Deze filognostische presentatie is in aanbouw

4.3 Drie Logoi en de Weerspiegeling

Het eerste boek Genesis 1:26-28 van de Hebreeuwse Bijbel maakt al van een archetype gebruik:
En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.
Johannes 1:1-3, 14: In het begin was Logos (het Woord), Logos was bij God en Logos was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. Logos (het Woord) is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader.
Johannes 10:30: Ik en mijn Vader zijn één.
Aurelius Augustinus: In de Vader is de eenheid, in de Zoon de gelijkheid, in de Heilige Geest het harmonieuze samengaan van eenheid en gelijkheid.
Bart Battyn, publicatie Ethiek in de periode die aan de moderne tijd voorafging:
Plato ging er al vanuit dat wat aan ons verschijnt niet meer is dan een afspiegeling van een zuiverder en stabieler ideële werkelijkheid.
Manual II: Not to act "with logos" is contrary to Godd’s nature.
Eliphas Levi: De logos van God is de openbaarder van de mens, en de logos (het woord) van de mens is de openbaarder van God.
Met beide benen in Moeder Aarde goed verankerd, met het Hart in de hemel, maar met het hoofd bij de zaak. (Asait - over de Hathors)
Willem Bilderdijk In 't verleden - Ligt het heden - In het nu wat worden zal.

Logos (Spiegelsymmetrie en Complementariteit, Neer - en Opwaartse causatie, Brein)

De leer van de Drie-eenheid werd definitief op het Concilie van Chalcedon in 451 na Chr. vastgesteld.

De Griekse Filosoof Plato – Logos:
Logos is een Griekse term die "het Woord" betekent. Griekse filosofen zoals Plato gebruikten logos niet alleen voor het gesproken woord maar ook voor het onuitgesproken woord, het woord dat zich nog steeds in de gedachten bevindt -- de rede. Wanneer deze term op het universum werd toegepast, hadden de Grieken het over het rationele principe dat over alle dingen heerst.

Daarom gebruikte Johannes (de schrijver van het Bijbelse boek Johannes) een zeer bijzonder woord -- Logos -- omdat dit in de eerste eeuw na Christus voor zowel Joden als Grieken de beoogde betekenis had.

Esoterie:

Pythagoras    
  1e Logos, Monade3e Logos, TriadeAntroposofieRudolf Steiner 
MonadeTriadeGod (Spiritueel) ----Geest (Geestelijk)Geestmens ----Geestzelf (omgevormd Astraallichaam)
||||||
TetradeDuade4. Lichaam (Fysiek) ----Zoon (Psychisch)Fysiek lichaam ----Levensgeest (omgevormd Etherlichaam)
  Tetrade2e Logos, Duade  
  Snijpunt 1./2. en 3./4.Geest en Ziel 

G. Barborka boek Het Goddelijke plan - Menswording en Evolutie (p. 596/597):
De paragraaf Een lijst van met gelijkwaardige termen bevat een overzicht van de synoniemen: Akasha, Universele denkvermogen, Fohat, Drie Logoi.
627: De tweede Logos is de ‘brug’ tussen de ongeopenbaarde Logos (Nârâyana) en de geopenbaarde logos. Īśvara staat voor de ongeopenbaarde Logos en Īśavara voor de geopenbaarde logos.

Esther de Boer boek De geliefde discipel, Evangelie van Maria (p. 99): De Verlosser antwoordde, hij zei: Hij ziet niet met de ziel noch met de geest maar met het denken dat [is] in het midden van die twee. Dat is [het dat] het visioen ziet en dat is het […]

De wijsheidssleutels 1, 2 en 3 dragen een macro en de sleutels 5, 6 en 7 een micro karakter. De schakel, de ziel brengt de reflexieve dynamiek 'zo binnen, zo buiten; zo buiten, zo binnen' tot uitdrukking.
Sleutel 1 kan in samenhang worden gezien met sleutel 7, sleutel 2 met 6, en sleutel 3 met 5. De supersymmetrie in het universum wordt daarmee (1 + 7, 2 + 6 en 3 + 5 = 8) tot uitdrukking gebracht en kan met behulp van een lemniscaat worden gesymboliseerd. In de vierde Ronde ligt het accent van de schakel tussen binnen en buiten op de 4e sleutel.
De Geheime Leer Deel III, p. 546: Metafysisch en wijsgerig is de mens als volledige eenheid samengesteld uit vier eeuwige grondbeginselen (wijsheidssleutels 1 t/m 4) en door de beginselen voortgebrachte tijdelijke drie aanzichten (wijsheidssleutels 5, 6 en 7) op deze aarde.

Els Rijneker De drievoudige evolutie (geestelijke, psychische en stoffelijke)

