
De
Droom
| Werkeloosheid?
Propaganda! |
De
Geboorte van de Tijd
| De
Leugen en de Val
Werkeloosheid?
Propaganda!
Een
beschrijving van de frustraties van de kromme geest der
werkeloosheid.
Door
R.P.B.A.
Ik
ben werkloos maar gelukkig. Ik ben de Jood van het
kapitalisme, ik mag niet bestaan. Waar ik voor leef wordt
bestreden. Werkeloosheid is verkeerd. Ik moet ongelukkig
zijn zonder iemand die me zegt wat ik moet doen. Ik ben
een tweederangs burger zonder een salaris. Ik moet tot
arbeid worden gedwongen want ik ben lui.
Ik ben de zondaar van het fundamentalisme,
want ik sluit me niet aan. Alles wat ik buiten het
arbeidsbestel om doe is een illusie, is niets waard, is
egoïsme. Ik heb geen gezin, geen auto en geen
vakantie. Ik ben niemand. Ik ben nutteloos. Als ik geen
geld verdien ben ik goddeloos. Ik moet de samenleving
dienen, een tegenprestatie leveren. De uitkering die ik
krijg verdien ik niet; klaarstaan, aan de weg timmeren en
de vrede bewaren, aangepast zijn en God dienen is in
feite tot iets goddeloos verklaard. En dat mag ikzelf
niet uitmaken. Ik ben een kind van God en de Vader zit in
Den Haag. En Vader zegt met een valse stem: 'Mijn zoon,
werk voor mij'.
Ik ben de vloek van het socialisme want
ik heb geen baan. Ik ben de oorzaak en het gevolg van het
individualisme. Tegen mij vecht de hele maatschappij en
iedere partij, want ik sta buiten de maatschappelijke
orde die beschaafd en beheerst is. Ik moet worden
gecontroleerd en geherintegreerd. Ik lig eruit en deed
nooit goed mee, en wat ik doe is verkeerd als het niet
tot een arbeidsverband leidt. Het is mijn plicht een
bijdrage te leveren die mij economisch zelfstandig maakt,
die mij economisch afhankelijker maakt.... die mij
economisch zelfstandig maakt, die mij economisch
afhankelijker maakt.... etc.
Ik
ben de vijand van de natie en de nationalist, de
verschoppeling die zich niet vrij mag vestigen, de
klaploper en de profiteur omdat ik een soort van parasiet
ben die alleen maar eet en niets meer presteert dan
afval. Ik ben asociaal en een verrader van de trots van
het vaderland. Ik moet een uniform aan en een andere
werkeloze gaan doodschieten die ik mijn vijand moet
noemen, want zo gaat dat met nutteloze mensen. Ik ben
iemand zonder eigenwaarde, zonder gelijke burgerrechten;
ik mag geen bezit hebben, ik mag niet spreken, Ik heb het
recht niet want ik wordt er niet met een salaris voor
gewaardeerd. Ik ben minder dan een huishond. Kan ik niet
met geld omgaan, dan wordt ik bij de vuilnisbak gezet.
DIT
IS PROPAGANDA! Geloof er niet in. Dit is mijn verhaal:
geloof er niet in. Kom voor jezelf op, geloof er niet in.
Vecht voor je rechten, maar dan zal een ander tegen jouw
vechten! Komt de wereld zo in orde...? Ja!? Waar moet ik
beginnen? De geloofsbekentenis van de propaganda is zo
smerig dat mensen nog liever eenmaal daags zichzelf
ruiken op de wc dan dat ze hier kennis van nemen. Nog
liever zet men regelmatig het huisvuil buiten dan deze
vuile was aan te moeten zien. Ik ben vervloekt,
verdrongen, bespot, gewantrouwd, vals voorgesteld, met
minachting besproken en verdreven. Het is allemaal mijn
eigen schuld, want ik ben de ongehoorzame, de goddeloze,
de asociale en de eerloze. En, dat was ik nog vergeten,
natuurlijk, ik ben dom. Een beetje slim weet wel hoe hij
geld moet krijgen en eervol moet zijn. Verder is er niets
van belang voor ons maatschappelijk zelfbeeld. We gaan op
zwart en zien niets meer. Einde verhaal. Je bent
vergeten, en je hebt het vergeten, en je mag blij zijn
nog een nummer te hebben op je huisdeur, in je paspoort,
op je bankpasje. Wees blij, je hebt nog een nummer, ook
al wordt je niet herkend als een mens. Waar hoorde ik dat
eerder? Was dat niet iets op de buis? Op het
propagandakanaal misschien?
