikje mooier te maken dan die nu is. Of met andere woorden de wet van harmonie - 'in het hemelse en aardse harmonie vinden' - tot uitdrukking te brengen.
Terezinha Franca Kind De wet van harmonie
‘Wij erkennen slechts één wet in het universum, de wet van harmonie, van volmaakt evenwicht’, zegt één van de Mahatma’s. De wet van harmonie is een fundamentele wet in het universum, de bron en de basis van alle andere wetten van de natuur, vooral de wetten van orde en karma.
De wereld wordt onderhouden door hetzelfde evenwicht tussen de middelpuntzoekende en de middelpuntvliedende krachten waarop het gebouwd werd. De middelpuntzoekende kracht zou zich niet kunnen manifesteren zonder de middelpuntvliedende in de harmonieuze omwentelingen van de sferen.

Het globale brein is een speculatief concept in o.a. transhumanistische kringen, filosofie en mystiek ('sciencefiction'?), vergelijkbaar met (dan wel verwant aan) het concept van de noösfeer van respectievelijk Vladimir Vernadsky en Teilhard de Chardin, de Akasha-kronieken (waar o.a. Rudolf Steiner en Edgar Cayce te rade beweerden te gaan) en het "Akashic field" van de Hongaarse wetenschapsfilosoof Ervin László. Het begrip als zodanig werd in 1982 voor het eerst gebruikt door Peter Russell in zijn boek The Global Brain (video).

Duurzaamheid als wereldbeeld Over de rol van wetenschap in maatschappelijke verandering (Studium Generale Universiteit Utrecht)
We leven in tijden van overvloed, terwijl je de grondstofschaarste al aan ziet komen. Denk aan oprakende olie en zeldzame metalen in je mobieltje. We profiteren in het Westen van een open economie, maar vrezen migranten en het verlies van een eigen identiteit. Ondertussen rijst de vraag of het onderliggende financiële systeem wel is gebouwd voor de lange termijn. Ook de mogelijkheden van de medische wetenschap zijn groter dan ooit, terwijl we niet in staat blijken de Q-koorts te voorkomen.

Greep op ons eigen bestaan (Paul Schnabel Volkskrant 2 januari 2010)
De Gammacanon is geen encyclopedie van de sociale wetenschappen. We willen met behulp van een aantal belangrijke concepten, theorieën en verschijnselen laten zien wat de bijdrage van de sociale- en gedragswetenschappen is aan de kennis van onszelf, van onze omgang met schaarse middelen en van de wijze waarop we met elkaar vormgeven aan een samenleving die ook óns weer gevormd heeft.
Verlichtende wetenschap (Paul Schnabel Volkskrant 18 december 2010)
Het zijn wetenschappen die het menselijk leven letterlijk en figuurlijk willen verlichten: begrijpelijk maken en ook voor gericht en bewust handelen toegankelijker maken. Net als in de natuur- en menswetenschappen gaat het om kennis die mensen kan helpen de weg te vinden naar een beter bestaan.

Prof. van Peursen in zijn boek Cultuur in stroomversnelling:
Het regelsysteem in ons hoofd is aangesloten op, ja, onderdeel van onze cultuurpatronen, zoals mythe, ethische normen,wetenschappelijke kennis. Wanneer een heel regelsysteem verandert, dan kan dit gebeuren doordat slechts een klein onderdeeltje van plaats wisselt. De mens schijnt, in de loop van de geschiedenis over talloze, telkens nieuwe, strategieën te beschikken. Deze wijzigingen in strategie zijn het opvallendste kenmerk van het menselijke leerproces dat wij ‘cultuur’ noemen en dus ook van de herstructurering van de menselijke samenleving. Een verandering in de strategie van de cultuur houdt in dat de mens een nieuwe betekenis, een andere zin aan alles gaat geven.