De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk Feiten en verklaringen over de bollen en de monaden (p. 208):
Het volledige mysterie wordt alleen aan de adepten onthuld, maar er kan worden medegedeeld dat onze satelliet slechts het grofstoffelijke lichaam is van zijn onzichtbare beginselen. Omdat er 7 ‘aarden’ zijn, zijn er ook 7 ‘manen’, waarvan alleen de laatste zichtbaar is. Hetzelfde geldt voor de zon, waarvan het zichtbare lichaam een maya wordt genoemd, een weerspiegeling, evenals het lichaam van de mens. ‘De werkelijke zon en de werkelijke maan zijn even onzichtbaar als de werkelijke mens’, zegt een occulte spreuk.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk Aanvullende feiten en verklaringen over de bollen en de monaden, p. 210:
Op dezelfde manier als waarop de ‘monaden’ of ego’s van de mensen van de zevende Ronde van onze aarde – naar het voorbeeld van onze eigen bollen A, B, C, D, enz., die hun levenskracht hebben afgestaan, andere layacentra (bestemd om op een nog hoger zijnsgebied te leven en te werken) zullen hebben bezield en daardoor tot leven gewekt – op dezelfde manier zullen de aardse ‘voorouders’ degenen scheppen die hun meerderen zullen worden.
Het wordt nu duidelijk, dat er in de Natuur een drievoudig evolutieplan bestaat voor het vormen van de drie periodieke upadhi’s, of liever drie afzonderlijke evolutieplannen, die in ons stelsel op elk punt onontwarbaar zijn dooreengeweven en vermengd (‘Verstrengelde hiërarchie’). Dit zijn de monadische (of geestelijke), de verstandelijke en de stoffelijke evolutie. Deze drie zijn de eindige aspecten of de weerspiegelingen op het gebied van de kosmische illusie van ATMA, het zevende beginsel, de ENE WERKELIJKHEID.
1. De monadische evolutie heeft, zoals de naam al zegt, te maken met de groei en ontwikkeling van de monade tot nog hogere stadia van activiteit, en gaat samen met:
2. De verstandelijke evolutie, vertegenwoordigd door de Manasa-Dhyani’s (de zonnedeva’s, of de agnishwatta pitri’s), die de mens verstand en bewustzijn geven en:
3. De stoffelijke evolutie, vertegenwoordigd door de chhaya’s van de maanpitri’s, waaromheen de Natuur het huidige stoffelijke lichaam heeft geconcretiseerd. Dit lichaam dient als voertuig voor de ‘groei’ (om een misleidend woord te gebruiken) en voor de omzetting door middel van manas en – tengevolge van de opeenstapeling van ervaringen – van het eindige in het ONEINDIGE, van het voorbijgaande in het Eeuwige en Absolute.
Elk van deze drie stelsels heeft zijn eigen wetten, en wordt bestuurd en geleid door verschillende groepen van de hoogste Dhyani’s of ‘logoi’. Elk is vertegenwoordigd in de constitutie van de mens, de microkosmos van de grote macrokosmos; en de vereniging in hem van deze drie stromingen maakt hem het samengestelde wezen dat hij nu is.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 7 De voorvaderen van de mens op aarde (p. 245):
(d) De derde orde correspondeert met atma-buddhi-manas: geest, ziel en verstand; zij wordt de ‘triaden’ genoemd.
H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 12 De theogonie van de scheppende goden (p. 476):
Bij het begin van elke cyclus van 4.320.000 daalden de zeven (of volgens enkele volkeren acht) grote goden af om de nieuwe orde van zaken te vestigen en de stoot te geven tot de nieuwe cyclus. Die achtste god was de verbindende cirkel of LOGOS, in het exoterische dogma van zijn menigte afgescheiden en afgezonderd, evenals de drie goddelijke hypostasen van de oude Grieken nu in de kerken als drie afzonderlijke personen worden beschouwd.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 6 De maskers van de wetenschap Fysica of metafysica? (p. 559):
Daarom vertoont Spiller met al zijn fouten meer intuïtie dan enige andere hedendaagse wetenschapper, misschien met uitzondering van dr. Richardson, de theoreticus van de ‘zenuwkracht’ of de zenuw-ether, en ook van de ‘zonnekracht en aardkracht’2. Want AETHER is in de esoterie de ware kern van alle mogelijke energie en men kan beslist alle manifestaties van energie in de stoffelijke, psychische en spirituele werelden aan dit universele agens (samengesteld uit veel agentia) toeschrijven.
Wat zijn elektriciteit en licht in feite? Hoe kan de wetenschap weten dat het ene een fluïdum is en het andere een ‘bewegingsvorm’?
562: Dit mag waar zijn in de wereld van de verschijnselen, voorzover de bedrieglijke weerspiegeling van de ene werkelijkheid van de bovenzinnelijke wereld waar mag lijken in de bekrompen opvattingen van een materialist. Het is volkomen onjuist, als de redenering wordt toegepast op dingen in wat de kabbalisten de bovenaardse sferen noemen. De zogenaamde inertie is volgens Newton ‘kracht’ (Princ. Def. iii), en voor de beoefenaar van de esoterische wetenschappen de belangrijkste van de occulte krachten. Men kan een lichaam slechts als begrip, en alleen op dit gebied van illusie, beschouwen als afgescheiden van zijn relaties tot andere lichamen – die volgens de natuurkunde en de mechanica zijn eigenschappen veroorzaken. In feite kan het nooit hiervan worden gescheiden: zelfs de dood is niet in staat het lichaam los te maken van zijn relatie met de universele krachten, waarvan de ene KRACHT of het ene LEVEN de synthese is, maar het zet zo’n onderling verband eenvoudig op een ander gebied voort.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 15 Goen, monaden en atomen (p. 678):
De sleutels daartoe zijn van de ene generatie van ‘wijze mannen’ op de volgende overgegaan. Enkele van de symbolen die zo van het oosten naar het westen kwamen, werden meegebracht door Pythagoras, die niet de uitvinder van zijn bekende ‘driehoek’ was. Laatstgenoemde figuur, samen met het vlak, de kubus en de cirkel vormen een welsprekender en wetenschappelijker beschrijving van de orde van de evolutie in het Heelal, zowel spiritueel en psychisch als fysiek, dan boekdelen vol beschrijvende kosmogonieën en geopenbaarde Geneses. De tien punten, beschreven binnen die ‘driehoek van Pythagoras’, zijn van evenveel waarde als alle leringen over de afstamming van de goden en engelen die ooit uit een theologisch brein zijn voortgekomen. Want wie ze interpreteert – zoals ze daar staan in de gegeven volgorde – zal in die zeventien punten (de zeven wiskundige punten zijn verborgen) de ononderbroken reeks van genealogieën vinden van de eerste hemelse tot de aardse mens. En terwijl ze de volgorde van de wezens aangeven, onthullen ze ook de volgorde waarin de Kosmos, onze aarde en de oorspronkelijke elementen die de aarde voortbrachten, zijn ontwikkeld. Omdat de aarde werd verwekt in de onzichtbare diepten en in de schoot van dezelfde ‘moeder’ als haar mede-planeten, zal degene die de geheimen van onze aarde doorgrondt, die van alle andere planeten ook doorgronden.
De Geheime Leer Deel I, Hoofdstuk 15 Goden, monaden en atomen (p. 680/681):
De monade – slechts de uitstraling en weerspiegeling van het punt (logos) in de wereld van de verschijnselen – wordt, als de top van de gemanifesteerde gelijkzijdige driehoek, de ‘vader’. De linkerzijde of lijn is de duade, de ‘moeder’, die wordt beschouwd als het kwade, tegenwerkende beginsel (Plutarchus, De Placitis Placitorum); de rechterzijde stelt de zoon voor (in iedere kosmogonie ‘de echtgenoot van zijn moeder’, omdat hij één is met de top); de basislijn geeft het universele gebied van de voortbrengende Natuur weer, die op het gebied van de verschijnselen vader-moeder-zoon verenigt, zoals deze in de bovenzinnelijke wereld waren verenigd in de top. Door mystieke vervorming werden ze het viertal – de driehoek werd de tetraktis.
Deze transcendentale toepassing van de meetkunde op de kosmische en goddelijke theogonie – de alfa en omega van de mystieke gedachte – kreeg na Pythagoras door toedoen van Aristoteles veel minder betekenis.