Ik dacht: ik ga alle illusies aanwijzen
en opschrijven. Ik kwam erachter dat ik dan de hele
wereld kan afschrijven als een illusie. Alleen ikzelf
blijf dan over als de werkelijkheid. En ik zonder de rest
eromheen, ben dan niet alleen liefdeloos, neen, ik besta
dan zelfs helemaal niet meer. Ook in gedachten kan je
zelfmoord plegen. Ik schrijf de propaganda wel af.
Ik draag de vloek van de moderne tijd.
Ik ben dus tegen de moderne tijd, ik wil niet vloeken. Ik
wil niet vervloekt zijn. Ik moet het iedereen
kwijtschelden. Ik ben wel van de oude tijd, ik ben wel de
zegen van de natuur, donder en bliksem inbegrepen. Was de
natuur niet de basis voor de gelijkheid die de Franse
Revolutie moest opleveren? Helaas mislukte de
tijdhervorming van die revolutie. Napoleon vond oorlog
beter. We herinneren het ons als de wil der democratie en
als de ondergang van onze Gouden Eeuw. Een pijn in je
reet. Verbannen maar gebleven. We houden er toch niet
van? Zullen we hem dan maar overdoen die revolutie, want
ergens ging er iets mis dus.
Ik ben werkeloos en heb het nog nooit
zo druk gehad. Zonder een baas moet je immers alles zelf
doen. Mijn eigen priester, mijn eigen leraar, mijn eigen
politicus, mijn eigen soldaat, mijn eigen inkoper, mijn
eigen verkoper, mijn eigen partner, mijn eigen kind moet
ik zijn. Ik heb het er zo druk mee dat ik nauwelijks nog
liefde over heb voor anderen. Ik kan alleen mijn eigen
wereld liefhebben. En wie woont daar nog meer? Een meisje
misschien? Of was het weer de droomkoningin die je 's
morgens alleen achterlaat met een misbruikt gevoel en een
bedorven humeur. Het verkeerde been, stap er over heen.
En dat was het dan weer. Ik moet overleven voordat de
anderen me te pakken krijgen. Anders sterf ik in een van
mijn synthetische schoenen, anders verdrink ik in een
vloed van buitenaf, anders wordt ik ziek van de stress
van de macht van de wil van een ander die denkt dat hij
er goed aan doet mijn leven te bepalen. Het zijn de
priesters, de politici, de bazen en de familieleden die
dat willen. Allen willen ze een ander iemand: een
gelovige, een gehoorzame, een werknemer, een kostwinner.
Maar ik geloof niet, ik weet zeker, zelfs wat ik niet
weet, dàt ik niet alles weet. Ik ben geen
gehoorzame, want ik luister naar mezelf. Ik ben niet in
dienst te nemen want ik ben te ver heen, ik dien de orde
reeds, mijn orde... maar mag ik wel mijn zeggen? Ik moet
ik vergeten en wij gaan weten. Maar ook wij zijn ik de
mens. Ik kan de kost niet verdienen, ik moet het leven
verdienen. Ik ben oké in mijn ogen, maar waarom
noem jij dat niet oké, jij baas, jij ritualist,
jij regelneef en jij begeertige? Dien ik jou niet ook,
ookal is het maar vrijwillig? Is dat dan de schande? Die
vrijwilligheid?
september 2007 © R.P.B.A.
- Reageren
op dit verhaal?