De kracht waardoor God zijn schepping stuurt, noemt Teilhard énergie amorisante, energie van liefde, "de meest universele, de geweldigste en de geheimzinnigste van alle kosmische energieën". Zij heeft twee aspecten. Het is de kracht waardoor God van buiten de tijd op zijn schepping inwerkt. Anderzijds is er in alle stof een beginsel van aanwezig: "Liefde is een algemene eigenschap van alle leven." Het is een energie die al bestond voor de vorming van de stof en die alles voortbrengt wat bestaat, die de evolutie richting geeft en tot voltooiing brengt. God schiep de wereld door Christus, door en in Wie immers alle dingen bestaan. Christus heeft het niet beneden zich geacht zich in het evolutieproces te verwikkelen; Hij bevindt zich, zegt Teilhard, "in het hart van de wereld, is erin geworteld tot in de kern van het kleinste atoom". Van Hem straalt de énergie amorisante uit, Hij is "de ziel van de evolutie".
Het derde kader waarin Teilhard de werking van de evolutie beschrijft, is dat van de énergie amorisante. Hiervan zegt hij, dat gedurende de eerste helft van de weg der evolutie haar stuwende werking het sterkst is, terwijl tijdens het tweede deel de aantrekkingskracht die van Omega uitgaat steeds toeneemt.

In welke richting mogen wij dan verwachten dat de evolutie verder gaat?
Antwoord: Hiervoor ziet Teilhard de Chardin maar één mogelijkheid. In miljarden jaren tijds heeft zij zich gericht op het ontstaan van het leven (de biogenese) en het bewustzijn (de psychogenese); nu zij zich grenzen gesteld ziet op het gebied van het individuele bewustzijn, liggen voor de noögenese de perspectieven op het collectieve vlak.
Teilhard ziet al om zich heen, hoe dit zich begint af te tekenen. De mensheid is, zegt hij, bezig de top van haar expansie- en organisatiekracht te bereiken. De industrialisatie is steeds meer in het teken van de techniek komen te staan. Deze is bezig zich over de hele wereld te verspreiden. Het wetenschappelijk onderzoek, waarbij de natuurwetenschappen een grote rol spelen, wordt in internationale banen geleid, waarbij een wereldomspannende samenwerking ontstaat. Veel denkbeelden en inzichten worden gemeenschappelijk bezit. Zo ontwikkelt de mensheid zich tot een soort mondiaal organisme. Ze omspant de aarde. Een netwerk van land-, zee- en lucht-wegen, telecommunicatie en radiogolven vormt "de schepping van een waarachtig zenuwstelsel van de mens-heid, uitwerking van een gemeenschappelijk bewustzijn".
Socialisatie op wereldniveau dus. De vele beschavingen zijn op weg naar één beschaving. Er zal zich, zegt Teilhard, een 'soortzin' ontwikkelen, waardoor de mensheid naar een steeds grotere eenheid zal toegroeien. Hierin zullen ook de godsdiensten betrokken worden: alle wereldgodsdiensten zullen één worden in het zich evoluerende christendom. En tenslotte zal ook het onderscheid tussen wetenschap en godsdienst vervagen, want alle vormen van kennen en weten zullen naar één vorm toegroeien. Teilhard maakt het ons niet makkelijk ons een voorstelling te maken van zijn begrip 'collectief bewustzijn'. Het is, zegt hij, een soort 'brein' van geasso-cieerde breinen, een superbrein. Dit woordgebruik is nogal misleidend: men is geneigd eruit te begrijpen, dat het gaat om iets waarin alle individualiteit zich oplost. Dit spreekt hij echter met kracht tegen: de vereniging van de bewustzijns zal het persoonlijke juist versterken, de eenheid zal de verschillen niet onderdrukken. In Omega zal zowel de mensheid als geheel een eenheid van de hoogste orde bereiken alsook iedere individuele mens volledig tot zijn recht komen.
Dit appèl geldt in de eerste plaats de natuurwetenschappen. Hij verwijt deze, dat zij verzuimen het bewustzijn in hun denkkaders te betrekken: "Het denken is nog nooit, met hetzelfde recht als de stoffelijke grootheden, bestudeerd als een werkelijkheid van kosmische en evolutieve aard." Door de relatie tussen stof en geest te negeren, ontkennen zij in feite de eenheid van de schepping. Zij hebben er geen goed aan gedaan de godsdienst de rug toe te keren.
Het appèl geldt evenzeer de godsdienst, die in haar visie op de wereld het aspect van de tijd negeerde en te lang vasthield aan het denkbeeld, dat het heelal fundamenteel onveranderlijk, statisch, zou zijn. Zij had te weinig oog voor Gods directe betrokkenheid bij zijn schepping en gaf te weinig blijk van het inzicht, dat Hij niet alleen de mens, maar de hele schepping wil verlossen.
Daarom pleit Teilhard ervoor, dat wetenschap en godsdienst naar elkaar gaan luisteren. Daarbij zal de wetenschap tot een hyperfysica moeten komen, die zowel de evolutie van het heelal als die van het leven en van de mensheid omvat. Deze zal, uitgaande van de verschijnselen, de werkelijkheid naar haar complexiteit en innerlijke samenhang moeten beschrijven en daarbij haar innerlijke zin zichtbaar rnaken. Er is immers maar één waarheid, en die is ongedeeld. Dan zal de schadelijke tegenstelling, die sinds Galilei en Newton godsdienst en wetenschap gescheiden houdt definitief verdwijnen. Beide hebben zij hun eigen rechtmatige manier om de ene werkelijkheid te benaderen. Beide maken zij Gods grootheid hierin zichtbaar.