682/683: Dit wordt symbolisch weergegeven in de driehoek van Pythagoras.
Deze bestaat uit tien punten die binnen de drie lijnen in piramidevorm (van één tot de laatste vier) zijn ingeschreven, en hij symboliseert het Heelal in het beroemde tiental van Pythagoras. Het bovenste enkele punt is een monade en stelt een eenheidspunt voor, dat de eenheid is waaruit alles voortkomt, en alle dingen hebben er dezelfde essentie mee gemeen. Terwijl de tien punten binnen de driehoek de wereld van de verschijnselen voorstellen, zijn de drie zijden van de gelijkzijdige driehoek die de piramide van punten omsluit, de barrières van noumenale stof of substantie, die haar scheiden van de wereld van de gedachte. ‘Volgens Pythagoras correspondeert een punt met de eenheid; een lijn met 2; een vlak met 3, en een lichaam met 4; en hij omschreef een punt als een monade die een plaats heeft, en die het begin is van alle dingen; een lijn werd geacht te corresponderen met de dualiteit, omdat zij werd voortgebracht door de eerste beweging uit de ondeelbare natuur en de verbinding van twee punten vormde. Een vlak werd vergeleken met het getal drie, omdat het de eerste van alle oorzaken is die men in figuren vindt; want een cirkel, die de voornaamste van alle ronde figuren is, omvat een drietal in middelpunt, ruimte [Vert.: vlak] en omtrek. Maar een driehoek, die de eerste van alle rechtlijnige figuren is, is besloten in een drietal en ontvangt zijn vorm overeenkomstig dat getal; hij werd door aanhangers van Pythagoras opgevat als de schepper van alle ondermaanse dingen. De vier punten aan de basis van de driehoek van Pythagoras corresponderen met een lichaam of kubus, die de beginselen van lengte, breedte en dikte combineert, want geen enkel lichaam kan minder dan vier uiterste grenspunten hebben.’ (Pythag. Triangle, blz. 19.)
702: Want atomen en monaden, verenigd of gescheiden, enkelvoudig of samengesteld, zijn vanaf het moment van de eerste differentiatie slechts de lichamelijke, psychische en spirituele beginselen van de ‘goden’ – die zelf de uitstralingen zijn van de oorspronkelijke natuur. Zo verschijnen de hogere planetaire machten voor het oog van de ziener onder twee aspecten: als invloeden (het subjectieve aspect), en als mystieke VORMEN (het objectieve aspect), die onder de karmische wet een Tegenwoordigheid worden omdat, zoals herhaaldelijk is gezegd, geest en stof één zijn. Geest is stof op het zevende gebied; stof is geest – op het laagste punt van zijn cyclische werkzaamheid; en beide zijn MĀYĀ.
De Geheime Leer Deel I hoofdstuk 16 Cyclische evolutie en karma (p. 707):
Om de werking van karma bij de periodieke vernieuwingen van het Heelal voor de onderzoeker duidelijker en begrijpelijker te maken, als deze toekomt aan het probleem van de oorsprong en de evolutie van de mens, moet hij nu met ons de esoterische invloed van de karmische cyclussen op de universele ethiek onderzoeken. De vraag is: hebben die geheimzinnige tijdsindelingen, die door de hindoes yuga’s en kalpa’s en door de Grieken zo aanschouwelijk – κύκλοϛ – ‘cyclus’, ring of cirkel worden genoemd, enige invloed op, of enig direct verband met, het menselijke leven? Zelfs de exoterische filosofie verklaart dat deze eeuwigdurende tijdscyclussen altijd, periodiek en intelligent, in ruimte en eeuwigheid, in zichzelf terugkeren. Er zijn ‘cyclussen van stof’4 en er zijn ‘cyclussen van spirituele evolutie’, raciale, nationale en individuele cyclussen. Kunnen esoterische beschouwingen ons een nog dieper inzicht verschaffen in de werkingen hiervan?

De Geheime Leer Deel II, Inleidende opmerkingen (p. 1/2):
Wat betreft de evolutie van de mensheid stelt de Geheime Leer drie nieuwe stellingen voorop, die lijnrecht in strijd zijn met zowel de moderne wetenschap als de gangbare religieuze dogma’s: zij leert
(a) de gelijktijdige evolutie van zeven mensengroepen op zeven verschillende delen van onze aardbol;
(b) de geboorte van het astrale lichaam vóór het stoffelijke, waarbij het eerste een model is voor het laatste; en
(c) dat de mens in deze Ronde aan alle zoogdieren in het dierenrijk voorafging1 – de mensapen daarbij inbegrepen.
De Geheime Leer Deel II, p. 25: De opsomming van de stanza’s in Deel I laat zien dat de genesis (scheppingsverhaal) van goden en mensen voortkwam uit een en hetzelfde punt, dat de ene universele, onveranderlijke, eeuwige en absolute EENHEID is. In zijn eerste gemanifesteerde aspect hebben wij het zien worden: (1) in de sfeer van objectiviteit en fysica, de oorspronkelijke substantie en kracht (middelpuntzoekend en middelpuntvliedend, positief en negatief, mannelijk en vrouwelijk, enz.); (2) in de wereld van de metafysica, de GEEST VAN HET HEELAL of kosmische verbeeldingskracht, door sommigen de LOGOS genoemd.
Deze LOGOS is de top van de driehoek van Pythagoras. Wanneer de driehoek volledig is, wordt hij de Tetraktis, of de driehoek in het vierkant, en wordt het tweevoudige symbool van het vierletterige tetragrammaton in de gemanifesteerde Kosmos, en van zijn fundamentele drievoudige STRAAL in het niet-gemanifesteerde, of zijn noumenon.
De Geheime Leer Deel II, Stanza 3 Pogingen tot het scheppen van de mens (p. 87):
Er is in een zuivere geest op ons gebied geen vermogen tot scheppen en geen zelfbewustzijn, tenzij zijn al te homogene, volmaakte – want goddelijke – natuur om zo te zeggen wordt vermengd met en versterkt door een al gedifferentieerde essentie. Alleen de onderste lijn van de driehoek – die de eerste triade voorstelt die emaneert uit de universele MONADE – kan dit benodigde bewustzijn op het gebied van de gedifferentieerde Natuur verschaffen.
De Geheime Leer Deel II, Stanza 5 DE EVOLUTIE VAN HET TWEEDE RAS (p. 121):
Dit vuur is het hogere Zelf, het geestelijke ego, of dat wat eeuwig reïncarneert onder de invloed van zijn lagere persoonlijke zelven, die bij elke wedergeboorte veranderen, vol van tanha of begeerte om te leven. Het is een vreemde wet dat op dit gebied de hogere (geestelijke) Natuur om zo te zeggen de slavin van de lagere moet zijn. Tenzij het ego zijn toevlucht neemt in de atman, de AL-GEEST, en geheel opgaat in de essentie daarvan, kan het persoonlijke ego hem tot het bittere einde voortdrijven. Dit is niet volledig te begrijpen, tenzij de onderzoeker zich vertrouwd maakt met het mysterie van de evolutie, die drie wegen volgt – de geestelijke, de psychische en de stoffelijke.
De Geheime Leer Deel II, hoofdstuk 19 Is pleroma de legerstede van Satan? (p. 575):
En nu is bewezen dat satan of de rode, vurige draak, de ‘Heer van de Phosphorus’ (zwavel was een theologische verbetering), en Lucifer of de ‘lichtdrager’ in ons is: het is ons denkvermogen, onze 'verleider en verlosser' , onze intelligente bevrijder en redder uit zuivere dierlijkheid. Zonder dit beginsel – de emanatie van de essentie zelf van het zuivere goddelijke beginsel mahat (intelligentie), dat rechtstreeks van het goddelijke denkvermogen uitstraalt – zouden we beslist niet beter dan dieren zijn. De eerste mens Adam werd slechts tot een levende ziel (nephesh) gemaakt, de laatste Adam tot een levendmakende geest – zegt Paulus, waarbij zijn woorden betrekking hebben op de bouw of de schepping van de mens. Zonder deze levendmakende geest, of het denkvermogen of de ziel van de mens zou er geen verschil zijn tussen een mens en een dier, zoals er in feite ook geen verschil is tussen dieren wat hun handelingen betreft.

Blavatsky, De Geheime Leer Deel III (p. 617):
Tussen 5 en 4 komt het antahkarana. De ‘driehoek’ stelt de Christos voor, het slachtoffer dat tussen twee boosdoeners is gekruisigd; dit is het wezen met twee aangezichten.
620: Âtma-Buddhi-Manas in de mens komt overeen met de drie Logoi in de Kosmos. Zij komen niet slechts overeen, doch ieder van hun is de uitstraling van de Kosmos in de microkosmos.

Ernest Wood boek THE SEVEN RAYS (First printed: 1925)
‘Alle universele principes oefenen hun aantrekkingskracht op iedereen uit, maar elk reageert in principe op die van zijn eigen straal. Die wordt dan iemands grootste ideaal in het leven en kan zijn bewustzijn tot het meest levendige leven brengen, waartoe iemand in staat is.’
Deze menselijke basistemperamenten zijn als volgt ingedeeld:
1. het individu van de wil: zoekt vrijheid door het verkrijgen van meesterschap over het zelf en zijn omgeving; de heerser.
2. het individu van de liefde: zoekt eenheid door sympathie; de leraar en de filantroop
3. het individu van de abstracte gedachte: zoekt inzicht door het bestuderen van het leven; de filosoof.
4. het individu van de verbeelding: zoekt naar harmonie op drievoudige wijze; de levenskunstenaar.
5. het individu van het rationele denken: zoekt naar waarheid (5Ddenkraam) in de wereld; de wetenschapper.
6.het individu van devotionele liefde: zoekt God als goedheid in de wereld; de toegewijde.
7. het individu van de concrete wil: geeft God vorm via spirituele ordeningen in de wereld; de ritualist en ceremonialist.
U zult opgemerkt hebben dat de laatste drie stralen in de objectieve wereld weerspiegelingen vormen van de eerste drie, die minder met vorm van doen hebben.
De vierde of middelste straal is de ene waarin de andere balans en harmonie vinden. De aantallen zelf hebben geen betekenis; ze worden alleen gebruikt als hulpmiddel om in te delen, maar houden geen waardeoordeel in.

Drie logoi (Geest - Ziel - Lichaam)

Pim Blomaard: Steiner poogde de tegenstelling te overbruggen die het denken van zijn tijd beheerste. De wereldbeschouwingen lopen aan het eind van de negentiende eeuw zeer uiteen: hard materialisme en verheven metafysica strijden om de voorrang. De eerste richting eist een natuurwetenschappelijke onderzoeksmethode terwille van objectieve kennis (empiristisch positivisme), de tweede een reflexieve methode terwille van een onwankelbaar fundament (idealistische bewustzijnsfilosofie).

De Rooms-katholieke Kerk kent het dogma van de Drie-eenheid. De Theosofie kent daarentegen geen dogma’s, wel drie grondbeginselen.

Augustinus maakte, ruim tweehonderd jaar na Irenaeus, niet Gods liefde, maar de zondigheid van de mens tot kern van de verzoeningsleer. Het concilie van Orange, in 529, rehabiliteert min of meer Irenaeus. Zijn hoofdwerk Ontmaskering en weerlegging van de valselijk dusgenaamde gnosis (gewoonlijk geciteerd onder de Latijnse titel Adversus haereses) geeft inhoud en strekking van de toenmaals bloeiende gnostieke stelsels op objectieve wijze weer, zoals opnieuw gebleken is uit de vondst van gnostieke geschriften te Nag Hammadi in Egypte.