W.T.S. Thackara Evolutie en schepping – 1 Intelligent ontwerp? (Sunrise sepokt 2003):
Op macroniveau bevestigde de natuurkundige Paul Davies een soortgelijk idee in Cosmic Blueprint (1988, p. 203): Alleen al het feit dat het heelal creatief is en dat de wetten het mogelijk hebben gemaakt dat complexe structuren verschijnen en zich ontwikkelen tot het niveau van bewustzijn – met andere woorden, dat het heelal zijn eigen zelfbewustzijn tot stand heeft gebracht – is voor mij een krachtig bewijs dat er achter dit alles ‘iets gaande is’. De indruk van een plan is overweldigend.

Het 3e Beginsel van de esoterie gaat over de leer van de hiërarchieën. Namelijk over de fundamentele gelijkheid van alle Zielen met de Universele Ziel, die zelf weer een aspect is van de Onbekende Wortel; en de verplichte pelgrimstocht voor elke Ziel – een vonk van eerstgenoemde – door de Kringloop van Incarnatie in overeenstemming met de Cyclische en Karmische wet, gedurende het gehele tijdperk. In de esoterie wordt van zeven bewustzijnsniveaus, zeven beginselen uitgegaan. Een doorsnede die daarvan is afgeleid geeft Roberto Assagioli in zijn boek Psychosynthese. De oerbron creëert het ‘Ik’ (bronbewustzijn, oerbewustzijn, Zelf-eon, immateriële ziel), de voorwaarde voor het zelfbewustzijn dat door het witte verlichte scherm kan worden geïllustreerd. Het is het ego (de werking van de zeven zintuigen, met een verscheidenheid aan aggregatieniveaus), de relatie tussen geest en lichaam, die zorgt voor het projecteren van de beelden op het scherm.