H.P. Blavatsky De Geheime Leer Deel I, Stanza 4 De zevenvoudige hiërarchieën (p. 125):
Het ‘leger van de stem’ is de oervorm van de ‘menigte van de logos’ of het ‘WOORD’ van de Sepher Jezirah, dat in de Geheime Leer ‘het ene getal, voortgekomen uit geen-getal’ wordt genoemd – het Ene eeuwige Beginsel. De esoterische theogonie begint met het Ene, dat gemanifesteerd en dus niet eeuwig is in zijn aanwezigheid en in zijn bestaan, hoewel wèl eeuwig in zijn essentie; het getal van de getallen en de getelden – de laatste komen voort uit de stem, de vrouwelijke Vach, Satarupa ‘met de honderd vormen’, of de Natuur. Uit dit getal 10, of scheppende natuur, de moeder – de occulte ‘nul’ die, in verbinding met de eenheid ‘1’ (één) of de levensgeest, altijd voortbrengt en vermenigvuldigt – kwam het gehele Heelal voort.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 5 Fohat: kind van zevenvoudige hiërarchieën (p. 141):
Fohat staat in nauw verband met het ‘ENE LEVEN’. Uit het Onbekende Ene, het oneindige GEHEEL, komt de gemanifesteerde ENE of de periodieke manvantarische godheid voort, en deze is het universele denkvermogen dat, gescheiden van zijn bron, de demiurg of de scheppende logos van de westerse kabbalisten is, en de Brahmâ met de vier gezichten van de hindoereligie.
144: De drie stappen staan metafysisch in verband met de neerdaling van de geest in de stof, met de logos die als een straal valt in de geest, daarna in de ziel en tenslotte in de fysieke vorm van de mens, waarin hij LEVEN wordt.
De Geheime Leer Deel I, Stanza 6 Onze wereld, haar groei en ontwikkeling (p. 166):
In de esoterie van de Vedanta is daiviprakriti, het door Eswara – de logos – gemanifesteerde licht, tegelijk de moeder en de dochter van de logos, of het woord, van Parabrahmam. In de esoterie van de leringen van over de Himalaja is zij echter – in de hiërarchie van de allegorische en metafysische theogonie – ‘de MOEDER’ of abstracte ideële stof, Mulaprakriti, de wortel van de Natuur; – van metafysisch standpunt staat zij in verband met adi-bhuta, gemanifesteerd in de logos, Avalokiteshvara; – en uit een zuiver occult en kosmisch oogpunt met fohat, de ‘zoon van de zoon’, de androgyne energie die voortkomt uit dit ‘licht van de logos’ en die zich op het gebied van het objectieve Heelal manifesteert als de verborgen en ook als de zichtbaar gemaakte elektriciteit – die het LEVEN is.
De Geheime Leer Stanza 7, De voorvaderen van de mens op aarde (p. 281):
Bij het bespreken en verklaren van de aard van de onzichtbare elementen en het bovengenoemde ‘oorspronkelijke vuur’, noemt Eliphas Lévi dit altijd het ‘astrale licht’. Het is voor hem ‘le grand agent magique’ en ongetwijfeld is dit zo, maar – slechts voorzover het om zwarte magie gaat, en op de laagste gebieden van wat wij ether noemen, waarvan akasa het noumenon is; en zelfs dit zou door orthodoxe occultisten als onjuist worden beschouwd. Het ‘astrale licht’ is eenvoudig het oudere ‘siderische licht’ van Paracelsus; en als men zegt dat ‘alles wat bestaat zich eruit heeft ontwikkeld en dat het alle vormen in stand houdt en reproduceert’, zoals hij schrijft, dan verkondigt men alleen in de tweede stelling de waarheid. De eerste is onjuist, want als alles wat bestaat door (of via) het astrale licht was ontwikkeld, dan is dit het astrale licht niet. Het laatste bevat niet alle dingen, maar weerspiegelt deze hoogstens. Eliphas Lévi schrijft:
‘Het grote magische agens is de vierde uitstraling van het levensbeginsel (wij zeggen: het is de eerste in het innerlijke en de tweede in het uiterlijke – ons Heelal), waarvan de zon de derde vorm is . . . want de dagster (de zon) is slechts de weerspiegeling en de stoffelijke schaduw van de centrale zon van de waarheid, die de verstandelijke (onzichtbare) wereld van de geest verlicht en die zelf maar een glans is, ontleend aan het ABSOLUTE.’
286: 46) In zijn voorwoord tot de ‘Histoire de la Magie’ zegt Eliphas Lévi hierover: ‘Door deze kracht staan alle zenuwcentra in geheime verbinding met elkaar; zij laat sympathie en antipathie ontstaan; door haar komen onze dromen tot stand; door haar worden de verschijnselen van het tweede gezicht en de bovennatuurlijke visioenen veroorzaakt. . . . Het astrale licht, werkend onder de drang van krachtige impulsen, vernietigt, verdicht, scheidt, breekt en verzamelt alle dingen. . . . God schiep het op die dag toen hij zei: fiat lux, en het wordt bestuurd door de egregores, d.w.z. de leiders van de zielen die de geesten van kracht en handeling zijn.’ Eliphas Lévi had eraan moeten toevoegen dat het astrale licht of de oorspronkelijke substantie, als deze al stof is, dat is wat licht, LUX wordt genoemd en esoterisch verklaard het lichaam van die geesten zelf is, en hun eigenlijke essentie. Ons stoffelijke licht is de manifestatie op ons gebied en de weerkaatste glans van het goddelijke licht dat uitstraalt van het gezamenlijke lichaam van degenen die de ‘LICHTEN’ en de ‘VLAMMEN’ worden genoemd. Maar geen andere kabbalist heeft ooit zoveel talent gehad om de ene tegenstrijdigheid op de andere te stapelen, en de ene paradox op de andere te laten volgen, en dat in dezelfde zin en in zo’n vloeiende taal, als Eliphas Lévi. Hij voert zijn lezer door de liefelijkste, welig bloeiende dalen, om hem tenslotte op een verlaten en kaal rotseiland te laten stranden.
De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 5 Over de verborgen Godheid, haar symbolen en tekens (p. 382):
In de Zohar is En-Soph ook het ENE, en de oneindige Eenheid. Dit was bekend aan die enkele geleerde kerkvaders, die zich ervan bewust waren dat Jehova slechts een macht van de derde rang was en geen ‘hoogste’ God. Maar hoewel Irenaeus zich bitter over de gnostici beklaagt en zegt . . . ‘onze ketters beweren . . . dat PROPATOR alleen bekend is aan de eniggeboren zoon1 (die o.a. Brahmā is), dat wil zeggen aan de geest’ (nous), heeft hij nooit gezegd dat de joden hetzelfde deden in hun werkelijk geheime boeken. Valentinus, ‘de geleerdste kenner van de gnosis’, beweerde dat ‘er een volmaakte AION was die bestond vóór Bythos of Buthon (de eerste vader van de onpeilbare natuur, die de tweede logos is) en die Propator wordt genoemd’. AION ontspringt dus als een straal aan Ain-Soph (die niet schept) en AION schept, of liever door hem wordt alles geschapen of ontwikkeld. Want, zoals de volgelingen van Basilides leerden, ‘er was een hoogste god, Abraxax, door wie het denkvermogen werd geschapen’ (mahat in het Sanskriet, nous in het Grieks). ‘Uit het denkvermogen kwam logos, het woord, voort, uit het woord de voorzienigheid (of beter: het goddelijke licht), en daaruit vervolgens deugd en wijsheid in Vorsten, Machten, Engelen, enz.’.
H.P. Blavatsky: De Geheime Leer Deel I, hoofdstuk 12 De theogonie van de scheppende goden (p. 467):
Dit zal de onderzoeker helpen begrijpen waarom Pythagoras de godheid (de logos) als het centrum van eenheid en de ‘bron van harmonie’ beschouwde. Wij zeggen dat deze godheid de logos was, niet de monade, die in eenzaamheid en stilte woont, omdat Pythagoras leerde dat de EENHEID, die immers ondeelbaar is, geen getal is. En daarom werd ook van de kandidaat, die zich aanmeldde voor toelating tot zijn school, verlangd dat hij als voorbereiding daarop de rekenkunde, sterrenkunde, meetkunde en muziek had bestudeerd, die als de vier onderdelen van de wiskunde werden beschouwd. Dit verklaart verder waarom de pythagoreeërs beweerden dat de leer van de getallen – in de esoterie de belangrijkste – door de hemelse godheden aan de mens was geopenbaard; dat de wereld uit de Chaos tevoorschijn was geroepen door geluid of harmonie, en opgebouwd volgens de beginselen van de muzikale verhoudingen; dat de zeven planeten die het lot van de stervelingen beheersen, een harmonieuze beweging hebben ‘en intervallen die overeenkomen met die in de muziek, waardoor verschillende geluiden ontstaan, die zo volmaakt harmonieus zijn dat ze de liefelijkste melodie voortbrengen, die voor ons onhoorbaar is, alleen al door de grootsheid van het geluid, dat onze oren niet kunnen opvangen’. (Censorinus.)
469: De beste metafysische definitie van de oorspronkelijke theogonie in de geest van de aanhangers van de Vedanta kan men vinden in de Notes on the Bhagavad-Gita door T. Subba Row. (Zie Theosophist van februari 1887.) Parabrahmam, het onbekende en het onkenbare, zoals de spreker zijn toehoorders meedeelt:
‘. . . Is geen ego, en ook geen niet-ego, en evenmin bewustzijn . . . het is zelfs niet atma’ . . . ‘maar hoewel zelf geen voorwerp van kennis, is het toch in staat als basis en oorzaak te dienen voor alle soorten objecten en alle soorten bestaan die een voorwerp van kennis worden. Het is de ene essentie, waaruit een centrum van energie tot bestaan komt . . .’, dat hij logos noemt.
470: En de spreker legt aan de hand van een mooie vergelijking uit wat hij bedoelt met deze werking van iets dat niets is, hoewel het het AL is. Hij vergelijkt de logos met de zon, waaruit licht en warmte stralen, maar waarvan de energie, het licht en de warmte in een onbekende toestand in de Ruimte bestaan en alleen als zichtbaar licht en warmte door de Ruimte worden verspreid, waarbij de zon daarvan slechts het agens is. Dit is de eerste drievoudige hypostase. De viervoudige wordt gevormd door het energie gevende licht dat door de logos wordt uitgestraald.
De Hebreeuwse kabbalisten geven het weer in een vorm die esoterisch met die van de Vedanta overeenkomt. Zij leerden dat AIN-SOPH niet kon worden begrepen of gelokaliseerd of genoemd, hoewel het de oorzaakloze oorzaak van alles is. De naam – AIN-SOPH – is dus een ontkenning, ‘het ondoorgrondelijke, het onkenbare en het onnoembare’. Zij stelden het daarom voor als een grenzeloze cirkel, een bol, waarvan het menselijke verstand met de grootste inspanning alleen nog maar de welving kon waarnemen. Met de woorden van iemand die veel van het kabbalistische stelsel heeft ontraadseld, en wel heel diepgaand in een van de betekenissen ervan, in zijn numerieke en meetkundige esoterie: ‘Sluit uw ogen en probeer vanuit uw eigen waarnemingsbewustzijn in elke richting tot de uiterste grenzen te denken. U zult ontdekken dat lijnen of stralen van waarneming zich in alle richtingen even ver uitstrekken, zodat de uiterste inspanning van het waarnemingsvermogen zal eindigen in de welving van een bol. De begrenzing van deze bol zal een grote cirkel moeten zijn, en de directe gedachtestralen naar alle richtingen moeten rechtlijnige stralen van de cirkel zijn. Dit moet dan menselijkerwijs gesproken het uiterste, alomvattende begrip van het gemanifesteerde Ain-Soph zijn, dat tot uitdrukking komt als een meetkundige figuur, namelijk als een cirkel met zijn gekromde omtrek en rechte middellijn, die in stralen is verdeeld. Daarom is een meetkundige figuur de eerste herkenbare schakel tussen het Ain-Soph en het verstand van de mens.’
476: Bij het begin van elke cyclus van 4.320.000 daalden de zeven (of volgens enkele volkeren acht) grote goden af om de nieuwe orde van zaken te vestigen en de stoot te geven tot de nieuwe cyclus. Die achtste god was de verbindende cirkel of LOGOS, in het exoterische dogma van zijn menigte afgescheiden en afgezonderd, evenals de drie goddelijke hypostasen van de oude Grieken nu in de kerken als drie afzonderlijke personen worden beschouwd.
De Geheime Leer Deel I,hoofdstuk 11 Over elementen en atomen (p. 627):
De hedendaagse natuurkunde heeft, toen zij aan de Ouden haar atoomtheorie ontleende, één punt, het belangrijkste van de leer, vergeten; daarom kreeg zij alleen de schil en zal nooit tot de kern kunnen doordringen. Zij liet, toen zij de fysieke atomen overnam, het veelbetekenende feit buiten beschouwing dat van Anaxagoras tot Epicurus, de Romein Lucretius en tenslotte zelfs tot Galileo, al die filosofen min of meer in BEZIELDE atomen geloofden, niet in onzichtbare deeltjes van zogenaamde ‘redeloze’ stof.
629/630: De monade – inderdaad een ‘ondeelbaar ding’, zoals deze door Good werd omschreven, die het woord niet de huidige betekenis gaf – wordt hier weergegeven als de ātman in vereniging met de buddhi en het hogere manas. Deze drie-eenheid is één en eeuwig, want de laatstgenoemde worden na de beëindiging van al het voorwaardelijke en bedrieglijke leven in het eerstgenoemde opgenomen. De monade kan dus alleen vanaf het beginstadium van het gemanifesteerde Heelal worden gevolgd op haar pelgrimstocht en bij de wisselingen van haar tijdelijke voertuigen. In de pralaya of de periode tussen twee manvantara’s verliest zij haar naam, evenals zij deze verliest als het werkelijke ENE zelf van de mens opgaat in Brahman, in gevallen van hoge samādhi (de turīyatoestand) of een uiteindelijk nirvāna; ‘als de leerling’ in de woorden van Śankara ‘dat oer-bewustzijn, die absolute gelukzaligheid heeft bereikt, waarvan de aard de waarheid is, die zonder vorm en actie is, en zijn bedrieglijke lichaam achterlaat dat door de ātman was aangenomen, zoals een speler een (gebruikt) kledingstuk aflegt’. Want buddhi (het ānandamaya omhulsel) is alleen maar een spiegel die absolute gelukzaligheid weerkaatst; en bovendien is die weerkaatsing zelf nog niet vrij van onwetendheid, en zij is niet de opperste geest, omdat zij afhankelijk is van voorwaarden, want zij is een geestelijke modificatie van prakriti en een gevolg; alleen ātman is de enige echte en eeuwige grondslag van alles – de essentie en absolute kennis – de kshetrajña7.
7) Nu de herziene vertaling van de evangeliën is verschenen en de grofste fouten van de oude vertalingen zijn verbeterd, zal men de woorden in Johannes v, vi en vii beter begrijpen: ‘Het is de geest die getuigenis aflegt, omdat de geest de waarheid is.’ De woorden die volgen in de onjuist vertaalde versie over de ‘drie getuigen’ – waarvan men tot dusver aannam dat ze ‘de Vader, het Woord en de Heilige Geest’ betekenen – geven de werkelijke bedoeling van de schrijver (Johannes) heel duidelijk aan, en doen zo zijn lering in dit opzicht nog sterker overeenkomen met die van Śankarāchārya. Want wat kan de zin ‘er zijn er drie die getuigenis afleggen: de geest en het water en het bloed’ betekenen, als zij geen verband houden met of betrekking hebben op de meer filosofische uitspraak van de grote Vedāntaleraar die, als hij spreekt over de omhulsels (de beginselen van de mens) jīva, vijñānamaya, enz., die in hun fysieke manifestatie ‘water en bloed’ of leven zijn, eraan toevoegt dat alleen ātman (geest) overblijft na het wegnemen van de omhulsels en dat dit de ENIGE getuige of samengevatte eenheid is. De minder spirituele en filosofische school, die alleen oog had voor een drie-eenheid, maakte van ‘één’ getuige er drie, en bracht deze zo meer met de aarde dan met de hemel in verband.
632: De esoterische leer is anders: de goddelijke, zuiver ādi-buddhische monade manifesteert zich als het universele buddhi (de mahā-buddhi of mahat in de hindoefilosofieën), de geestelijke, alwetende en almachtige wortel van goddelijke intelligentie, de hoogste anima mundi of de logos. Deze daalt neer ‘als een vlam die zich vanuit het eeuwige vuur verspreidt, onbeweeglijk en zonder toe of af te nemen, steeds dezelfde tot het einde’ van de cyclus van het bestaan en wordt op het gebied van de wereld het universele leven. Uit dit gebied van bewust leven schieten, als zeven vurige tongen, de zonen van het licht (de logoi van het leven). Daarna komen de Dhyāni-Boeddha’s van de contemplatie: de concrete vormen van hun vormloze vaders – de zeven zonen van het licht, die nog zichzelf zijn. Op hen kan het brahmaanse mystieke gezegde ‘U bent ‘DAT’ – Brahman’ worden toegepast. Deze Dhyāni-Boeddha’s stralen hun chhāyā’s (schaduwen) uit, de bodhisattva’s van de hemelse rijken, de oervormen van de bovenaardse bodhisattva’s en van de aardse Boeddha’s en tenslotte van de mensen. De ‘zeven zonen van het licht’ worden ook ‘sterren’ genoemd.
De Geheime Leer Deel I,hoofdstuk 13 De moderne nevelvlektheorie (p. 650):
Om van de wetenschap een alomvattend geheel te maken, is het inderdaad nodig zowel de spirituele en psychische als de fysieke Natuur te bestuderen. Anders zal het altijd met haar gaan zoals met de anatomie van de mens, die vanouds door de niet-ingewijden werd benaderd vanuit het standpunt van zijn omhulsel, terwijl zij van het inwendige niets wisten. Zelfs Plato, de grootste filosoof van zijn land, maakte zich vóór zijn inwijding schuldig aan beweringen als zouden vloeistoffen door de longen in de maag terecht komen. Zonder metafysica is werkelijke wetenschap niet toelaatbaar, zoals H.J. Slack zegt.
651/652: Het is de plicht van de occultist zich bezig te houden met de ziel en de geest van de kosmische Ruimte en niet alleen met haar bedrieglijke uiterlijk en gedrag. De officiële natuurwetenschap heeft als plicht om haar omhulsel – volgens het materialisme het Ultima Thule van het Heelal en de mens – te analyseren en te bestuderen.

De Geheime Leer Deel II Stanza 1 HET BEGIN VAN BEWUST LEVEN (p. 25):
In zijn eerste gemanifesteerde aspect hebben wij het zien worden: (1) in de sfeer van objectiviteit en fysica, de oorspronkelijke substantie en kracht (middelpuntzoekend en middelpuntvliedend, positief en negatief, mannelijk en vrouwelijk, enz.); (2) in de wereld van de metafysica, de GEEST VAN HET HEELAL of kosmische verbeeldingskracht, door sommige de LOGOS genoemd.
Deze LOGOS is de top van de driehoek van Pythagoras. Wanneer de driehoek volledig is, wordt hij de Tetraktis, of de driehoek in het vierkant, en wordt het tweevoudige symbool van het vierletterige tetragrammaton in de gemanifesteerde Kosmos, en van zijn fundamentele drievoudige STRAAL in het niet-gemanifesteerde, of zijn noumenon.
26: Bovendien werd de mens in verschillende stelsels als de derde logos beschouwd. De esoterische betekenis van het woord logos (spraak of woord, verbum) is het weergeven van de verborgen gedachte in een objectieve uitdrukking, zoals in een foto. De logos is de spiegel die het GODDELIJKE DENKVERMOGEN weerkaatst, en het Heelal is de spiegel van de logos, hoewel de laatste het zijn van dat Heelal is.