H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I Stanza 5 Fohat: het kind van zevenvoudige hiёrarchieën (p. 154):
Het is niet de ‘heerser’ of ‘maharadja’, die straft of beloont, met of zonder toestemming of bevel ‘van God’, maar de mens zelf – omdat zijn daden of karma individueel en collectief (zoals soms met hele volkeren het geval is) allerlei soort kwaad en rampen aantrekt. Wij maken OORZAKEN, en deze wekken in de siderische wereld de overeenkomstige krachten op. Deze krachten worden magnetisch en onweerstaanbaar aangetrokken tot degenen die deze oorzaken teweegbrachten en werken op hen terug, of dergelijke personen nu inderdaad de boosdoeners zijn, dan wel alleen de denkers die het kwaad hebben uitgebroed. Gedachte is stof17, leert de moderne wetenschap ons; en ‘ieder deeltje van de bestaande stof moet een register zijn van alles wat er is gebeurd’, zoals Jevons en Babbage in hun ‘Principles of Science’ aan de niet ingewijde vertellen. De moderne wetenschap wordt iedere dag verder in de maalstroom van het occultisme getrokken, ongetwijfeld onbewust, maar toch sterk voelbaar. De twee voornaamste theorieën van de wetenschap over het verband tussen bewustzijn en stof zijn het monisme en het materialisme. Deze twee bestrijken het hele gebied van de negatieve psychologie, met uitzondering van de quasi-occulte opvattingen van de Duitse pantheïstische scholen18.
159/160: (a) De esoterische betekenis van de eerste zin van de sloka is, dat degenen die lipika’s zijn genoemd, de schrijvers van het karmische grootboek, een ondoordringbare versperring oprichten tussen het persoonlijke ego en het onpersoonlijke zelf, het noumenon en de oerbron van de eerstgenoemde. Vandaar de allegorie. Zij omgeven de gemanifesteerde wereld van stof met de ring ‘verder niet’. Deze wereld is het (objectieve) symbool van het ENE, dat op de gebieden van de illusie is verdeeld in het vele, van Adi (de ‘eerste’) of van Eka (de ‘ene’); en dit Ene is het collectieve aggregaat of het geheel van de belangrijkste scheppers of architecten van dit zichtbare heelal. In het Hebreeuwse occultisme is hun naam zowel Achath, vrouwelijk, ‘Een’, en Achod, ook ‘Een’, maar mannelijk. De monotheïsten hebben handig gebruikgemaakt van de diepzinnige esoterie van de Kabbala – en doen dat nog – door de naam, waaronder de Ene Opperste Essentie bekend is, toe te passen op de manifestatie DAARVAN, de sephiroth-Elohim, en die Jehova te noemen. Maar dit is volkomen willekeurig en geheel in strijd met rede en logica, want het woord Elohim is een zelfstandig naamwoord in het meervoud en identiek met het in het meervoud staande woord Chiim, waarmee het vaak wordt verbonden24.
De Geheime Leer Deel I Stanza 7 (p. 294):
Zo verlopen de cyclussen van de zevenvoudige evolutie in de zeventallige natuur: de geestelijke of goddelijke; de psychische of halfgoddelijke; de verstandelijke, die van de hartstochten, de instinctieve of cognitieve; de halflichamelijke en de zuiver stoffelijke of fysieke natuur. Deze evolueren en vorderen alle cyclisch; ze gaan op twee manieren in elkaar over, middelpuntvliedend en middelpuntzoekend; ze zijn in hun diepste essentie één, maar zeven in hun aspecten. Het laagste aspect is natuurlijk afhankelijk van en ondergeschikt aan onze vijf fysieke zintuigen. Tot dusver ging het over het individuele, menselijke, waarnemende, dierlijke en plantaardige leven; elk de microkosmos van zijn hogere macrokosmos.
295: De pelgrim, die de lange reis onbevlekt is begonnen, die steeds verder is afgedaald in de zondige stof, en zich heeft verbonden met elk atoom in de gemanifesteerde Ruimte, die elke levens- en bestaansvorm heeft doorworsteld en daarin heeft geleden, is nog maar tot de bodem van het dal van de stof gekomen, halverwege zijn cyclus, als hij zich heeft vereenzelvigd met de collectieve mensheid. Deze heeft hij naar zijn eigen beeld gemaakt. Om omhoog en huiswaarts te kunnen gaan, moet de ‘god’ nu het moeizame steile pad van het Golgotha van het Leven beklimmen. Het is het martelaarschap van zelfbewust bestaan. Zoals Visvakarman, moet hij zich aan zichzelf offeren om alle schepselen te verlossen, om uit de velen tot het Ene Leven op te staan. Dan stijgt hij inderdaad naar de hemel op, waar hij, gedompeld in het onbegrijpelijke absolute Zijn en de gelukzaligheid van paranirvana, onbeperkt heerst en vanwaar hij weer zal neerdalen bij de volgende ‘komst’, die een deel van de mensheid volgens de dode letter verwacht als de tweede advent, en een ander deel als de laatste ‘Kalki-Avatar’.
De Geheime Leer Deel I Sammenvatting (p. 306):
(2) De Geheime Leer erkent een logos of een collectieve ‘schepper’ van het Heelal; een demiurg – in de zin waarin men spreekt over een ‘architect’ als een ‘schepper’ van een gebouw, hoewel die architect er nooit één steen van heeft aangeraakt, maar het bouwplan leverde en al het handwerk aan de metselaars overliet; in ons geval werd het bouwplan geleverd door het beeldende vermogen van het Heelal en werd de uitvoering overgelaten aan de menigten intelligente machten en krachten. Maar die demiurg is geen persoonlijke godheid – d.w.z. een onvolmaakte buiten-kosmische god – maar slechts de totaliteit van de Dhyan-Chohans en de andere krachten.
307: (4) Materie is eeuwig. Zij is de upadhi (stoffelijke grondslag) waarop het ene oneindige universele denkvermogen zijn ideeën vormt. De esoterici verklaren daarom dat er in de natuur geen anorganische of dode stof bestaat. Het onderscheid dat de wetenschap in dit opzicht maakt, is even ongegrond als willekeurig en onredelijk. Wat de wetenschap ook denkt – en de exacte wetenschap is een wispelturige dame, zoals we allen uit ervaring weten – het occultisme weet en zegt sinds onheuglijke tijden dat het anders is, vanaf Manu en Hermes tot aan Paracelsus en zijn opvolgers.
Zo zegt Hermes, de driemaal grote Trismegistus: ‘O, mijn zoon, materie wordt; vroeger was zij; want materie is het voertuig van het worden. Worden is de activiteit van de ongeschapen godheid. Nadat de (objectieve) materie is voorzien van de kiemen van het worden, wordt zij geboren, want de scheppende kracht modelleert haar volgens de ideale vormen. Nog niet voortgebrachte materie had geen vorm; zij wordt, wanneer zij in werking is gesteld.’ (The Definitions of Asclepios, blz. 134, ‘Virgin of the World’.)
309: Alle christelijke kabbalisten hebben de volgende oosterse kerngedachte goed begrepen: de actieve kracht, de ‘eeuwigdurende beweging van de grote adem’, doet de Kosmos bij de dageraad van ieder nieuw tijdperk slechts ontwaken en zet deze in beweging door middel van de twee tegengestelde krachten6, en veroorzaakt zo, dat hij objectief waarneembaar wordt op het gebied van de illusie. Met andere woorden, die tweeledige beweging brengt de Kosmos van het gebied van het eeuwige ideële over naar dat van de eindige manifestatie, of van het noumenale naar het fenomenale gebied. Alles wat is, was en zal zijn, IS eeuwig, zelfs de ontelbare vormen, die alleen eindig en vergankelijk zijn in hun objectieve, maar niet in hun ideële vorm. Ze bestonden als ideeën in de eeuwigheid en wanneer ze heengaan, zullen ze als weerspiegelingen blijven bestaan. Noch de vorm van de mens, noch die van een dier, plant of steen is ooit geschapen, en pas op ons gebied begon deze vorm te ‘worden’, d.w.z. zich te objectiveren tot zijn huidige mate van stoffelijkheid, of zich van binnen naar buiten uit te breiden, van de meest verfijnde en bovenzinnelijke essentie tot zijn meest grove verschijning.
6) De middelpunt zoekende en de middelpuntvliedende krachten, die mannelijk en vrouwelijk zijn, positief en negatief, fysiek en geestelijk; en deze twee vormen de ene oorspronkelijke KRACHT.
De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk De rassen met het ‘derde oog’ (p. 331):
In deze fantastische scheppingen van een weelderig subjectivisme is er altijd een element van objectiviteit en werkelijkheid. De verbeelding van de massa, hoe wanordelijk en slecht beheerst deze ook is, kon nooit zoveel monsterlijke figuren, zo’n rijkdom aan buitengewone verhalen uit het niets hebben verzonnen en voortgebracht, als zij niet als kern daarvan die zwevende, duistere en vage herinneringen had gehad, die de gebroken schakels van de keten van de tijd verenigen om daarmee de geheimzinnige droomachtige grondslag van ons collectieve bewustzijn te vormen.
De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk 18 Over de mythe van de gevallen engel (p. 553):
De eerste les van de esoterische filosofie leert dat de onkenbare Oorzaak geen evolutie teweegbrengt, hetzij bewust of onbewust, maar dat zij slechts periodiek verschillende aspecten van zichzelf laat zien, die door eindige denkvermogens kunnen worden waargenomen. Het collectieve denkvermogen – het universele – dat is samengesteld uit verschillende en talloze menigten van scheppende machten, hoe oneindig ook in de gemanifesteerde tijd, is toch eindig, wanneer het wordt gesteld tegenover de ongeboren en onvergankelijke Ruimte in haar hoogste essentiële aspect. Wat eindig is, kan niet volmaakt zijn.

<< vorige || volgende >>

Categorie: Artikelen | Rapport | Auteur: Harry Nijhof


Deze pagina werd sedert 16 dec. 2007 5214 keer bekeken.