Blavatsky, Deel III (p. 591): De “oorspronkelijke driehoek” is de 2e Logos, die zich als een driehoek in de Derden Logos of hemelse mens weerkaatst en daarna verdwijnt. De Derde Logos, die het “vormende scheppingsvermogen” bevat, ontwikkelt de tetraktys uit den driehoek, en wordt zoodoende zeven, de scheppende kracht, die met den oorspronkelijke driehoek, die haar voortgebracht heeft, ene tienheid vormt. Als deze hemelse driehoek en tetraktys in het heelal van stof weerkaatst zijn in den vorm vd astralen, paradigmatische mens, zijn zij omgekeerd, en wordt de driehoek of de vormende kracht onder de vierheid geworpen, met zijn spits naar omlaag gekeerd; de Monade van deze astrale paradigmatische mens is zelf een driehoek die tot de vierheid en de driehoek in dezelfde verhouding staat als de oorspronkelijke driehoek (2e Logos) tot de hemelse mens (3e Logos). Vandaar de zinsnede: “de bovenste driehoek …..is in de mens van stof onder de zeven geplaatst”. Ook hier vormen het punt dat den driehoek beschrijft, de Monade die den drieheid wordt met de vierheid en de lagere scheppende driehoek, de tienheid of het volmaakte getal. “Zoo omhoog, zoo omlaag”.
Blavatsky, Deel III (p. 620): Âtmâ-Buddhi-Manas in de mens komt overeen met de drie Logoi in de Kosmos (zie p. 9 Evolutie en Involutie). Zij komen niet slechts overeen, doch ieder hunner is de uitstraling van de Kosmos in de microkosmos.
Blavatsky, Deel III (p. 621): Vijf (Linga-sarira, Prana, Kama-Manas, Manas en Buddhi) blijven er over onder de uitstraling van Âtmâ (Avatar). Vervolgens wordt de lagere vierheid (1 t/m 4) als louter stof, objectieve begoocheling, beschouwd en blijven Manas en het aurische ei over, terwijl de hogere beginselen weerkaatst worden in het ei. Bij al deze stelsels zij men het hoofdfiguur indachtig, het nederdalen en weder opstijging van de geest, zowel in de mens als in de Kosmos. De geest wordt als het ware door geestelijke zwaartekracht omlaag getrokken.

Gottfried de Purucker boek Grondslagen der Esoterische Wijsbegeerte, Deel I, Hoofdstuk 4 VAN OORSPRONKELIJK PUNT TOT HEELAL EN MENS. HOE BEGINT DE MANIFESTATIE? MANVANTARA EN PRALAYA.:
Voor we verder gaan is het nodig even stil te staan bij wat we met de woorden manvantara en pralaya bedoelen. Laten we eerst het woord manvantara nemen. Dit is een samengesteld Sanskrietwoord dat niets anders betekent dan tussen twee manu’s; letterlijk ‘manu-tussen’. Manu, of dhyâni-chohan, omvat in het esoterische stelsel de gezamenlijke entiteiten die aan het begin van de manifestatie het eerst verschijnen en waaruit, als uit een kosmische boom, alles voortkomt of wordt geboren. Manu is in werkelijkheid de (geestelijke) levensboom van een planeetketen, van het gemanifesteerde zijn. Manu is daarom in zekere zin de derde logos; zoals de tweede de vader-moeder is, de Brahmâ en de prakriti; en de eerste is wat we de ongemanifesteerde logos noemen, of brahman (onzijdig) en zijn kosmische sluier pradhâna.
Gottfried de Purucker boek Grondslagen der Esoterische Wijsbegeerte, Deel II, Hoofdstuk 31 (hoofdstuk bevat diagram met zes kolommen):
We hebben hier zes kolommen, die analoge gevallen van ontwikkeling van de kosmos en van de mens voorstellen. Eerst krijgen we wat we de esoterische reeks kunnen noemen: links hiervan hebben we de getallen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 geplaatst, die de volledige hiërarchie van tien stadia of graden vertegenwoordigen. De volgende kolom vermeldt de brahmaanse tattva’s. Tattva is een Sanskrietwoord dat kan worden vertaald met ‘element’ en dat de substantiële ‘werkelijkheid’ achter de uiterlijke schijn betekent, waar het zaadbewustzijn op inwerkt; het kleed of de drager van dit bewustzijn. Dan komen in de volgende kolom de elementen, zoals die overal in de oudheid werden opgevat. Dan komt het mystiek Griekse stelsel, zoals dit meestal in de neoplatonische en neopythagorische filosofieën wordt aangetroffen. En tenslotte komt de verdeling van de wezens, die de evoluerende levensgolf of rivier van leven samenstellen, in twee algemene vormen, dhyâni-chohans en pitri’s.

<< vorige || volgende >>

Categorie: Artikelen | Rapport | Auteur: Harry Nijhof


Deze pagina werd sedert 16 dec. 2007 5435 keer bekeken.